Mocht Josse De Pauw een voetballer zijn, hij was een box-to-boxmiddenvelder, een alleskunner die geregeld scoort. Zoals nu, met de voorstelling ‘Raymond’.

J osse De Pauw (net 60 geworden) schittert dezer dagen als Raymond Goethals. Of althans: als een eigenzinnige versie van hem. De legendarische trainer en Brusselaar die in 2004 overleed, was een intrigerende en kleurrijke man die veel mensen beroerde. “Als Goethals een interview gaf op televisie stopte mijn moeder met afwassen”, verwoordt De Pauw het treffend.

Goethals was succesvol als trainer van Sint-Truiden, de nationale ploeg, Anderlecht, Standard en Marseille. Maar evengoed was hij een nogal schimmig figuur van wiens privéleven weinig geweten is en die verzeild raakte in omkoopschandalen.

Dat complexe aan de figuur Goethals overtuigde Josse De Pauw om een monoloog van meer dan anderhalf uur te brengen. Maar een reïncarnatie van Goethals, neen, dat is het niet geworden. “Ik ben daar ook niet goed in”, erkent De Pauw. “Ik heb op geen enkel moment naar die kleine tics gezocht. Daarmee zou je trouwens geen anderhalf uur kunnen boeien.

“Ten andere, iedereen kent een andere Raymond. Onlangs zijn z’n oude makkers – de mannen van zijn kaartersclub – komen kijken. Die kwamen me achteraf toch zeggen dat ze Raymond hadden gezien. ( gespeeld twijfelend) Het was hem niet helemaal, maar toch was hij er.”

Raymond Goethals is een van de weinige Belgen die zowel Vlamingen als Walen als de hunne beschouwen. Hoe komt dat?

Josse De Pauw: “Doordat hij zo in die twee talen praatte zonder zich zorgen te maken over het maken van fouten kwam er een soort poëzie bovendrijven. Zoals kinderen die nog niet goed kunnen praten. Dat is eigenlijk heel schoon. Op den duur klinkt Van Batsen bijna beter dan Van Basten.”

Je vertelde dat deze tekst voor Raymond een van de moeilijkste is die je in je nochtans rijk gevulde carrière onder de knie moest krijgen.

“De moeilijkste, tout court. Dat heeft veel te maken met de twee talen die in elkaar gevlochten zijn. Dat had ik nog nooit gedaan. Maar daar heb ik zelf voor geijverd. Ik vond dat dát de hommage aan Raymond Goethals moest zijn. Een voorstelling waar de twee taalgemeenschappen naar gaan kijken. Goethals was nog un vrai Belge, eentje uit een époque die voorbij is.”

Wie deed de vertalingen?

“Ikzelf. Thomas Gunzig schreef de Franstalige tekst en ik heb daar dan de Vlaamse vertalingen bij geschreven. Bijvoorbeeld de passage waarin hij de voormalige USSR-spits Belanov beschrijft: Il était dur comme un roulement à bille. Dan maak ik daarvan: tegen een tram lopen was plezanter.”

Last van de massa

We hadden in jou eigenlijk nooit een groot sportfanaat vermoed.

“Zoals iedereen van mijn generatie speelden wij als jonge gasten voetbal op straat of op een lapje grond dat we ergens konden vinden. Je moest sjotten, ook op school. Maar de sport in clubverband is voor mij basketbal geworden, in Asse, mijn vader was daar voorzitter. Ik had geen slecht schot en ik kon een dribbel doen, maar het werd allemaal wat te georganiseerd. Op mijn achttiende doofde dat stilaan uit.

“Maar ik kijk nog altijd graag naar sport. En niet alleen voetbal, de Ronde van Frankrijk mis ik bijvoorbeeld zelden. Of de klassiekers.”

Hoort daar een bepaalde setting bij?

“Soms met wat vrienden en een flesje wijn. Ik heb wel vrienden die zeer passioneel met sport bezig zijn, die hun club of hun grote chéri hebben. Dat heb ik nooit zo gehad. Ik herinner mij wel dat toen wij indertijd gingen sjotten op straat ik dan altijd Laurent Verbiest wilde zijn. De anderen kozen voor Wilfried Puis, Jef Jurion of Paul Van Himst.”

Waarom Verbiest?

“Omdat ik hem ooit tijdens een match op Anderlecht uit woede een bal uit het stadion heb zien trappen en dat vond ik geweldig. Het feit dat hij die bal over de tribune kon trappen, maakte op mij een diepe indruk.”

Ging je vaak naar Anderlecht kijken?

“Toch regelmatig. Toen ik nog heel jong was, met mijn vader. Ik verzamelde de fototjes van de spelers die bij een pakske sjieken staken. En de hotdog of de frisco tijdens de rust was minstens even belangrijk als de match zelf.”

Wat was de laatste wedstrijd die je gezien hebt?

“Oei, dat is lang geleden, dat moet van de tijd van Gilles De Bilde bij Aalst geweest zijn. Maar door deze voorstellingen met Raymond zijn we van alles aan het afspreken. Standard en Anderlecht hebben ons al uitgenodigd om naar een wedstrijd te komen.”

Was het de figuur De Bilde die je aansprak?

“Toch wel. En ook wel de volkse aard van Aalst. Een kunstenaarsziel heeft het voor dat volkse rond het voetbal. Zoals de zon die te laag staat waardoor iedereen met dichtgeknepen oogjes naar de grasmat zit te staren. Dat soort details draagt bij tot de beleving.

“Ook het geluid van een volgepakt stadion fascineerde mij als jonge gast mateloos – met dat geluid beginnen we trouwens onze voorstelling. Daar zit zowel angst als extase in. Agressie ook.”

Toegejuicht worden door een vol stadion, droom je daar weleens van?

“Het is impressionant, maar verlangen doe ik daar niet naar, neen. Zo veel volk samen … ik heb daar last van. Ook bij optredens bijvoorbeeld. Die stadions – dat mag je niet vergeten – waren de plekken waar dictators het volk bijeendreven. Zo lang het om het spelletje draait, is er niets aan de hand, maar anders kan het ook gevaarlijk zijn.

“Anderzijds, de echte voetbalsupporters in mijn vriendenkring zeggen dat net daar de aantrekkingskracht van het voetbal ligt: het is de enige plek waar je eens níét genuanceerd hoeft te zijn.”

Het is toch allemaal de fout van de scheidsrechter …

“Voilà! En die maken we het liefst nog af voor hij ook maar iets gedaan heeft! ( lacht) Eigenlijk begrijp ik dat wel, maar ik heb daar blijkbaar minder nood aan dan die vrienden van mij.”

Jij hebt natuurlijk het theater als uitlaatklep.

“Dat zal ongetwijfeld meespelen. Die adrenalinestoot is een groot deel van mijn leven. Als je daar op de planken staat, neem je een risico, het volk kan je ter plekke afmaken.”

De geconcentreerde mens

Heb je ooit met sportmensen gedweept?

“Onlangs zat ik in Reyers Laat met Sven Nys in de studio, dat vond ik een interessante man. Hij had een bepaalde rust om over zijn sport te praten zonder vals bescheiden te zijn. Iemand die de dingen goed inschat en het ook kan verwoorden. Philippe Gilbert heeft dat ook, vind ik. Met hem zat ik in Villa Vanthilt. Het deed me toch iets om naast hem te zitten, moet ik toegeven.”

Waarom?

“Omdat het mij daar dan opvalt hoe jong die topsporters eigenlijk zijn. Tijdens hun heldendaden zien ze er getekend uit. Je bent niet met hun leeftijd bezig. Maar als je ze dan proper gewassen naast jou in de sofa ziet, denk je weleens: jonge, jonge … Met ontzag, hoor. Zeker bij wielrenners. Als je beseft welke arbeid daarachter schuilgaat. In het wielrennen loopt je carrière via een gestage groei. Terwijl je bij voetbal op basis van talent toch al snel rendement kan halen.

“Ik ben ooit naar de Memorial Van Damme geweest, dat was speciaal. In mijn ogen is de ‘geconcentreerde mens’ de schoonste mens die er bestaat. De muzikant die zijn cello helemaal meester wil zijn, de acteur die zo in zijn rol opgaat dat hij zichzelf vergeet … daar heb ik plezier in. Dat is een ongelooflijke vrijheid. En dus ook zo bij de topsporter.”

De sprinter in de startblokken, klaar om te stormen.

“Ja, dat! Eigenlijk het alleen willen zijn in die massa. Je loopt op het randje van je vel. De irritatie ligt heel dichtbij. Maar zodra je over die grens bent, kan niets je nog raken. Dat herken ik eigenlijk wel.”

Hoe ziet een voorbereiding van Josse De Pauw eruit voor hij de bühne op moet?

“Ik leg aardig wat kilometers af in mijn leven … vooral in veel te korte gangen, waar ik dan een uurtje loop te ijsberen. Dan zeg ik ad random lappen tekst op, gewoon om te zien hoe het loopt. Komen de woorden wel?”

Voel je dan meteen of iets goed zit?

“Ja. En als het niet goed zit, kun je daar nog wel iets aan doen. En als het goed zit, kan het ook nog fout gaan, maar toch. Spelen heeft veel te maken met vertrouwen in wat je lichaam nog weet.”

Waanzin

In het voetbal is het vooral de figuur van de trainer die je boeit.

“Ja, ik zou wel willen weten hoe je daarmee omgaat, met die eenzaamheid tegenover de ploeg en de 30.000 mensen in het stadion. Hoe je als trainer ook wel twijfels hebt, maar die niet mag tonen.

“Ik denk dat de coach het dichtst bij mijn leefwereld komt. Zij moeten ook een rol spelen. Voetballers niet, die moeten voetballer zijn. Een trainer moet de ploeg een gezicht geven, vertrouwen geven, dingen rechttrekken. En dat met woorden. Dus dat is toch een rol spelen. Sommigen kunnen dat heel goed, anderen een stuk minder en die komen daardoor in de problemen, hoewel ze voetbaltactisch wellicht niet minder zijn dan de concurrenten. Bovendien weet je: als het fout gaat, hang je.”

Hoe kijkt een cultuurminnend mens naar de bedragen die in het voetbal circuleren?

“Het is waanzin natuurlijk. Wat moet er door het hoofd van een achttienjarige gaan als hij echt begint te geloven dat hij al dat geld waard is? Die is toch voor zijn leven getekend? En niet noodzakelijk in positieve zin. Daarin interesseert sport mij ook niet meer. Dat is pure business. Pas op, in de kunstsector heb je dat ook hoor, met die belachelijke bedragen die voor schilderijen geboden worden.”

Door die ‘professionalisering’ bestaat er nog nauwelijks iets als clubliefde. Heeft er in de theaterwereld een gelijkaardige tendens plaatsgevonden? Dat acteurs van het ene toneelhuis naar het andere hoppen?

“Neen. Wat mij juist zo blij maakt in de theaterwereld is dat er te weinig geld in omgaat om de haaien te lokken. Als je rondkomt, ben je al content. In Duitsland ja, daar kan je al serieus geld verdienen als acteur.”

In hoeverre is op de planken staan ook een fysieke inspanning?

“De dag erna voel je dat toch. Er komt een flinke dosis adrenaline bij kijken. Maar ik moet mij niet speciaal conditioneel onderhouden, al hangt dat natuurlijk af van de rol die je moet spelen.”

Kunnen acteurs pieken naar een bepaald moment?

“Toch wel. Minder wetenschappelijk als in de sport, maar mentaal kan dat zeker. Naar een première toe bijvoorbeeld. Dat focussen gaat gepaard met het waken over je voeding en drankgebruik.

“Bij Raymond was de generale repetitie voor een vol huis, eigenlijk was dat raar. Het liep heel goed, maar dan voelde ik mij niet helemaal honderd procent voor de première daags nadien. Omdat je dan toch bang bent dat je fout aan het pieken bent.” ( lacht)

Ben je nu tevreden over wat Raymond teweeg heeft gebracht?

“Absoluut. Ik vind het heel fijn dat ik dit heb kunnen doen. In de eerste plaats omdat ik het een ‘dankuwel Raymond’ vind, net omdat het in de twee landstalen is. En ten tweede heb ik dit soort rol nog nooit gespeeld: een mengeling tussen conference en theater, waarbij er momenten zijn dat het publiek kapotgaat van de lach. Heel fijn om te doen, ja.”

‘Raymond’ speelt nog op 30 en 31 maart in het NTGent.

DOOR MATTHIAS STOCKMANS

“Tijdens het straatvoetballen vroeger wilde ik altijd Laurent Verbiest zijn.”

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier