NA EEN MOEIZAAM SEIZOEN MOET DE PAS AANGESTELDE STÉPHANE DEMOL FC BRUSSELS ZO SNEL MOGELIJK NAAR VEILIGE OORDEN LOODSEN. VOORZITTER JOHAN VERMEERSCH HEEFT ANDERE KATTEN TE GESELEN: HIJ VRAAGT ZICH AF WELKE TOEKOMST ZIJN CLUB NOG HEEFT.

Hoe bent u bij Stéphane Demol terechtgekomen?

Johan Vermeersch: “Ik ken hem al dertig jaar en het was altijd de bedoeling dat hij hier ooit eens aan de slag zou gaan. Nu is het dus zover. Prijzen zullen we dit jaar niet meer pakken, maar ik verwacht wel dat hij bepaalde spelers weer wakker schudt. Er lopen hier jongens van begin de twintig rond die geen vooruitgang meer boeken, puur omdat ze het te gemakkelijk opnemen.”

Heeft u de vrije overgang van Mohammed Aoulad naar Anderlecht al verteerd?

“Die ligt me nog altijd zwaar op de maag. Aoulad is een exponent van de duizenden spelertjes die hier hun opleiding hebben genoten en kansen gekregen hebben. Nu hij zelf doorbreekt, gunt hij de club niets. Veselinovic heeft dat heel correct wél gedaan door een jaar bij te tekenen. Aoulad daarentegen heeft alleen aan zichzelf gedacht. Ik vind dat een heel slecht signaal voor de Marokkaanse gemeenschap. Wat mij nog meer teleurstelde, is dat Anderlecht hem onderschept heeft zonder mij daarvan op de hoogte te brengen. Zelfs geen telefoontje.”

Ondanks uw samenwerkingsakkoord met paars-wit. Eerder was u al kritisch over de inbreng van Anderlechthuurlingen Baras en Seck, of zoals u ze noemt, ‘de twee broccoli’s’.

“Ik stel me daar inderdaad vragen bij. Als je als tweedeklasser spelers van Anderlecht krijgt, mag je toch enige meerwaarde verwachten. Die twee hebben samen hoop en al vijf wedstrijden gespeeld. Hoe ik de verdere samenwerking nog zie? Wat valt daar nog op te zeggen? Ik heb geen enkel signaal meer gekregen van Anderlecht. Persoonlijk geloof ik er niet meer in.”

Ook de verstandhouding met andere Brusselse clubs als Union en WS Woluwe is niet optimaal.

“Iedereen leeft op zijn eilandje. Neem die clubs, met ook nog de kleintjes Leopold Ukkel en FC Ganshoren, tel daar de duizend Anderlechtfans uit het Brusselse bij en je komt – op een bevolking van 1,1 miljoen inwoners – aan vierduizend betalende toeschouwers, verspreid over zes stadions. Wat we wel hebben: 8000 jeugdspelertjes die in een mooie infrastructuur kunnen trainen dankzij de investeringen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Maar zoals de regelgeving nu ineen zit, is ook dat een aflopend verhaal.”

U bent het beu dat uw beste spelertjes stelselmatig worden weggeplukt.

“Zeg maar gerust: onze jeugdwerking wordt jaar na jaar leeggeplunderd. Dat begint bij de U11 en de U12 en dat gaat zo door over alle reeksen. Elk jaar verliezen wij 30 tot 40 van onze grootste talenten. Hoe moet ik mijn mensen op den duur nog motiveren? Elk jaar plant ik aardappelen, en als het tijd wordt om te oogsten, zie ik dat de grond leeg is. Dan vraag ik me af hoelang ik nog verder wil. Alleen, wie wil de fakkel overnemen als ik het niet meer doe? In deze economische situatie wil niemand nog investeren in iets wat niet opbrengt. Dan zeg ik: verander iets of het jeugdvoetbal is ten dode opgeschreven.”

Hoe wilt u de jeugdwerking beschermd zien?

“Om te beginnen: leg een vergoeding op van 10.000 euro per opleidingsjaar. Dat gaat de grote clubs niet tegenhouden, maar dan gaan ze toch al twee keer nadenken. Splits de nationale jeugdreeksen op in noord en zuid, zodat jonge gastjes geen hele dag in de auto zitten om ergens in de Ardennen te gaan spelen. En maak een aparte elitereeks voor de allerbeste spelers. Steven Martens, de CEO van de voetbalbond, kent mijn voorstellen. Als daar niet naar geluisterd wordt, dan investeer ik ofwel enkel nog in de eerste ploeg, ofwel hou ik er volledig mee op. Dan verliest Brussel zijn sociaal bindweefsel en komen honderden jeugdspelers, van wie tachtig procent allochtonen, weer op straat terecht. Deze boer plant niet meer.”

DOOR JENS D’HONDT

“Ziet men de Brusselse jeugd liever op een voetbalveld of op straat?”

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier