Stan Ockers, symbool van de arbeidersbevolking

20/03/18 om 09:00 - Bijgewerkt om 09:28

Sinds woensdag ligt het boek 'top 1000 van de Belgische wielrenners' in de Standaard Boekhandel. De hele week lang brengen we anekdotes en verhalen uit dit lijvig naslagwerk. Vandaag in de laatste aflevering: Stan Ockers, een kampioen die na zijn tragische dood een mythe werd.

Stan Ockers, symbool van de arbeidersbevolking

Stan Ockers © Wikipedia

Het was een van de zwartste dagen in de geschiedenis van de Belgische wielersport: op 1 oktober 1956 verongelukte Stan Ockers, twee dagen nadat hij in het Antwerpse Sportpaleis zwaar ten val kwam. In volle finale plofte hij op het achterwiel van de na een defect net weer op de piste verschenen Nest Sterckx. Ockers liep een schedelbreuk op. Hij ontwaakte nog twee keer heel kort uit de coma en vroeg toen telkens naar zijn zoontje. Toen hij stierf was het hele land in rouw gedompeld, Koning Boudewijn belde met de weduwe van Ockers, in Antwerpen stond het leven stil. Honderdduizenden defileerden zwijgend langs het stoffelijk overschot dat lag opgebaard in het Antwerpse Sportpaleis en bezorgden hem later een keizerlijke uitvaart. Op de lijkkist lag een regenboogtrui. Stan Ockers werd die dag definitief een legende.

Stan Ockers was door zijn eenvoud en nederigheid uitgegroeid tot een symbool van de arbeidersbevolking. Hij was niet bang van het harde labeur, ook al probeerde hij zijn krachten te doseren en bleef hij, vaak tot ergernis van zijn tegenstanders, in het wiel zitten. Ockers gold als cijferaar en rekenaar. Het schaadde zijn populariteit niet. Het publiek herkende zich in Ockers die keihard knokte voor een plaats in het wielerpeloton, die uitblonk door zijn ijver, pienterheid en plichtsbesef en er alles voor over had om zich via de wielersport maatschappelijk op te hijsen.

Maar steeds bleef Ockers zichzelf: een straatjongen die uitgroeide tot een succesrijk renner. Hij was charmant en elegant en stapte, met zijn hagelwitte tanden, met een eeuwige glimlach door het leven. Veel van zijn tegenstanders bestempelden die glimlach als een spottende grijns.

Ockers bezat de kunst om sympathie te verwekken en zich beminnelijk te maken. Hij was erg sociaal en hielp verschillende arme gezinnen uit zijn omgeving, ook al liep hij daarmee nooit te koop. Hij beleefde het absolute hoogtepunt van zijn carrière toen hij in 1955 in het Italiaanse Frascati wereldkampioen werd. Het was voor de op dat moment 35-jarige Sinjoor een bekroning van zijn carrière. Op drie kilometer van de meet plaatste Ockers een verschroeiende demarrage. Het was het meest indrukwekkende nummer dat hij in zijn carrière opvoerde.

Stan Ockers was een kampioen met twee identiteiten. Charmant en beminnelijk buiten de wedstrijden, levenslustig en praatgraag, optimistisch en goedlachs. Ockers was een man van en voor het volk, hij kon met zijn grappen, sterke verhalen en imitaties een gezelschap urenlang boeien. Maar in de race onderging hij een metamorfose: dan was hij keihard en onverbiddelijk, een pure opportunist die de lat voor zichzelf verschrikkelijk hoog legde. Hij bezat ook de kunst om mensen te bespelen.

Toen Stan Ockers niet meer de resultaten behaalde die hij verhoopte, vertrouwde hij Rik Van Steenbergen in een bui van neerslachtigheid toe dat hij ermee wilde ophouden. Ockers verzuchtte dat hij in de toekomst maar beter in de dokken kon gaan werken. Dat Ockers toen Van Steenbergen in vertrouwen nam, was niet toevallig: het nochtans totaal uiteenlopende duo klitte aan mekaar. Niets wat er in het peloton gebeurde, ontging hen. Zo ook in 1954 niet, in het hartje van de zomer, toen beiden deelnamen aan het criterium van Brasschaat. Iedereen in de regio had toen de mond vol van een nieuwe opkomende vedette. Stan Ockers bestudeerde en analyseerde de manier van koersen van de jonge renner en had snel zijn conclusie klaar. Hij zei Van Steenbergen dat hij die renner gerust mocht aanraden een ander beroep te kiezen, hij aanzag hem als een onvervalste profiteur.

Van Steenbergen knoopte het goed in zijn oren. Enkele weken later stuitte hij in Arendonk weer op dezelfde renner die constant aan de staart van een kleine kopgroep bengelde. Van Steenbergen gaf hem een uitbrander: of hij deed een deel van het kopwerk, of hij ging naar huis. Bij het eerstvolgende kruispunt fietste de compleet gedesillusioneerde jonge neoprof rechtdoor en verliet de koers. Van Steenbergen vertelde het voorval later aan Stan Ockers. Die lachte. En zei dat nog maar eens was gebleken hoe goed hij renners kon doorlichten.

Een paar jaar later wilde Ockers liever niet meer aan die woorden worden herinnerd. Want de jonge renner in kwestie was... Rik Van Looy.

Onze partners