‘Er gebeurt hier niets, meneer. Maar het is wel een mooie vitrine.’ Op zoek naar de ziel van Bastogne, het keerpunt in Luik-Bastenaken-Luik, La Doyenne.

Of we geen wielerverhaal vanuit Bastenaken konden maken, naar aanleiding van Luik-Bastenaken-Luik, vroeg de baas op een vrijdagmiddag ergens begin maart.

Wielrennen in Bastenaken …

Tja.

We waren er vroeger geregeld met vakantie in de buurt. Onbekend was het terrein ons dus niet. Prachtige bossen, Saint-Ode, Lavacherie, Erneuville, pareltjes van dorpen, neergegooid in al even exquise landschappen aan de oevers van de Ourthe. Wandelen in de sneeuw deden we er ooit, en dan ’s avonds breeduit tafelen in Bastenaken. Wild. Zuurstof bijtanken. Maar fietsen? Zelden gezien in Bastenaken. Tanks ja, en jeeps, en ander oorlogstuig. Tweewielers uit de oorlog, dat ook. Geen uit vlascarbon.

Voor fietsen moet je in Houffalize zijn, opperden we. Zestien kilometer verderop, richting Luik. Dat dorp profileert zich als het mekka van de tweewieler, versie VTT. Dat dorp is wielergek, dat dorp heeft in La Doyenne ook de eerste scherprechter op het parcours: de Côte de Saint-Roch, een nijdige knik omhoog, goed een kilometer lang, met een stijgingspercentage boven de elf procent. Daar verzamelen elk jaar de fans van Maxime Monfort, streekrenner. Met vlaggen en aanmoedigingen. Het was hier dat de jonge Monfort, wiens ouders in deelgemeente Nadrin jaren een restaurant uitbaatten waar de kleine Maxime leerde draaien en keren tussen tafels en stoelen, de microbe voor het wielrennen oppikte. Langs de kant van de weg, aan de hand van papa, zag hij hier hoe de renners zich omhoog kreunden en sleurden. Dat wil hij ook kunnen. Worden. Wielrenner.

Het is hier, in Houffalize, dat ook de fans van de broers Schleck verzamelen blazen. Niet zestien kilometer verderop in Bastenaken. Zij zijn riverains, de Schlecks, in Frankrijk zouden ze zeggen: les régionaux de l’étappe. Twintig kilometer dichter bij Brussel geboren en we hadden Belgen als kandidaat-winnaars van de Tour. Maar nu zijn het Letzeburgers.

In Houffalize trekken ze proactief de kaart van het wielrennen. Bastenaken doet dat niet, ook al zit de naam gebeiteld in de koersomschrijving: Luik-Bastenaken-Luik. Als Martial, de patron van brasserie Léo, in Zuid-Frankrijk met vakantie gaat en daar laat vallen waar hij leeft, associëren ze hem direct met wielrennen. Daar drijft Bastenaken op. Noem het liever kabbelen. Meedrijven. De profs doen nog de moeite om hier te passeren, wielertoeristen niet eens. Tilff-Bastenaken-Tilff, hun hoogtepunt in deze regio, reikt niet eens tot deze stad. Neoliberale geesten in Vlaanderen zouden zo’n stoffig monument afvoeren, op zijnMuurs. Anders, nieuwer, moderner. Luik-Houffalize-Luik zou beter klinken in 21e-eeuws fietsbargoens.

Maar hier blijft het Luik-Bastenaken-Luik. Hier hebben ze nog respect voor traditie.

Sprint

Bastenaken, dat is in La Doyenne een rustpauze. Een keerpunt. Lunch. Le casse croûte, tenslotte is de koers in Franse handen en Fransen, zo leert toch de legende, genieten wat meer van het leven.

Bastognards ook. De koers, schat Martial, doet zo rond enen het keerpunt aan. Op dat moment hebben de notabelen hun receptie net achter de kiezen, het laatste glas wijn of bier in de hand. Sinds enige jaren is de kiosk op de centrale place McAuliffe een vast lunchpunt voor (ex-winnaar) Bernard Hinault, Christian Prudhomme en de lokale notabelen en wielerbekenden, zo’n 200 tot 300 man sterk. Hier organiseert de stad jaarlijks vanaf halftwaalf tot op het moment dat de renners passeren een receptie. Opgeluisterd, in vol ornaat, door het Syndicat d’Initiative de Bastogne en vertegenwoordigers van de Confrérie des Herdiers d’Ardenne, de broerderschap van Bastenaken die de kwaliteit van de lokale ham verdedigt.

De dag van L-B-L is het feest in de stad, zegt Martial. Maar koersgekte? Er passeren vanaf donderdag – dan worden de trajectpijlen langs het parcours aangebracht – wel wat meer fietstoeristen, maar hun aantal is eerder beperkt. Op zondag, schat hij, loopt er een man of 500 langs de twee straten die de wedstrijd aandoet. Via de rue du Vivier naar de place McAuliffe en dan weer weg, langs de rue de Marche. Daarna springt iedereen de auto in, om de renners elders op te pikken. Bastenaken is niet meer dan een lunchafspraak. Vaste gast in de Wagon Léo – ooit een eenvoudige friterie, nu een exquise pleisterplaats voor lekkerbekken – was lange tijd Robert Waseige. Een Luikenaar nota bene. Jarenlang had hij hier zijn tafeltje, de gewezen bondscoach van de Rode Duivels, uitkijkend over de straat. Zijn eigen tribuneplaats.

Vroeger haalden ze nog de tv, hier bij het keerpunt. In uitgesteld relais weliswaar, met een sprint. De winnaar kreeg 100.000 frank, 2500 euro. Geschonken door een gasverkoper. Die sprint is inmiddels afgeschaft. Nu is het vooral uitkijken naar … Ja, naar wat? Naar de ontsnapping van de dag? Die draagt vaak nog wat verder dan hier, als opwarming voor de eigenlijke slag om Luik – of liever Ans.

Zonder tanden

Dat Hinault en Prudhomme de eregasten zijn van burgemeester Philippe Collard hoeft niet te verbazen. Beide heren werken voor de Société du Tour de France, die deze klassieker organiseert. Deze regio heeft wel wat met Frankrijk. Niet zo ver hiervandaan ligt Virton, vaandeldrager van het voetbal in deze provincie. Een behoorlijk goed gestructureerde voorbeeldclub, met een uitstekende jeugdopleiding. Omdat niet iedereen kan doorstromen naar de A-ploeg en dan maar uitwaaiert naar andere clubs tillen ze daar het niveau op. Wel, als Virton een wedstrijd lijkt te gaan winnen, heffen de fans even voor tijd de Marseillaise aan. Zo bedoeld, geen Leterme-foutje.

De regio drijft evenwel vooral op Luxemburgs kapitaal, horen we. Kapitaal uit het Groothertogdom. Een vast cijfer hebben we niet, maar ruim 35.000 Belgen verdienen over de grens de kost. Vanuit Bastenaken, in het Luxemburgs Baaschtnech, trekken ze naar Wilz en omstreken, vanuit Aarlen naar Luxemburg-stad. Dat heeft de welvaart hier danig opgekrikt. Ze tanken er niet alleen hun auto vol, de mensen uit de buurt, of kopen er sigaretten en drank, maar ze verdienen er ook hun euro’s.

Dat was ooit anders. Dit is/was vroeger een provincie arm aan grondstoffen. Tenzij je deed in hout, de laatste maanden spectaculair in prijs gestegen, nagenoeg verdubbeld. ‘Helaas’ is die sector in handen van slechts enkele handelaars, de gemiddelde burger leeft hier niet van het hout. Dat deed hij wel lang van het land. Generaties ouders, grootouders, overgrootouders bewerkten hier in ondankbare omstandigheden schrale grond, veel minder vruchtbaar dan die in Haspengouw, in een ruw klimaat. Geld bracht het amper op. Vandaar dat vechten en weerstand hier in de genen zitten.

Vechten vanuit een underdogpositie, vechten tegen clichés, dat ook. Vaak bevestigd in verhalen die de media, bezuiden de taalgrens veelal gestuurd vanuit Brussel, over dit deel van het land brengen. Een voorbeeld. Mormont, vorig jaar gepromoveerd naar vierde klasse, is een gehucht, meer niet. 300 inwoners. Toen de media het verhaal van de promotie brachten, stuurden ze een fotograaf naar het terrein, waarbij de hoek waaronder de tribune moest worden gefotografeerd duidelijk suggereerde hoe klein het allemaal was. Als het even kon, mocht desnoods ook de enige koe uit de buurt naar de andere kant van de wei worden gedreven, om het effect nog dramatischer te maken. Dat pittoreske, dat landelijke, gaf absoluut niet weer hoe de realiteit van de club was. Maar het pakte wel op foto.

Nog een ander voorbeeld. Bertogne is een van de armste dorpen van België. Een officiële lijst, gebaseerd op het aan de belastingen aangegeven inkomen per hoofd. Nu is Bertogne een gemeente van landbouwers. Boeren die behoorlijk de kost verdienen, maar op hun eigen specifieke manier belastingen betalen. Weinig. En die dus officieel in de statistieken als laagverdieners verschijnen. Een beetje journalist die ter plaatse rondstapt, doorprikt zo dat beeld met wat hij ziet. Niet in de Brusselse krant die een reporter naar het zuiden stuurde. Die kwam terug met een verhaal dat de armoede vooral bevestigde. Op de foto: oude dametjes, zonder tanden, schuifelend over straat met een haveloze zak op de rug. Karikaturaal.

Neen, Luxemburg en Brussel, dat komt nooit meer goed.

Luxemburgers staan wat apart. Ze voelen zich ook niet al te zeer betrokken bij het Waalse verhaal, horen we. De Luxemburger is in de eerste plaats Luxemburger, er is een groot identiteitsbesef. Groter dan pakweg in Waals-Brabant, Henegouwen, Namen of Luik. Zo heeft Benoît Lutgen, gewezen Waals minister van onder meer Openbare Werken en Landbouw en nu voorzitter van de cdH, binnen zijn kabinet een cel die waakt over Luxemburgse aangelegenheden. Zij vlooit uit of alle Franstalige excellenties zich goed genoeg bekommeren om deze uithoek. De terre moet worden verdedigd, over de partijpolitieke grenzen heen. Dat Luxemburggevoel wordt hier gecultiveerd: samen sterk, ver weg van het machtscentrum.

Ze hebben hier bijvoorbeeld hun eigen prijzen, de Godefroids, naar Godfried van Bouillon, een van de kruisvaarders. Elk jaar worden ze uitgereikt, aan verdienstelijke Luxemburgers, op economisch, cultureel of sportief vlak. Ze zijn hier in de eerste plaats Luxemburger. Daarna Belg. Europeaan. Maar Waal … Niet geheel toevallig is de cdH in deze uithoek van het land – het land van Charles-Ferdinand Nothomb en de familie Lutgen – de meerderheidspartij. Een unicum in het PS-landschap dat Wallonië toch grotendeels is. Een buitenbeentje.

Politiek kijkt heel Bastenaken uit naar de komende gemeenteraadsverkiezingen. Burgemeester Collard stelt zich dit najaar niet herverkiesbaar. Benoît Lutgen doet een gooi naar het burgemeesterschap, maar het zou best kunnen dat hij concurrentie krijgt van … zijn broer. Jean-Pierre Lutgen, bekend van Ice Watch (het chique lokale paradepaardje) overweegt immers om op te komen op de lijst van Collard, een liberale lijst. Jean-Pierre en Benoît lusten elkaar niet, dat wordt smullen.

Beroepsrenners

Hoe zit het met de sport in deze uithoek van het land? Voor een antwoord op die vraag trekken we naar Daniel Lapraille, hoofdredacteur van L’Avenir du Luxembourg. Al jarenlang volger van sport én auteur van een boek over Maxime Monfort. Die zelf overigens hoogst verbaasd was dat zijn verhaal überhaupt te boek werd gesteld.

“Het wielrennen hier in de provincie heeft door Monfort echt een zweepslag gekregen”, zegt Lapraille. “We hebben op dit moment vier profrenners, nog nooit gebeurd. Naast Monfort bij Team Radioshack is er ook Gaëtan Bille bij Lotto ( de recente winnaar van de GP Pino Cerami, nvdr) en twee renners bij de continentale ploeg Wallonie Bruxelles – Crédit Agricole, Boris Dron en Tom Dernies. Zijn vader, Michel Dernies, moet je nog kennen. Hij woont al een jaar of vijf in de provincie, in het noorden, hem hebben we als het ware geannexeerd.”

Daarnaast is er nog een zeer goeie amateurclub in de streek, gesponsord door het Vlaamse Willems Veranda’s. Lapraille: “Een club met enorm veel leden, zeer goed gestructureerd, met een mooi programma, ook in het buitenland.”

Hij doet het relaas van het avontuur van een van de drijvende krachten van die club, Laurent Mars, die ooit nog deelnam aan de Ronde van Burkina Faso. Lapraille: “Mars was leider in die ronde toen hij ’s avonds bezoek kreeg op zijn kamer. De organisatoren. Met de dwingende vraag niet te winnen. Dat moest een lokale renner doen, om veiligheidsredenen. Dus heeft Laurent niet gewonnen.”

Terwijl hij het verhaal doet, komt een schuchtere jongen binnen, samen met opa en oma. Hij groet Daniel, groet ons. Kijkt weg, kijkt dan terug, een flauwe glimlach en een blik van herkenning. Tevens verwondering. Ons te zien in deze uithoek? Hij neemt L’ Avenir van het haakje en gaat in een hoekje zijn koffie drinken. Zijn naam: Thomas Meunier, voetballer van Club Brugge.

Lapraille, wiens zoon nog samen in de jeugdploegen speelde met Meunier, doet het verhaal van die andere bekende Ardennees, Philippe Albert. Voetbalde voor Bouillon in eerste provinciale. Een beetje ruw, wat onbehouwen. Maar toch: talent. Op een dag mocht hij testen bij Libramont, een vierdeklasser in handen van een bekende man in de buurt. Een senator, flegmatiek. Een kenner. Hij besliste over wie kwam en ging, niet zijn trainer. Philippe Albert testte bij zijn ploeg, maar de voorzitter vond hem ‘wat weinig’. Charleroi deed daarop hetzelfde en nam hem wel. Nog datzelfde seizoen brak Albert door bij de A-ploeg. Ook een andere ex-Rode Duivel, Michel Renquin, komt uit de buurt, namelijk uit Wibrin.

Met het lokale voetbal gaat het niet goed. Bastenaken zat ooit in derde klasse, nu is dat tweede provinciale. De twee blikvangers in de provincie zijn Bertrix en Virton. Lapraille beseft de impact van zijn krant op dat vlak. “Iemand van zestien die in vierde klasse speelt, zit hier aan de top. Onze regionale krant besteedt heel veel aandacht aan sport, een wedstrijd uit vierde klasse krijgt nagenoeg evenveel als een Club Brugge-Standard. Je krijgt dus de indruk dat je een ster bent, want je staat vaak in de krant. Iedereen kent je. Voor wielrenners geldt hetzelfde. Het is echt kiezen. Blijf je de beste onder de kerktoren, of trek je naar Vlaanderen, waar je door de grotere concurrentie misschien als zestiende eindigt.” Een dilemma voor veel renners, zeker als de middelen beperkt zijn en de afstanden groot.

Dit is een provincie zonder machtscentrum, zonder steden. Ooit schreef hij het eens, hij haalde zich er banbliksems mee op de hals. Dat Luxemburg, de provincie, eigenlijk geen steden had, maar veredelde dorpen: Bastenaken, Aarlen, Marche.

De problemen zijn dan ook allesbehalve grootsteeds. Een item op de voorpagina dezer dagen is … de sluiting van postbussen. Bpost wil er een hele resem afschaffen, omdat het te veel tijd kost om ze te ledigen. Ook openbaar vervoer is een zorg. Veel verspreide kleine dorpjes, zonder winkelinfrastructuur, met een verouderende bevolking. In de grootstad nemen die de tram, bus of metro. Hier de bus. Maar de lijnen moeten veel afstand overbruggen en bussen zijn schaars bezet. Dus is de vraag: moet je die afschaffen? Lapraille: “Zo heeft Luxemburg heel eigen specifieke noden.”

Rotonde

Is hier dan niks dat tijdens het jaar verwijst naar La Doyenne? O, jawel. Lapraille neemt ons mee naar het begin van de rue du Vivier, waar het verkeer dat uit Houffalize komt de stad binnen druppelt. Hier, aan Bastogne Nord, het vroegere treinstation, hebben ze een rotonde gebouwd. Die verwijst naar het wielrennen. Op de rotonde staat kunst, gemaakt door studenten uit het zesde jaar Art, studenten die werkten rond een project over de wielerwedstrijd. Beelden van vier renners, die vier fases uit de wedstrijd symboliseren. De start, het rijden, de bevoorrading en het zegegebaar aan de aankomst.

Eddy Merckx, Joseph Bruyère (een Luikenaar) en Bernard Hinault hebben deze rotonde twee jaar geleden officieel geopend. Op een paneel aan de straatkant staan de namen gegraveerd van alle winnaars van La Doyenne. Aan de overkant, tegen het station waarvan de sporen nu zijn omgevormd tot een fietspad, lezen we nog wat extra info. Dat de eerste L-B-L in 1892 werd gewonnen door Léon Houa in … 10 uur en 48 minuten. En, nieuw voor ons, dat Luik-Bastenaken-Luik oorspronkelijk bedoeld was als etappe in een veel groter project: Luik-Parijs-Luik. Die wedstrijd is er evenwel nooit gekomen.

Meer verwijzingen naar La Doyenne zijn er niet in deze stad, die vooral teert op haar oorlogsverleden. ” Nuts“, zei de Amerikaanse generaal Anthony McAuliffe hier in 1944, toen de Duitsers eerst achteruit werden gedreven, maar vervolgens in een tegenoffensief stuitten op de onverzettelijkheid van de Luxemburgers. Bastenaken werd omsingeld, maar nooit veroverd. McAuliffe zei op zijn eigen manier ‘neen’ tegen de capitulatie en uiteindelijk sloeg generaal George Patton een bres in de Duitse omsingeling om Bastenaken te bevrijden.

Haast elk dorpje in de buurt heeft zijn legermuseum. Bastenaken ook. Er is al Mardasson, het Amerikaanse monument, maar Bastenaken wil meer. Als Waterloo het symbool is van de oorlog van 1815 en de strijd tegen Napoleon, en Ieper dat van WO I, dan moet Bastenaken hét referentiepunt worden voor WO II. De eerste steen is al gelegd van World War 2, een nieuw Europees centrum ter nagedachtenis van de Tweede Wereldoorlog. Een groots opgezet project, dat de stad nieuwe zuurstof moet geven.

En zo kabbelt het leven hier rustig verder, nu en dan opgeschrikt door een nieuwsfeit. Het huwelijk van Mathilde met prins Filip bijvoorbeeld, maakte Villers-la-Bonne-Eau, vlak bij de stad, plots wereldbekend.

Maar elk jaar is er ook koers. Heel even, voor een uur of twee slechts. Maar hij is er. Ongemerkt. We zien, een paar uur lang, niet één fietser. Zestien kilometer verderop, in Houffalize, zwoegt Etienne zich de Côte de Saint-Roch op. Toch maar overwegen, die naamsverandering?

DOOR PETER T’KINT – BEELDEN: JO VAN DER TRAPPEN

Dit is eigenlijk een provincie zonder steden, maar met veredelde dorpen: Bastenaken, Aarlen, Marche.

Bastenaken teert vooral op het oorlogsverleden. ‘Nuts’, zei generaal McAuliffe hier in 1944.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier