Vrijdag wordt Romário vijftig. De Braziliaanse ex-voetballer die nu bezig is aan een tweede ambtstermijn als senator, vat zijn leven zo samen: ‘Arm geboren, leven en overwinnen.’ Je zou er ook ’trots’ aan kunnen toevoegen, want zelf zet hij zich in de absolute voetbalranking op twee, na Pelé.

Hoge bomen vangen veel wind, zeker als ze weinig buigzaam zijn en niet plooien met de wind. En dus moet Romário de Souza Faria al eens pal een stormpje doorstaan. Vorige week nog luidde de eigenares van het terrein waarop Café do Gol stond in Barra, Rio de Janeiro, tegenover een verslaggever van O Globo de alarmklok. Dat de heer Romário, aandeelhouder van de in 2009 failliet gegane tent, haar nog een pak grondbelasting verschuldigd was. Die fout gelopen investering in het nachtleven leverde Romário, die er onder meer ongedekte checks uitschreef, een pak processen op. Processen die hij allemaal verloor, waarna een deel van zijn roerende goederen (onder meer een reeks auto’s) in beslag werd genomen.

Een paar maanden geleden, eind juli 2015, was het ook koekenbak. Toen pakte het blad Veja uit met het verhaal dat de politicus over een geheime bankrekening in Zwitserland zou hebben beschikt. Op die rekening zou in 2013, vlak voor de verkiezingen, een substantiële som zijn gestort, in ruil voor steun aan een andere politicus. Nu moet elke politicus zijn bezittingen aangeven en volgens Veja zou Romário dat niet hebben gedaan. Veja schreef ook dat de rekening achteraf zou zijn gesloten, om geen veroordeling op te lopen. Romário ontkende een en ander en noemde het ‘een politieke afrekening’. Hij deed het blad een proces aan en eiste naast een morele schadevergoeding ook excuses, wat het blad later ook deed.

Zoals gezegd, hoge bomen vangen veel wind, zeker als je voortdurend anderen, vooral in het voetbal, aanvalt. Romário de politicus is immers zoals Romário de mens én de voetballer: eigenzinnig jagend op scoren. En niet te stoppen.

JACAREPAGUÁ

Jacarepaguá, januari 1966. In Brazilië regeert het leger, aan de macht gekomen bij een staatsgreep in 1964. Het is het jaar van de presidentsverkiezingen die in juni maarschalk Artur da Costa e Silva aan de macht zullen brengen. Zijn regime, later voortgezet door zijn opvolger, zal een van de brutaalste worden tijdens de dictatuur. Maar in een van de favela’s van Rio de Janeiro, Jacarepaguá, zijn Edevair en Lita daar minder mee bezig. De arbeider in een verffabriek en de wasvrouw verwachten hun eerste kind. Er wordt gehoopt op een meisje, maar het wordt een jongen: Romário dopen ze hem. Een kleine baby, amper 1900 gram. Een huilbaby die de hele buurt op stelten zet. In die buurt is er veel chaos, een wirwar van kleine straatjes en benarde onderkomens. Later zullen filmmakers een van de wijken van deze grote favela wereldberoemd maken: Cidade de Deus.

Hier groeit Romário op, in weinig comfortabele omstandigheden, gedurende een jaar of drie vier. Opgevoed door zijn ouders, of als die uit werken zijn door vrienden van de familie die hij tio’s noemt, ooms. Twee jaar later wordt een nieuwe zoon geboren, Ronaldo. Vader Edevair kan niet vermoeden dat hij daarmee in huis de twee namen heeft van de cracks die het Braziliaanse voetbal in de jaren negentig zullen domineren.

Rond zijn vierde verhuist de familie naar Vila da Penha, in de rand van Rio. Maar omdat tio Nei in Jacarepaguá blijft wonen, komt Romário daar nog vaak terug en groeit hij er de facto op. Al vrij snel met voortdurend een bal aan de voet. De school is minder, zo blijkt uit de documentaire die de grootste Braziliaanse sportzender SporTV over hem draaide. Als ze wat ex-klasgenoten opzoeken, komt er een oud rapport boven water. Onvoldoende voor wiskunde. Het kleine jongetje heeft wel succes bij de meisjes. Rond zijn twaalfde een eerste liefje, rond zijn veertiende ontmaagd, en als Edevair zijn zoon eens vraagt voor wie al de meisjes die rond het voetbalveld staan komen, zegt de zoon fier: ‘Voor mij!’ Redelijk mulherengo, die Romário, het zal hem later nog parten spelen.

Opgroeiend in de favela ziet Romário ook de andere kant van het bestaan. Niet stelen, niet roken, niet drinken, en ‘nog wat andere niet te benoemen dingen’ is de raad die zijn vader hem meegeeft. Pa is ook belangrijk voor zijn ontwikkeling in het voetbal. Zijn zoon blijft klein, maar heeft andere troeven: hij is snel, en door voortdurend te voetballen, voor en na school, op pleintjes én op het strand, is zijn techniek uitstekend. Om fysiek meer weerbaar te worden, laat zijn vader hem consequent met oudere jongens meespelen.

Geld is er niet in overvloed. Ze groeiden niet op in ellende, maar voor een voetbaltruitje of schoenen of zelfs de bus naar de training zijn er niet altijd middelen. Of toch niet voor allebei, als Ronaldo ook gaat voetballen. Dus moet er af en toe eentje thuisblijven, altijd Ronaldo, qua talent de mindere. De kinderen moeten ook werken om iets bij te verdienen. Pa helpen in de verffabriek, of ma, of anders vrachtwagens helpen laden.

VASCO

De eerste groteploeg die hoogte krijgt van het talent van de spits is Vasco da Gama, maar de scouts krijgen intern een njet. Te klein, oordeelt de club. Pas later, als hij blijft scoren voor het kleine ploegje in de buurt, zal Vasco hem alsnog oppikken en verder afwerken tot een spits die een broertje dood heeft aan trainen maar kan afwerken als de beste. Het is bij deze ploeg dat hij in 1985 zal debuteren als prof. Het is ook bij deze ploeg dat hij in 2007 zijn duizendste officiële doelpunt zal maken. Een strafschop. Tussenin is er in Europa nog PSV, Barcelona en Valencia, in Brazilië een hele reeks topclubs (in Rio alle grote behalve Botafogo) en zijn er ook nog uitstapjes naar de VS (Miami) en Australië (Adelaide). Vrijwel altijd draagt hij het nummer 11 (al was hij rechtsvoetig) en overal scoort Romário vlotjes.

Jorge Kajuru, ook uit Rio en vijf jaar ouder dan Romário, is in Brazilië een grote televisiester. Hij deed al verscheidene lange gesprekken met de voetballer. In eentje ervan vroeg hij Romário om eens een lijstje te maken van de absolute sterren in het wereldvoetbal. Op één zette Romário Pelé, de koning van het Braziliaanse voetbal. Op drie Maradona, de keizer van Napels en Argentinië. Op vier kwam Ronaldo, o fenômeno. In vroegere gesprekken vond Romario zijn landgenoot nog vooral ‘o fenômeno do marketing‘, maar met de tijd werd hij wat milder en leerde hij ook de sportieve topprestaties appreciëren van de man die net als hij Europa veroverde via PSV en Brazilië in 1998 naar de finale bracht en in 2002 wereldkampioen maakte.

Zichzelf zette Romário op twee. Messi en Neymar – over Cristiano Ronaldo geen woord – komen wat hem betreft nog veel lager in de hiërarchie, want een craque (het Braziliaanse woord voor ster) ben je maar als je je land wereldkampioen hebt gemaakt. En dat konden geen van beiden. Hij nuanceerde wel dit: in het voetbal van vandaag zijn ploegen veel minder dan in zijn tijd bereid om in dienst van het individu te spelen. En is het voor een individu ook steeds moeilijker om uit te blinken.

Op vijf zette hij verrassend Michael Laudrup, zijn ex-ploegmaat bij Barça. Daar belandt Romário in 1993, na in totaal 174 goals te hebben gemaakt bij PSV, de ploeg die hem in 1988 oppikt na de Spelen in Seoel en waarmee hij drie keer kampioen zou worden. PSV-coach Guus Hiddink reisde toen nog zelf af naar Brazilië om de transfer af te ronden. Over Romário verklaarde de huidige coach van Chelsea ooit: ‘De meest interessante voetballer met wie ik werkte. Als er een belangrijke wedstrijd was en je liep wat zenuwachtig, kwam hij naar je toe en zei: ‘Rustig coach, Romário gaat scoren en we winnen wel.”

Van dat scoren was hij al vroeg overtuigd. In 2003 verscheen in Placar, een Braziliaans sportweekblad, een artikel over de spits onder de titel: ‘Ik, oud?’ In het stuk stond een getuigenis uit 1988, het jaar waarin de 22-jarige topschutter werd op de Spelen. Romário zei toen al: ‘Wie me wil, kan me gerust kopen. Ik garandeer u dat ik er nog velen zal verbazen. Ik ga ooit ook die duizend goals maken.’

Zijn komst in 1994 naar Barcelona zorgde voor wat ophef. Spanje hanteerde in die dagen nog de regel van maximaal drie buitenlanders op het veld, en Barça had achterin al Ronald Koeman en in het aanvallende compartiment naast Michael Laudrup ook Christo Stoitsjkov, wiens plaats werd bedreigd. De Bulgaar stak in de pers zijn ongenoegen niet weg. Romário legde hem direct het zwijgen op: met veertien goals in acht oefenwedstrijden domineerde hij de hele aanloop naar de competitie. De puntjes op de i kwamen er in zijn eerste clásico: drie goals, één assist en een zege met 5-0. Zijn eerste doelpunt in die match werd in 2008 bij een enquête georganiseerd door El Mundo Deportivo uitgeroepen tot mooiste goal ooit in de geschiedenis van Barcelona. Barça werd kampioen en de pers gaf hem een nieuw koosnaampje: matador de porteros.

Maar in het najaar van 1994 was de liefde voor de Catalanen voorbij, nadat Manchester United in Camp Nou nog een oplawaai van 4-0 kreeg. Saudade. Rio riep. ‘Ik ben niet gelukkig bij Barcelona, maar Barcelona mag zich wel gelukkig prijzen dat ik hier ben.’ Stoitsjkov kon wraak nemen: ‘Zijn lichaam was nog wel in Barcelona, maar zijn hoofd zat in Rio.’ Barça moest zijn ster uitlenen, aan Flamengo. Valencia zou hem later nog even terughalen, maar zijn bohemiengedrag ergerde al snel de Argentijnse coach Jorge Valdano. Zijn levensstijl paste niet bij Europa.

De nacht is altijd mijn vriend geweest. Als ik niet uitga, scoor ik niet.’ (Romário)

Een quote die alles zegt.

WERELDKAMPIOEN

In 1994 wordt de kleine uit Rio de speerpunt van de nationale ploeg die Brazilië na een droogte van 24 (!) jaar nog eens een wereldtitel moet bezorgen. Dat de voetballer erbij is, mag gerust een wonder heten. In Europa loopt het goed, maar met het duo Zagallo (de architect achter de schermen) en Parreira klikt het absoluut niet. Bondscoach Parreira negeert hem een hele saaie kwalificatiecampagne lang. Pas wanneer de plaatsing voor het WK in het gedrang komt en het gemor van de fans steeds luider klinkt, wrijft hij over zijn hart en wordt hun geschil bijgelegd. Voor de laatste match in groep 2 komt Uruguay op bezoek. Een nederlaag betekent out, winst is plaatsing. Brazilië wint, Romário scoort twee keer en zijn ticket voor het WK mag worden geboekt.

Het WK’94 is, wat Brazilië betreft, bij weinigen in het achterhoofd gebleven. Wél wegens randzaken: de moord op Andrés Escobar na de uitschakeling van Colombia en het wegzenden van Diego Maradona vanwege cocaïnegebruik. Maar sportief was het geen top, met een winnaar die wachtte op de fouten van de tegenstander en dan toesloeg via Romário (vijf goals) of Bebeto (drie doelpunten), de twee sluipschutters. Lokale verslaggevers gaven de schuld aan de europeanisering van het Braziliaanse voetbal: de Europese ploegen waren systematisch de grootste talenten komen weghalen en hadden die fysiek geoptimaliseerd. Maar de Brazilianen waren het belangrijkste aan het verliezen: hun techniek. Brazilië-Italië in de finale was saai: 0-0 en beslissing op strafschoppen. De wereldkampioen had tijdens het hele toernooi (zeven wedstrijden) maar drie goals geïncasseerd..

Romário was het worst, hij had het land aan een titel geholpen, was dé man van het toernooi (niet de topschutter, dat werd Stoitsjkov met zes goals) en werd overal gefêteerd. Ook door de vrouwen. Een paar maanden na het WK deed ene Andréa Oliveira, toen 20, in het blad Caras een boekje open over de held en de manier waarop hij zich tijdens het WK had ontspannen. Andréa zei dat ze een tijdje het liefje was geweest van de (gehuwde) spits en dat ze hem ook had opgezocht in Amerika. Spelers mochten daar af en toe weg tot 22 uur en bij uitzondering tot middernacht, maar volgens Andréa trok Romário zich van die regels allemaal bitter weinig aan en zagen ze elkaar ook ‘op andere tijdstippen’. Het was Ronaldo, broer van, en Moisés de Lima, de veiligheidschef van de Seleção, die het overspel faciliteerden. Waarom ze ermee naar buiten kwam? Wel, in een ander interview had Romário haar moeder ervan beschuldigd de hele affaire te hebben verzonnen. Over welke troeven ze beschikte, konden alle Brazilianen vervolgens zelf ook bewonderen, toen Andréa in vol ornaat in Playboy verscheen.

‘Spitsen zijn egoïstisch. We moeten wel.’

Romário en zijn vrouwen, hij was daar al even succesvol als op het veld. In augustus 2008, toen hij bij Vasco da Gama een punt achter zijn carrière op het hoogste niveau zette (een jaar later zou hij nog heel even bij tweedeklasser América terugkeren), liet hij in een gesprek met Tudo de Bom de zaak wat blauwblauw. Of hij qua vrouwen ook meer dan duizend keer had gescoord, was de vraag. Hij liet het antwoord in het midden, maar dat het er veel waren, was duidelijk. ‘Soms wel drie op een dag.’ Zijn toenmalige vriendin, Isabella Bittencourt, moest er maar mee leven. ‘Ik ben niet trouw, ze weet dat. Ik heb het haar nooit beloofd, want ik ben honderd procent ontrouw.’

Toen ongeveer een jaar geleden zijn relatie met Dixie Pratt, een fris kind met een niet onaardige collectie foto’s op Instagram, in de media kwam en ze nog niet eens geboren bleek toen hij in 1994 wereldkampioen werd, probeerden websites een collage te maken van de ‘belangrijkste’ vrouwen in het leven van de spits. Isabella was twaalf jaar met hem getrouwd en schonk hem twee meisjes, van wie eentje met het syndroom van Down. Zijn eerste vrouw Monica hield het zeventien jaar vol en schonk hem twee jongens. Na haar kwam (een kort huwelijk met) Daniëlla, met wie hij één dochter heeft. Tijdens die relatie bracht Edna een zesde kind van hem, opnieuw een jongen, ter wereld.

‘Er is niets waar ik meer van hou dan van voetbal. Tenzij seks…’

En wat zijn kinderen voor hem betekenen, vroeg Kajuru hem. ‘Amor eterno.’ Eeuwige liefde.

DOOR PETER T’KINT – FOTO REUTERS

Opgroeiend in de favela ziet Romário ook de andere kant van het bestaan.

‘De nacht is altijd mijn vriend geweest. Als ik niet uitga, scoor ik niet.’ – ROMÁRIO DE SOUZA FARIA

‘Er is niets waar ik meer van hou dan van voetbal. Tenzij seks…’ – ROMÁRIO DE SOUZA FARIA

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier