Sport/Voetbalmagazine trok een maand naar Zuid-Amerika op zoek naar voetbalverhalen op een ander continent. We stopten onder meer in Villa Elisa, een eindje buiten Asunción, hoofdstad van Paraguay. Daar woont de familie Alcaraz. ‘Antolin heeft in zijn jeugd eens héél veel geluk gehad.’

Die ochtend in het vliegtuig. Het contrast tussen Buenos Aires, Argentinië, en Asunción, Paraguay, kan onmogelijk groter zijn, bedenken we, als de vlucht van TAM, een Braziliaanse luchtvaartmaatschappij die voor de verbinding tussen de twee hoofdsteden zorgt, de landing inzet. Bij het opstijgen was de zomerzon de Argentijnse stad nog flink aan het opwarmen na wat al een zwoele nacht was. Geen twee uur later duiken we door een dik wolkendek naar het heuvelachtige groen van het land dat ooit het allereerste spoorwegnetwerk van Zuid-Amerika ontwikkelde. Onder impuls van de Engelsen, die dat later ook deden in het veel grotere Argentinië en Brazilië. Waarna, heel veel revoluties later, alles werd geprivatiseerd en naar de verdoemenis ging. Vervangen door een netwerk van autobussen, die onder ons slingeren over de verharde hoofdwegen. De zijwegjes zijn onverhard, vanuit de hoogte lijken ze rood geschilderd. Mooi contrast met het frisse groen.

Het verschil valt op alle vlakken op, niet alleen qua klimaat. Het regent, zoals het hier twee dagen op drie zal doen. Normaal gebeurt dat hier nooit (of amper) tussen oktober en maart, hoor ik op straat van vriendelijke mensen die zich nieuwsgierig afvragen wat een blanke hier komt uitvreten. Nu hield het amper op tot december en herbegon het al in februari. Ook vanochtend regent het, warme regen, zachte regen bij een graad of 26 tot 28. Kleren plakken direct aan je lijf. Het klimaat gehtlos, ze verwachten een koudegolf, lees ik in ABC, een van de drie grote kranten. ‘Slechts 25 graden de komende twee dagen.’ De krant zit ernaast: ’s anderendaags klimt het kwik met gemak boven de 30. Toch zegt iedereen dat ik geluk heb, want het kan hier op dit moment van het jaar tot 40 graden warm worden.

Het is hier veel groener, en de wegen zijn smaller. Is Buenos Aires een stad die makkelijk de vergelijking met een West-Europese kan doorstaan, brede boulevards, verkeersvrije wandelstraten, hoge buildings en zelfs heuse, naar verluidt op die van Liverpool gemodelleerde, docklands met poepchique restaurants in gerenoveerde oude pakhuizen, dan is Asunción eerder Latijns-Amerikaans, met smalle straatjes, waar vaak slechts verkeer in één richting is toegelaten. Met kleine parkjes, her en der wat groen tussen lage gebouwtjes, met amper buildings, tenzij in het administratieve hart. Een groot dorp, ook al is het de hoofdstad van een land. Anders. Totaal anders.

Opvallend in het straatbeeld: ontzettend veel trottoirverkoop, van kleding, dvd’s, gsm’s, allerlei. Paraguay heeft een probleem met namaakhandel, op geregelde tijdstippen worden grote partijen vernietigd. Een verkoper probeert ons voor dertig dollar een Rolex aan te smeren. Ze werken, hun horloges, maar zijn wel nepchic. Paraguay, zullen we later in Brazilië horen, is leverancier in Zuid-Amerika van vervalsingen. Goeie vervalsingen, maar toch vervalsingen.

Overheidsgebouwen worden zwaar bewaakt. En in de verf gezet, net als Argentinië maakt ook Paraguay zich op voor zijn bicentenario, de viering van 200 jaar onafhankelijkheid. Op een plaza staat een aftelklok naar de grote dag, maar vandaag werkt de klok niet. Werken doen wel twee schilders, die een gebouw witten. De bewakers voor het gebouwtje roeren zich niet. Boven hun hoofd wappert de nationale vlag. Een speciale, want de enige ter wereld waarvan voor- en achterkant verschillen. Voor de freaks: het zit in de details, in het embleem op de witte centrale band.

Ook opvallend: in een krantenkiosk op de plaza ligt een Duitse krant. Net als Argentinië op het einde van de negentiende eeuw kende ook Paraguay een – weliswaar veel meer bescheiden – toevloed aan immigranten uit het oude continent. Onder meer uit Duitsland. De dictator, die het land vanaf 1954 gedurende 35 jaar zou besturen, Alfredo Stroessner, heeft een Duitse vader. En de gemeenschap heeft dus nog steeds zijn eigen Bode.

De Spaanse versie, Ultima Hora, heeft net als ABC een actueel probleem op de tapa, de cover: de rebellen van het Ejército del Pueblo Paraguayo. Wat leden zijn net door de politie opgepakt, op verdenking van betrokkenheid bij ontvoeringen. Ze vergelijken zich graag met de Colombiaanse rebellen van het FARC en er zijn ook banden aangetoond, maar ze hebben veel minder daadkracht, beweert Carlo Bruni. Bruni is een dynamische Italiaan. Vroeger kwam hij hier met vakantie bij zijn neef, later werd hij verliefd op het land (en een van zijn inwoners) en nu doet hij zaken met heel de wereld. Hij heeft een transportbedrijf, runt een hotel, heeft een eigen opleidingsinstituut voor voetballers én is agente FIFA. Spelersmakelaar. In die hoedanigheid was hij ooit héél belangrijk voor Antolin Alcaraz, verdediger bij Club Brugge.

Metserhulp

Paraguay doet het relatief goed op economisch vlak. Niet alleen via die parallelle economie, ook via de verkoop van energie. Grote stroom, opgewekt uit water. Nog een groot infrastructuurwerk uit de periode van Stroessner. In de buurt van het eiland Itaipu (in de lokale taal, het guarani, betekent itaipu geluid van een steen) werd een reuzendam gebouwd. Zo ontstond een stuwmeer waaruit een grote waterkrachtcentrale energie opwekt. Brazilië en Paraguay baten samen achttien generatoren uit (eigenlijk zijn het er twintig, maar twee dienen als reserve). Bruni: “Eén generator volstaat om het elektriciteitsverbruik van heel Paraguay te dekken. De productie van de andere acht kan het land verkopen. Jaren gebeurde dat onder de prijs, maar nu worden die akkoorden opnieuw onderhandeld. Een stabiele bron van inkomsten.” Overigens liggen in de buurt van dat stuwmeer de befaamde watervallen van Iguaçu.

Paraguay doet het ook goed op sportief vlak, het gaat straks alweer naar het WK en telt een paar niet onaardige voetballers. Onder meer Roque Santa Cruz, voetballer bij Manchester City. En ook Antolin Alcaraz, een verdediger die Bruni ergens bij een onbetekenend ploegje ontdekte in de rand van Asunción.

Bruni: “Antolin werkte samen met zijn vader, als hulpje. Metserhulp. Maar hij kon wel voetballen.” En dus nam Bruni de speler onder zijn vleugels. Hij had weinig vertrouwen in de opleidingscentra van de Paraguayaanse topklassers en verhuisde met Alcaraz naar Argentinië. Bruni: “De meest tot de verbeelding sprekende club van Paraguay is Olimpia. Die heeft een jeugdopleiding, maar geeft ze op campospúblicos, op openbare velden. Zonder veel planning, zonder macro- of microcyclussen.”

Bovendien staat ook nog eens de cultus van het winnen voorop. Winnen, koste wat het kost. Daar zou een talentrijke, sierlijke, maar wel wat frêle voetballer als Alcaraz in verdrinken, dacht hij. En dus werd het Buenos Aires.

Hij bracht Alcaraz onder bij Racing en niet Independiente. De beide ploegen uit Avellaneda toonden interesse. Avellaneda is eigenlijk la provincia en niet meer grondgebied hoofdstad, maar dat is louter juridisch, want om er te raken moet je slechts een rivier over. Waarom het Racing werd en niet de buur van een paar honderd meter verder? Bruni: “Simpel. Het loon. Racing bood wat meer dollars. Door Antolin uit het huiselijke milieu weg te halen, ontnam ik die mensen een bron van inkomsten. Hoe weinig guaraní ( de munt draagt dezelfde naam als de taal, maar mét accent, nvdr) hij misschien ook verdiende als metserhulpje, het bedrag was wel belangrijk voor de familie. Daarom kozen we voor de beste vergoeding.”

Maar Bruni zag meer in Alcaraz, meer dan een verdediger voor Argentinië. En dus haalde hij hem jong naar Italië, zijn vaderland. Toen Fiorentina een nieuwe verdediger zocht, kreeg Alcaraz een kans. Even later ging de club failliet. Zo kwam de verdediger vrij. Het vervolg kent u misschien: het Portugese Beira Mar bood een uitweg en drie jaar later viste Club Brugge hem op. En inmiddels is hij international en straks normaal basisspeler op het WK. Bruni: “Dat vind ik voor mezelf wel fijn, dat ik destijds iets zag in die frêle tiener, en dat zoiets nu wordt bevestigd.”

Huis te huur

’s Anderendaags schijnt de zon. Net na de middag spoeden we ons naar Villa Elisa, het dorp waar de familie Alcaraz woont. Wie nog durft te klagen over het Belgische wegennet, moet eens naar hier komen. De taxi’s – zo stond het vanochtend in de krant – moeten voor het tweede jaar op rij niet naar de keuring. Allicht goed nieuws voor het vehikel dat ons vervoert. Op elke bult dreigt de auto uit elkaar te vallen. De weg naar Villa Elisa heet AccesoSur, de zuidelijke toegang tot Asunción. Een weg van nijverheid en kleinhandel. Druk, druk, druk. Zuid-Amerikaans, indrukwekkend chaotisch, met brommers, bussen en auto’s die slalommen om putten en bulten te vermijden en elkaar aan allerlei kanten, niet alleen links, inhalen. ’s Avonds geen al te leuke buurt, maar overdag gezellig. Veel volk langs de straatkant, héél veel volk.

De ontvangst is tegelijk hartelijk en overrompelend. Als de taximan even de weg dreigt kwijt te raken, duiken plots twee mannen op in de deuropening van een huis dat te huur staat. Ze dragen … een shirt van Club Brugge. Ik tel. Een, twee, drie, in totaal dertien mensen. Broers, zussen, vader, moeder, neefjes, de hele familie is er om het bezoek uit België te begroeten. Hun Spaans is … snel, bijwijlen vrijwel niet te verstaan, zeker niet als ze met drie, vier door elkaar babbelen. Ik hoop soms dat ik op het juiste moment lach en knik, maar ben niet altijd zeker van mijn stuk.

Carlo, Ruben, Martin, Felicita, Midoneo, Feliciana, Alicia, Hugo, ik raak tel en draad af en toe kwijt. Wie was ook weer wie? Een ding is zeker: er wordt veel gelachen. En Antolin is sterk aanwezig. In foto’s en shirtjes. Ik tel er drie die gedragen worden, twee blauw-zwarte voor de broers Ruben en Martin, en eentje in het wit, de uitkleuren van Club. Dat draagt Carlos, een neef. En allemaal zijn het voetballiefhebbers.

Na een tijdje gaat de tereré rond. Tereréis een drank gemaakt van maté (kruiden) maar met koud water in plaats van het warme water dat ze in Argentinië en Uruguay gebruiken. De tereré wordt hier gedronken uit een beker waarin een bombilla staat, een metalen pijpje met onderaan een soort zeef. Door aan de bombilla te zuigen kan men het brouwsel drinken. Ruben doet het constant, net als veel van zijn landgenoten. Dit is de gezondste manier om niet uit te drogen. Ze halen de beker van Antolin, voor de foto. Hij draagt zijn naam.

Ik proef en vind er niks aan. Alicia, de zus, lacht en schenkt wat cola bij. Brengt later ook een schotel met vlees. Overrompelende vriendelijkheid.

Straks komt Valencia-Club op tv, maar onderwerp van gesprek is ook de superclásico dit weekend, Cerro-Olimpia. Vergelijkbaar met Anderlecht-Club Brugge. “Of Club-Cercle”, pikt er eentje wijsneuzig in. Hij is duidelijk op de hoogte. Zijn sommigen onder hen al in Brugge geweest?

In koor: “No, no. Antolin zou wel willen dat er mensen van de familie overkwamen, zijn ouders bijvoorbeeld, maar het is ver. En duur. En mama heeft vliegangst. En daarnaast zijn ze wat bang van de kou.” ( algemeen gelach)

Martin: “Op een dag, vertelde Antolin ons, trok hij naar het strand. Het was een mooie dag, maar volgens hem toch wat frisjes. Tot zijn verbazing zag hij iedereen de kleren uittrekken. Hij niet.” ( algemeen gelach)

Hoe was Antolin als jongen? Opnieuw: algemeen gelach. Braaf en goed, of wat had ik gedacht? Ik kan eruit opmaken dat het nakomertje niet zo’n student was, maar wel intelligent, en dat zijn broers zich heel veel over hem moesten bekommeren. Moeder schuift aan, maar ze kan helaas niet aan het gesprek deelnemen. Felicita spreekt alleen guarani. Ze heeft haar eigen manier om te communiceren: een lach en een knuffel.

Het verschil in leeftijd met de oudere broers is groot. Martin is 40, Ruben 36, Antolin wordt straks 28. Martin: “Het was mijn kleine broertje, de jongen die ik overal meenam.” De kleine ging vaak voetballen. En vissen, in de rivier.

Ze woonden vroeger elders, in de provincie, in San Roqué de Santa Cruz. En dan komt plots de tragiek die deze familie trof aan bod. Op korte tijd, binnen zes maanden, lieten twee broers het leven. Eerst ging er eentje dood, zes maanden later een ander. Zes en negen waren ze. Wat de doodsoorzaak was, hebben ze eigenlijk nooit echt goed geweten, klinkt het uit de mond van Martin die het woord voert. Vader Midoneo houdt zich liever wat afzijdig. Dengue (virale infectieziekte) misschien, overgebracht door de muggen waar ze hier ook nu voor waarschuwen? Martin: “Geen idee. Misschien een soort van. Het ging snel, dat wel.” En dus verhuisde de familie, ontvluchtte ze de rivier.

Een rivier die nog ellende had gebracht. Ruben, de tweede broer, pikt nu in. “Antolin had het geluk dat hij kon gaan voetballen in Argentinië, en daarna in Europa. Ik was vroeger ook een goeie voetballer, een spits. Maar op een dag trokken we naar de rivier, en gebeurde er een ongeval. Een visser trok de lijn op en raakte me met de haak in het oog. Antolin stond vlak achter me. Voor hetzelfde geld raken ze hem, als ik mijn hoofd wegtrek.”

Het ongeluk hangt soms aan een visdraadje.

Ruben: “Ik heb later nog wat gevoetbald, maar op lager niveau. Scoorde geregeld. Maar prof worden, dat kon niet meer.”

Hoe houden ze contact? Via het internet? Martin: “Dat ook. Maar via het internet is het niet zo makkelijk. Hij is vaak niet online. Bellen doen we wél vaak, dat is ook niet te duur. Dan vraagt hij meestal naar de mama.”

Spanje

Op tv start Galatasaray-Atlético Madrid. Er ontspint zich een discussie tussen de mannen, over het niveau van ons en hun voetbal. Mama en de zussen trekken zich terug op het terras van het huis. Bezoekers lopen af en aan, hier wordt nog op straat geleefd.

Carlos: “Ons voetbal is totaal anders dan in Europa. Hier lopen de mensen niet, zijn ze veel trager. Veel meer individuele acties.”

Ruben: “Het heeft ook met de mentaliteit van de spelers te maken.”

Martin: “Hier eten en drinken ze maar.”

Ruben: “Veel te dik zijn ze. En ze houden het ook niet vol, leven voor hun sport. Op hun dertigste is het voorbij.”

Martin: “Clubs kunnen hun voetballers hier niet geconcentreerd houden. Dat is het grootste probleem van ons voetbal. Concentratie. En werklust. Antolin dronk vroeger veel frisdrank en lette niet zo goed op zijn voeding, maar dat heeft hij nu wel geleerd. Hij vindt ons allemaal dikkerdjes.”

Carlo: “Hij wil naar Spanje.”

Martin: “Ik heb al de naam van Milan horen vallen.”

Ruben: “Niet dat hij er met ons over praat, dat zijn dingen die we in de krant lezen. Milan, Getafe, ploegen uit Mexico, uit Engeland zelfs. Van Antolin weten we alleen dat er aanbiedingen zijn en dat hij wacht op het goeie moment. Voor het begin van het WK zou hij graag ergens tekenen.”

Allemaal zijn ze fier op wat hun broer bereikte.

Martin: “Dat een ploeg uit België, un grande, in onze broer is geïnteresseerd. En dat we hem nu zien op tv. En dat er doeken in de tribune hangen om hem te steunen. Dat is toch iets om trots op te zijn.”

En dan, later op de middag, als er nog een pak volk over de vloer is gekomen, de tereré is rondgegaan, de frisdank haast op is, duiken hier en daar nog wat jongeren op. Het is tijd voor Valencia-Club.

Ontroerend moment, net voor het begin van de aftrap. De ploeg van Club betreedt het veld en als Alcaraz in beeld komt, in close-up, wuift mama Felicita even naar haar zoon. Alsof hij het kan zien. Ze lacht. Midoneo komt ook even volgen en trekt zich dan weer buiten terug. Voetbal is leuk als zijn zoon speelt, maar verder …

Het zal niet de avond van Club worden. De verdediging speelt goed, maar met Hoefkens en Stijnen als uitblinkers. Alcaraz schittert niet. De spitsen evenmin, als ze de schaarse kansen niet benutten, wordt ook in Villa Elisa naar de haren gegrepen. Martin kijkt me aan. “Ze hebben hetzelfde probleem als Paraguay: geen spitsen. En Antolin? Neen, hij heeft het al beter gedaan.”

Om halfacht, net als de wedstrijd is afgelopen en Club is uitgeschakeld, is het van de ene seconde op de andere pikdonker. Het afscheid is emotioneel, ik krijg van mama opnieuw een dikke knuffel. Warme mensen.

Bij het verlaten van het huis zie ik een bordje hangen aan het huis: te koop . En? Martin: “Antolin wil dit huis niet kopen, hij huurt het. Er is beter te vinden. Hij kocht al een terrein. We gaan nog eens bouwen.” Maar of de metserhulp van vroeger ook nu nog de metser zal dienen …

door peter t’kint

Antolin dronk vroeger veel frisdrank en lette niet zo goed op zijn voeding, maar dat heeft hij nu wel geleerd. Hij vindt ons allemaal dikkerdjes. Martin Een visser trok de lijn op en raakte me met de haak in het oog. Antolin stond vlak achter me.

Ruben Als Antolin in beeld komt, wuift mama Felicita even naar haar zoon. Alsof hij het kan zien.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier