Belgische Touranekdotes: met zijn achterwiel op de rug verbeet Léon Scieur de pijn

07/07/18 om 07:00 - Bijgewerkt op 05/07/18 om 13:25

Sinds 14 maart ligt het boek 'Top 1000 van de Belgische wielrenners' in de Standaard Boekhandel. Tijdens de Tour brengen we elke dag passages uit dit werk. Vandaag: Léon Scieur, de Tourwinnaar van 1921.

Belgische Touranekdotes: met zijn achterwiel op de rug verbeet Léon Scieur de pijn

Léon Scieur © Belga Image

Toen Léon Scieur in 1921 de Ronde van Frankrijk won, heette hij een overgangsfiguur te zijn. Scieur kreeg nooit het respect waarop hij recht had. Ook in Vlaanderen niet. Léon Scieur was een renner met een groot doorzettingsvermogen. Hoe groot, dat bewees hij onder meer in de voor hem zo triomfantelijke Ronde van Frankrijk in 1921. In de voorlaatste rit reed hij 300 kilometer met een kapot wiel op zijn rug. Zoals hij zo vaak urenlang verwrongen wielen op zijn rug had moeten dragen. Die rug zat dan ook vol littekens. Léon Scieur liet die graag zien. Om te tonen welk rauw overlevingstocht de Ronde van Frankrijk vroeger wel was geweest.

Pas op zijn 22e leerde Leon Scieur fietsen. Of beter: pas dan kon hij een fiets kopen. Zijn ouders hadden er de financiële middelen niet voor, Léon moest er zelf voor sparen. Al als kleine jongen had hij gedroomd van een carrière als wielrenner. Ook toen hij in een glasblazerij ging werken en er Emile Masson trof die pal bij de fabriek woonde. Niets dat toen kon vermoeden dat beiden later samen de Ronde van Frankrijk zouden rijden.

Bovendien keek Léon Scieur in Florennes met bewondering naar een renner die fanatiek trainde op stoffige landweggetjes. Dat was de latere Tourwinnaar Firmin Lambot. De carrière van Léon Scieur is opgedeeld in twee schijven. Hij was al 25 jaar toen hij in 1913 aan zijn profcarrière begon. Léon Scieur viel op door zijn grote motor. Hij was in staat lang tegen hetzelfde tempo te rijden en kreeg, ook al door zijn zeer krachtige stijl, niet toevallig de bijnaam de locomotief. Omdat hij uitstekend klom, had Scieur het profiel van een ronderenner. Zijn gedrevenheid was enorm.

De Tour van 1921 zou die van de overgang worden. Philippe Thys worstelde met een vormcrisis en Firmin Lambot, die zich intussen over Scieur had ontfermd, leek op zijn 35e te oud om mee te dingen naar de zege. Het was de verwachting dat de Fransen zouden domineren. Met Léon Scieur hield niemand rekening. Die nam in de tweede rit de gele trui over van Louis Mottiat en zou die niet meer afstaan. Vervolgens verblufte hij door de derde etappe, die tussen Cherbourg en Brest, met negen minuten voorsprong te winnen. Maar tijdens de eerste Pyreneeënrit dreigde hij te plooien toen Hector Heusghem een enorm offensief ontketende en een achterstand van 29 minuten tot vier minuten terugbracht. In de Alpen demonstreerde Scieur vervolgens een staaltje van onverzettelijkheid: toen hij op een slecht moment een bandbreuk leed en Heusghem meteen ten aanval ging, zette hij een helse achtervolging in, rolde iedereen op, om in Grenoble met zes minuten voorsprong te winnen. Pas dan leek hij zich helemaal bewust te zijn van de enorme kracht die er in zijn lichaam schuilde.

In Parijs eindigden tot wanhoop van Tourbaas Henri Desgrange zeven Belgen in de eerste tien. In de voorlaatste rit onderstreepte viel Léon Scieur maar met zijn achterwiel op de rug verbeet hij de pijn. Vanuit Florennes werd er massaal afgezakt richting Parijs.

'Top 1000 van de Belgische wielrenners' werd geschreven door Jacques Sys, de hoofdredacteur van Sport/Voetbalmagazine, en uitgegeven bij Lannoo.

Onze partners