De Belgen gooien hoge ogen bij het begin van de jaren 80. Op het EK in Italië halen ze de finale. Vier jaar later botsen ze op een sublieme Michel Platini.

In de tweede helft van de jaren 70 maakt het Belgische clubvoetbal een ongekende hausse door. Anderlecht wint in 1976 en 1978 zowel Europacup 2 als de Europese supercup, met tussendoor ook nog een verloren finale. Club Brugge moet het in de eindstrijd twee keer afleggen tegen Liverpool, voor de UEFA Cup in 1976 en voor de beker voor landskampioenen in 1978. Zelfs Beveren en RWDM bereiken een keer de halve finales. Het is een tijd dat in ons land nog grote buitenlandse vedetten spelen.

De Rode Duivels kunnen dat tempo maar moeilijk bijbenen. Na 1972 missen de Belgen drie toernooien op rij: het EK van 1976 en de WK’s van 1974 en 1978. In 1976 neemt Guy Thys het roer over van Raymond Goethals. Na het missen van de wereldbeker is de opdracht duidelijk: er wel bij zijn in Italië.

1980 – De weg naar Rome

Volgens het gezegde leiden alle wegen naar Rome, maar voor de Belgen zijn ze in 1978/79 bijzonder smal en lastig. De kwalificatie begint zoals we dat recent opnieuw enkele keren meemaakten: met een draw tegen het kleine broertje uit de reeks. Noorwegen komt zijn enige puntje wegkapen in het Daknamstadion van Lokeren. Nadien volgen nóg drie gelijke spelen, in Portugal en twee keer tegen Oostenrijk. Het lijkt al over en uit voor België, maar dan tovert Guy Thys een konijn uit zijn hoed: hij overtuigt oudgediende Wilfried Van Moer, intussen 34, om terug te keren bij de nationale ploeg. Van Moer accepteert en leidt de Belgen naar vier overwinningen, waaronder een dubbele zege tegen Schotland. Doordat de andere ploegen mekaar onderling punten afpakken, blijven de Belgen Oostenrijk nipt één puntje voor.

Nederland heeft in zijn kwalificatiegroep niet méér marge dan de Duivels. Nochtans starten onze noorderburen verschroeiend met vier overwinningen op rij, maar dan stokt de motor tegen Polen. Op de laatste speeldag moet Oranje naar de DDR. Als de Oost-Duitsers winnen, komen de drie landen zij aan zij. In de eerste helft loopt de DDR uit tot 2-0, maar vlak voor de koffie scoren de Nederlanders een eerste keer tegen. In de tweede helft wordt de scheve situatie helemaal rechtgezet: 2-3.

Bij West-Duitsland gaat het omgekeerd: eerst huilen met de pet op in Malta en Turkije (twee keer 0-0), maar in de resterende vier wedstrijden een foutloos parcours en een vooroorlogs doelsaldo: 17-1. Engeland plaatst zich met het grootste gemak en ook Spanje heeft niet veel moeite om Joegoslavië voor te blijven. Uittredend kampioen Tsjecho-Slowakije is eveneens van de partij en dat is best knap in een groep met Frankrijk, dat in Michel Platini een nieuwe kapitein heeft gevonden.

In Italië zullen voor het eerst acht landen aan de eindronde deelnemen. De Azzurri zijn als gastland automatisch geplaatst, zodat er nog één plek vrij is. Die gaat erg verrassend naar Griekenland, dat in een groep met slechts vier landen meteen twee keer verliest en uitgeteld lijkt. Maar aangezien favoriet Sovjet-Unie het compleet laat afweten, eindigen de Grieken toch nog als eerste in hun groep. De Sovjet-Unie verliest het cruciale duel in Athene en eindigt zelfs laatste, achter Hongarije en Finland.

Duivels verrassen vriend en vijand

Voor Italië kan de organisatie van het EK nauwelijks op een slechter moment vallen. De laars van Europa kreunt onder bomaanslagen, politieke moorden en ontvoeringen door de Rode Brigades. Velen hebben zelfs het calcio uitgespuwd na grootscheepse fraude en gokschandalen. De EK-wedstrijden lokken dan ook bitter weinig volk. Voor Tsjecho-Slowakije-Griekenland komen nog geen 5000 kijklustigen opdagen en de eigen Squadra laat zelfs voor de topper tegen Engeland het stadion van Turijn maar voor driekwart vollopen.

In de ene poule zitten Tsjecho-Slowakije, Griekenland en de favorieten Nederland en Duitsland. Al is ‘favorieten’ misschien wel overdreven want Oranje heeft afscheid genomen van de grote generatie die in de jaren 70 twee WK-finales speelde en ook Duitsland zit in een overgangsfase. In de andere poule zit België met Italië, Spanje en Engeland. Albion is de uitgesproken favoriet voor het toernooi: het rekruteert voornamelijk uit Liverpool en Nottingham Forest, de clubs die sinds het vorige EK elk twee keer naeen de Europacup 1 – de Champions League zeg maar – op hun naam geschreven hebben.

Maar al in de eerste wedstrijd botsen de Engelsen op een andere Rode Brigade, eentje dat luistert naar de namen Pfaff, Gerets, Ceulemans en co. De Caje tekent, luttele minuten na het openingsdoelpunt van Wilkins, in zijn kenmerkende krachtige stijl de gelijkmaker aan. Dat is meteen het sein voor de Britse hooligans om tot actie over te gaan. Onder de Belgische en Italiaanse toeschouwers vallen gewonden en de carabinieri chargeren met traangas. De bijtende gaswolk drijft zelfs tot aan het doel van keeper Ray Clemence en de wedstrijd wordt enkele minuten gestaakt. Dat aan de stand (1-1) niks meer verandert, lijkt wel bijzaak. De tweede wedstrijd, Spanje-Italië, kan perfect samengevat worden door de uitslag: 0-0.

België, samen met Griekenland beschouwd als het makkelijke hapje van het EK, toont tegen Spanje waartoe het in staat is. De buitenspelval wordt subliem gehanteerd, op het middenveld regeren Van Moer, Cools en Vandereycken, en de snelle uitbraken via François Van der Elst en ErwinVandenbergh zaaien paniek. Quini maakt met een vrijschop de goal van Gerets nog wel ongedaan, maar in de tweede helft zorgt Cools voor de verrassende 2-1-winst.

De clash – op en naast het veld! – tussen Engeland en Italië zit bijna 80 minuten op slot. Dan prikt Tardelli de 1-0 tegen de touwen. Engeland en zijn supporters liggen in de touwen, Italië droomt al van de finale.

De Azzurri moeten dan wel winnen van België, dat een beter doelsaldo heeft. De troepen van Thys sluiten het doel van Pfaff echter hermetisch af en Vandereycken zorgt ervoor dat spelmaker Antognoni geblesseerd van het veld moet. De Italianen bijten hun tanden stuk: 0-0 en weg finale. Die is tegen alle verwachtingen in voor de Rode Duivels.

In de andere poule heeft West-Duitsland het niet al te lastig. De Duitsers kloppen de Tsjecho-Slowaken zuinig met een doelpunt van Rummenigge (1-0) en tegen Nederland ontbindt Klaus Allofs zijn duivels. Na zijn hattrick komt het offensief van Oranje te laat (3-2). In de laatste wedstrijd, tegen Griekenland, hoeft er niks meer (0-0). Dat West-Duitsland zo simpel langs de tegenstand wandelt, is een verrassing. De nieuwe trainer Jupp Derwall heeft met zijn selectie moeten schuiven, want doelman Nigbur en spits Fischer vallen met blessures uit. In hun plaats komen Harald Schumacher en das UngeheuerHorstHrubesch, het ‘monster’ van Hamburg.

Het spel van de Duitsers is gemodelleerd naar Hrubesch en de verdedigende rots Hans-PeterBriegel, een voormalige meerkamper in de atletiek: ge-spierd maar weinig creatief. Tegen de Belgen gaat de Mannschaft voluit in de aanval. Al na tien minuten wordt Pfaff gefusilleerd door Hrubesch. De Belgen moeten nu komen en leggen de betere combinaties op de mat. Wanneer Vandereycken na de rust ‘afrekent’ met Briegel, worden de Belgen echt gevaarlijk. Van der Elst wordt getorpedeerd door Stielike en penalty! Vandereycken knalt de elfmeter ijskoud in doel. De Rode Duivels drukken door en ei zo na scoren ze opnieuw. Ook de Duitsers krijgen nog kansen, maar de partij lijkt op verlengingen af te stevenen. Tot in de voorlaatste minuut Rummenigge een hoekschop mag nemen. Aan de eerste paal torent een kolos boven de rest uit. Kopbal Hrubesch, Pfaff grabbelt in het niets. West-Duitsland is Europameister.

1984 – Daar zijn de Denen

In de voorronde van het EK in Frankrijk sneuvelen weer enkele grote namen. Italië, wereldkampioen geworden in ’82, gaat af als een gieter: amper één zege in acht wedstrijden. Roemenië wint die groep verrassend, vóór Zweden en Tsjecho-Slowakije. Engeland moet het in eigen Wembley afleggen tegen Denemarken. De Denen beschikken over een pak getalenteerde voetballers ( Preben Larsen, Morten Olsen, Søren Lerby, Michael Laudrup, …) die hun brood verdienen bij Europese topclubs, en mogen met vertrouwen afreizen naar Frankrijk.

De Sovjet-Unie is er weer niet bij. De Russen leiden hun groep tot ze op de laatste speeldag de boot ingaan bij Portugal. Ook regerend kampioen West-Duitsland speelt met vuur. Twee krappe zeges tegen Albanië (telkens 2-1) en twee keer verlies tegen Noord-Ierland. Bij de eindafrekening blijven ze de Noord-Ieren nog net voor op doelsaldo.

Het doelsaldo doet ook Oranje de das om en wel op een heel bizarre manier. Op de laatste speeldag moet Spanje Malta verslaan met elf doelpunten verschil om Nederland achter zich te houden. Bij de rust is het 3-1. Na een ware klucht wijzen de bordjes bij het eindsignaal 12-1 aan …

Het zesde land dat zich plaatst, is Joegoslavië, dat pas door ultieme winst tegen Bulgarije de verrassende koploper Wales kan inhalen. Eigenlijk is de gemakkelijkste kwalificatie voor de Belgen weggelegd, dankzij een vliegende start met vier overwinningen op rij. Daaronder een opmerkelijke 3-2 tegen Schotland (met twee goals van Swat Van der Elst en Pfaff die een penalty stopt) en twee keer 2-1 tegen de DDR (met op de Heizel een geweldige poeier van Ludo Coeck, die nog jaren de generiek van Sportweekend zou sieren).

Op de eindronde wordt België ingedeeld in poule A met Frankrijk, Denemarken en Joegoslavië. Poule B bestaat uit West-Duitsland, Spanje, Portugal en Roemenië.

Een festival genaamd Platini

De toernooiformule van het EK is licht gewijzigd ten opzicht van vier jaar eerder. Nu spelen de eerste twee van elke groep een halve finale.

België, dat bij de pouleloting in december nog vol vertrouwen zat, heeft ondertussen op zijn grondvesten gedaverd. In februari 1984 breekt het omkoopschandaal los rond Standard-Waterschei. Heel wat spelers van de Rouches lopen een lange schorsing op: Gerets, Meeuws, Vandersmissen, Preud’homme. Kort voor het EK neemt bondscoach Thys twee jonge Anderlechtveulens in zijn kern op: Enzo Scifo en Georges Grün. Met succes: in zijn maidenmatch scoort Grün de 2-0 tegen Joegoslavië, na de openingsgoal van Vandenbergh. Frankrijk haalt het met 1-0 van Denemarken zodat op de tweede speeldag de twee winnaars tegen elkaar uitkomen. In die wedstrijd blijkt dat de Rode Duivels hun verdedigende steunpilaren missen. De Fransen, met het schitterende vijfmansmiddenveld PlatiniGiresseTiganaFernandezGenghini tikken de Belgen in het kastje naar de muur. Maestro Michel Platini maakt zelf drie goals van de 5-0-overwinning.

In de andere match dollen de Denen even hard met Joegoslavië (5-0) zodat België in zijn laatste match móét winnen om nog tweede te worden. De Belgen spelen als een gewonde leeuw en lopen via Ceulemans en Vercauteren 2-0 uit. Anderlechtspelers Arnesen en Brylle hangen de bordjes echter weer in evenwicht en Preben Elkjær Larsen – in loondienst bij Lokeren – dient de Belgen de genadeslag toe. Frankrijk-Joegoslavië eindigt op dezelfde uitslag: 3-2, met een zuivere hattrick van Platini.

De vier landen uit poule, A scoorden zo maar liefst 24 keer. Wat een verschil met de andere poule, waar men slechts negen keer de weg naar het net vond. West-Duitsland en zijn zuiderse tegenstanders borduren verder op het saaie resultaatvoetbal van vier jaar eerder. Net voor de beslissende wedstrijden staan de Duitsers een punt voor op Spanje en Portugal. Portugal, met draaischijf Chalana, klopt op de valreep Roemenië (1-0) en de Mannschaft denkt zich met een 0-0 naar de tweede plaats te rekenen. Maar dat is zonder Antonio Maceda gerekend. De blonde verdediger buffelt in de laatste minuut de 1-0 voorbij Schumacher. Spanje naar de halve finale.

De neutrale voetballiefhebber hoopt op een finale tussen de twee best voetballende teams: het gastland en Denemarken, wat een heruitgave van de openingsmatch zou zijn. Spanje denkt daar anders over: weer Maceda maakt de vroege openingstreffer van Lerby ongedaan. Het Deense dynamiet ontploft niet meer en strafschoppen moeten de beslissing brengen. Bij 5-4 knalt Preben Larsen de bal het luchtruim in.

Ook Frankrijk-Portugal staat na 90 minuten 1-1, maar dan moeten de Haantjes even slikken als de Portugezen in de verlenging op voorsprong komen. Frankrijk flirt met de uitschakeling tot Domergue vijf minuten voor tijd gelijkmaakt. In de laatste minuut trapt Platini de bal over vier dolgedraaide verdedigers in doel: de troepen van coach Hidalgo mogen verdiend naar de finale. Platini, de speelse numéro 10, heeft dan al acht van de twaalf Franse goals op zijn naam geschreven.

De Spanjaarden weten in de finale dan ook wie ze in de gaten moeten houden. Platini wordt zwaar gedekt en de Fransen komen moeilijk aan combineren toe. Op het uur mag Platini een vrijschop nemen op de rand van de zestien. Hij krult een balletje slap langs de muur, recht in de armen van Arconada. Maar de anders zo betrouwbare doelman laat het leer eventjes onder zijn lichaam doorglippen zodat het tot stilstand komt … centimeters over de lijn. De Spanjaarden proberen nog terug te slaan maar het is daarentegen Bellone die op een razend scherpe counter les Bleus naar de Europese titel schiet. Platini scoort (als middenvelder!) negen keer, zelfs na de uitbreiding van het EK nog steeds een fabelachtig record. S

Volgende week: “Hollandse reggae”, het EK van

twintig jaar geleden.

door peter mangelschots

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier