Iedereen herinnert zicht nog de '8-seconden-Tour' van 1989, de spannendste ooit. Wat echter vervaagd is: de toen innovatieve afwisseling in de lengte van de ritten. Zes vlakke of heuvelachtige etappes van plus 240 km, terwijl de belangrijkste vijf bergritten gemiddeld amper 133 km kort waren, onder meer die naar Villard-de-Lans van amper 91,5 km. Nog steeds de kortste volledige bergetappe ooit.
...

Iedereen herinnert zicht nog de '8-seconden-Tour' van 1989, de spannendste ooit. Wat echter vervaagd is: de toen innovatieve afwisseling in de lengte van de ritten. Zes vlakke of heuvelachtige etappes van plus 240 km, terwijl de belangrijkste vijf bergritten gemiddeld amper 133 km kort waren, onder meer die naar Villard-de-Lans van amper 91,5 km. Nog steeds de kortste volledige bergetappe ooit.Zulke korte ondernemingen werden de jaren ervoor sporadisch geprogrammeerd - zoals in 1985, met twee hálve bergetappes op één dag (52 en 83 km) over de Aubisque en Soulor - maar nooit waren álle tochten over de cols qua afstand zo beperkt als in 1989. Dat had ook zijn impact op de totale afstand: slechts 3285 km, toen de kortste Tour ooit - alleen de editie van 2002 telde daarna nog 8 km minder. Een radicale switch, twee jaar nadat de renners in de Tour van 1987, tot hun groot ongenoegen, 4231 km moesten verorberen, de langste editie sinds 1970 en sindsdien ook niet meer overtroffen.Het less is more-parcours van 1989 leidde tot een zelden geziene nagelbijter. Maar de jaren erna was die verfrissende aanpak weg. De Tour werd weer een paar honderd kilometer langer. En vooral: de korte bergetappes bleken opnieuw des duivels: tot 2011, oftewel 22 (!) jaar lang, nog ééntje van 125 km (Alpe d'Huez, 1991) en zes tussen de 140 en 150 km. That's it. (De ingekorte sneeuwrit van 46 km in 1996 naar Sestrière, gewonnen door Bjarne Mister 60 Procent Riis, rekenen we niet mee.) In 1992 sloeg de slinger zelfs helemaal de andere kant uit met dit Vogezen-Alpentrio: Mulhouse (249,5 km), Saint-Gervais (267,5 km) en Sestrière (254,5 km). Je zou haast om epo sméken.Pas in 2011, in navolging van de Vuelta, zag ASO eindelijk weer het licht, met de 109 km korte etappe over de Galibier naar Alpe d'Huez. Van meet af aan spektakel met Alberto Contador en Andy Schleck die de boel op stelten zetten. Sindsdien werden die korte bergritten vaste kost, meestal per twee zelfs: 2012 La Toussuire (145 km) en Peyragudes (144 km), in 2013 Le Semnoz (125 km), in 2014 Pla d'Adet (124 km) en Hautacam (145 km), in 2015 La Toussuire (138 km) en Alpe d'Huez (110 km) en in 2016 Saint-Gervais en Morzine (146 km).Dit jaar zijn de bergetappes echter weer plus 180 km, die naar Peyragudes zelfs 214,5 km, op één gróte uitzondering na: deze rit van 101 km. Bewust, dat getal, om de minitocht door de Ariège in de verf te zetten. Sinds de Tour vanaf 1990 twee korte etappes op één dag achterwege liet - de UCI staat het in WorldTourraces nu ook niet meer toe - is een rit in lijn nooit korter geweest, behalve die naar de Champs-Elysées in 2011 (95 km).Als het van ASO afhangt, zal het in de toekomst daar niet bij blijven. En dat is alleen maar toe te juichen.