Hoe Silvio Proto zich in het doel een stijl voor de top kon aanmeten. En waarom hij naast het veld een Siciliaanse illusie van zich af moest houden.

Hoe Silvio Proto zich in het doel een stijl voor de top kon aanmeten. En waarom hij naast het veld een Siciliaanse illusie van zich af moest houden.

S ilvestro, de grootvader naar wie Silvio Proto is genoemd, kwam naar België om in de wegenbouw te werken en Silvio’s vader Antonio, die drieënhalf was toen hij meekwam, begon er op zijn dertiende als schrijnwerker. Silvio zal echter een andere loopbaan voor ogen houden. Ook Antonio had graag carrière gemaakt als voetballer, maar geld voor voetbalschoenen was er in de uit Sicilië ingeweken familie nu eenmaal niet. Zijn twee kinderen, Silvio en Giovanna, hoopt hij samen met zijn Belgische vrouw Bernadette later wel meer steun te kunnen bieden.

In hun huis in de rue des Français in Châtelet herinnerde op de koer een slordig in krijt op de muur getekend doelkader – een echt kostte geld – jaren later nog aan de jonge aspiraties van Antonio’s zoon: voetballer worden. Terwijl hij sommige van zijn schoolvrienden het pad richting drugs en kleine criminaliteit ziet inslaan, weet Silvio zich beter omringd. Op zijn zesde sluit hij aan bij de voetbalclub uit Couillet, waar zijn ouders als ploegafgevaardigde van de jeugd en uitbaters van de cafetaria een oogje op hem kunnen houden. Anderhalf jaar speelt Silvio Proto er als midvoor, tot hij noodgedwongen in het doel terechtkomt. Op zijn twaalfde – hij heeft voor zijn verjaardag een truitje van Walter Zenga gekregen – komt hij in tweede provinciale als cadet tegen junioren van 20 te staan. Die verregende zaterdagmiddag ziet hij zijn aanvankelijke angst na negentig minuten weggespoeld. Wellicht door het plezier van het ongegeneerd duiken in de modder dat hem is gegund, grijnsde zijn vader, die hem geregeld met de hogedrukspuit schoon moet spoelen, want de jonge Silvio laat zich opmerken door een ogenschijnlijk grote innerlijke onrust, die hem zelfs bij 40 graden koorts het veld op jaagt.

Als dat van een jack russel die in de gordijnen springt, zo wordt zijn gedrag zelfs omschreven. Een litteken op een van zijn benen herinnert er nog altijd aan dat hij als kind met zijn voet van een ijzeren paaltje is geschoten, waarna zijn kuit gehecht moest worden, om ten slotte vier uur later nóg eens van dat paaltje te schieten en wéér op dezelfde plaats gehecht te moeten worden. Het is nadat zijn vader een dokter en een psycholoog heeft geconsulteerd, dat hij het advies heeft gekregen zijn zoon als uitlaatklep aan sport te laten doen. Als hij later, onderweg naar een toernooi in Toulouse, bij het tikkertje spelen de autosnelweg over loopt, zal eens te meer blijken hoe onbehouwen de jonge Proto blijft.

Jonge Wolf

Op zijn dertiende wordt Silvio Proto dankzij jeugdtrainer Jean-Pol Hannoteaux aangetrokken door Olympic Charleroi. Later neemt diezelfde jeugdtrainer hem mee naar La Louvière en hoewel hij amper 17 is, wordt Silvio Proto er in september 2000 voor het eerst opgeroepen voor een nationale -18, die een toernooi in Denemarken spelen. Op dat moment is hij met Marc Grosjean als trainer derde keeper bij La Louvière. Michel Piersoul, zijn keepers-trainer, laat hem op de Zuid-Amerikaanse manier van uittrappen oefenen: de bal vanaf de platte handpalm met een half vluchtschot lanceren, minder in een boog, maar wel sneller.

Anderlecht toont interesse voor de doelman, maar in tegenstelling tot wat de entourage van de speler – c.q. vader Antonio en Pietro Allatta – tegenover de Brusselse club had laten uitschijnen, is Proto geen speler ‘zonder contract’ noch een speler die ‘bijna einde contract’ is bij La Louvière. Het voorcontract dat hij volgens sommige media in Brussel al tekende, komt zo te vervallen. Antonio slaat een mea culpa. Maar wie Silvio – hij heet in die tijd in de media nog vaak Sylvio – wil, zo is wel duidelijk, zal er een niet overal graag geziene clan bij moeten nemen. Overbeschermd noemt voorzitter Filippo Gaone Silvio, aangestoken door de entourage die hij op training vaak ziet toekijken en door de mislukte démarche richting Anderlecht. Silvio’s vader, zo poneert hij, exploiteert zijn zoon vanuit een vaderdroom om in Italië te voetballen. Waar blijft die beloofde Mercedes voor zijn zoon, die nu met een Fiat Punto rijdt, is een van Antonio’s verzuchtingen.

Silvio zelf zal er later op terugblikken als een ongelukkige periode, ook al klimt hij onder de Franse trainer Daniel Leclercq wel in de hiërarchie en wordt hij de doublure voor de Zweed Ola Tidman. Keepers-trainer Jean-François Lecompte heeft van Benoît Thans, op dat moment speler bij La Louvière, te horen gekregen dat Proto volgens hem uit het hout van de grote keepers is gesneden, maar hij zet hem in Foot Magazine van 16/01/2002 in een getuigenis toch neer als technisch onvoldoende ontwikkeld. De purist in Lecompte wil zijn greep op de bal verbeterd zien en een betere techniek enten op die ene kwaliteit die hem in zijn poulain wel opvalt: zijn explosiviteit.

In de laatste wedstrijd die Leclercq voor La Louvière zal leiden, debuteert Silvio Proto in eerste klasse. Tegen AA Gent (6-0) gaat hij op 22 september 2001 volgens krantenberichten uit die tijd op z’n minst twee keer in de fout, wat de ploeg evenveel tegendoelpunten kost. Dat Phi-lippe Vande Walle, de toenmalige kee-perstrainer van AA Gent, hem complimenteert voor zijn andere tussenkomsten zal hij zich ook later nog als een houvast blijven herinneren.

Ariël Jacobs, de nieuwe trainer van La Louvière, laat Proto in doel staan, maar de club vaart in woelig water: voor het tweede jaar op rij na de promotie in 2000 weegt de angst voor degradatie op de sfeer. Maar onder de vorige trainer niet aan seizoen moeten/mogen beginnen als titularis stelde de jonge Proto in staat de problemen waarin de club verkeerde van zich af te houden, waardoor hij niet met dezelfde stress als de rest van de ploeg in het veld komt. Wat een doelman normaal in één jaar leert, pikt hij in vier maanden op, schat zijn keeperstrainer. Zijn greep op de bal is onmiskenbaar verbeterd, maar zijn lengte (1m84), zijn lange armen en zijn detente van 80 cm zijn fysieke troeven die hij hem nog te weinig ziet gebruiken om zijn doel af te schermen. De “désarticulé” in zijn bewegingen moet vloeiender, het vertrouwen dient opgeschroefd, want het lijkt alsof zijn geringe gewicht (amper 72 kilogram) hem doet aarzelen op hoge ballen. Op training zien ze hem op nagenoeg elke voorzet heersen in de lucht, maar tijdens wedstrijden verzandt hij in de doellijn. Het is, wordt aangenomen, een psychologisch werkpunt.

De wet van ’78

Medio 2002 roept Silvio Proto, nog altijd het hof gemaakt door Anderlecht, maar ook dromend van Italië, met de hulp van Bosmanadvocaat Luc Misson de wet van ’78 in om ondanks een tot 2006 lopend contract zijn vrijheid te verkrijgen bij La Louvière. Met niet nagekomen beloftes van La Louvièrevoorzitter Filippo Gaone als excuus en vader Antonio en de later in het Chinese gokschandaal verstrikt geraakte makelaar Pietro Allatta als kwelduivels. Maar welke eersteklasser zal het onderlinge gentlemen’s agreement doorbreken en een door de wet van ’78 vrijgekomen speler aanwerven?

Bij Vicenza wordt hij aangeboden als ‘vrije speler’, maar als La Louvière hen op zijn contract wijst, blijkt de Italiaanse club niet bereid om veel geld neer te tellen. Met hangende pootjes keert Proto, nog altijd geen 20 jaar oud, dan maar terug naar La Louvière. Stilaan raakt hij ervan doordrongen dat de kans die hij als jongere in eerste klasse krijgt uniek is en dat de nationale ploeg binnen zijn mogelijkheden moet liggen.

Sabotage

Geblesseerd moet hij in het seizoen 2002/03 een tijd aan de kant blijven. Fit is hij net in de week van de bekerfinale die La Louvière tegen STVV speelt, maar het is de door de eigen fans bejubelde Jan Van Steenberghe die als beloning voor zijn interim de finale nog mag keepen. Ariël Jacobs benadrukt dat Proto’s kwaliteiten niet ter discussie staan en Silvio schijnt daarmee te kunnen leven. Dat het publiek om Van Steenberghe schreeuwde, zodra hij daarna zelf weer in doel kwam, raakte hem wel, zal Silvio daar later toch nog over onthullen. Zijn vader evenwel vermoedt een complot van de anciens Manu Karagiannis, Domenico Olivieri, Georges Arts en Thierry Siquet om hun kompaan Van Steenberghe in de basis te houden. Sabotage noemt hij het zelfs, met de verbetenheid van de echte Siciliaan die nooit onrecht vergeet of vergeeft dat hem is aangedaan.

In die tijd debuteert Proto onder Aimé Anthuenis ook in de nationale ploeg tegen Servië. Eenentwintig pas, maar wel al met honderd wedstrijden in eerste klasse als ervaring en acht kilo aan spiermassa meer. Hij praat veel op het veld, schuift Proto bij die gelegenheid naar voren, omdat het onvoldoende coachen van de verdediging naar zijn aanvoelen een groot probleem is van Belgische doelmannen. Maar, voegt hij eraan toe, praten deed hij ook om zich van de stress te ontdoen. Zijn innerlijke onrust speelt hem des te meer parten in wedstrijden zonder veel werk.

In 2004 kent de club een sterk seizoenbegin. Dat zorgt er mee voor dat de ploeg onder Ariël Jacobs de revelatie van het seizoen wordt. Proto leert in die tijd, zo valt te lezen, zijn spelhervattingen variëren: hij brengt ballen meer met de hand in het spel, wat zijn precisie ten goede komt en het laag spelende middenveld wil ‘des longues chandelles’ waar de snelle aanvallers wel weg mee weten terwijl zij recupereren en weer positie kiezen.

In 2005 wordt hij verkozen tot Doelman van het Jaar.

Onder druk

Onder Albert Cartier speelt La Louvière offensiever dan onder Ariël Jacobs, wat een invloed heeft op de manier van spelen van de doelman: wist hij voorheen Domenico Olivieri als libero voor zich, nu is hij het zelf die de laatste centrale verdediger wordt en zijn startsnelheid meer moet gebruiken.

Anderlecht probeert nog altijd Silvio Proto aan zich te binden, maar slaagt er maar niet in de omstreden Pietro Allatta van de onderhandelingen weg te houden. De doelman is de melkkoe van de makelaar, schrijft dit blad, en bovendien vraagt hij veel geld én de zekerheid dat hij speelt.

Uiteindelijk beseft Proto – nu de grote interesse uit het buitenland achterwege blijft – dat de weg naar Genk en Standard geblokkeerd wordt door Jan Moons en Vedran Runje en dat hij niet anders kan dan Pietro Allatta op een zijspoor schuiven om de deur naar Anderlecht te openen.

Na twee maanden lobbyen en niet vroeger dan eind juli sluit hij daarom pas aan bij Anderlecht, waar hij op 30 juli 2005, zonder voorbereiding met zijn nieuwe club, officieel debuteert in een oefenwedstrijd tegen Southampton. De kranten lijken alleen voor de verse doelman aandacht te tonen. Duidelijk wordt hem meteen ook hoe kortlopend het krediet in de hoofdstad van ons voetbal is: ofschoon het zijn eerste wedstrijd is in een hem niet vertrouwde ploeg wordt de kritiek niet gespaard. Kan hij het wel?

Proto, analyseert zijn trainer Frankie Vercauteren, zet zichzelf te veel onder tijdsdruk als hij aan de bal komt en een tegenstander op hem af loopt. Ofschoon hij een van de snellere spelers was in de kern van La Louvière, heeft hij er nooit geleerd veel mee te voetballen. Bij Anderlecht, zo zegt de trainer nog, zal hij moeten leren in de rug van de verdediging te spelen en te anticiperen op diepe ballen. Anderlecht speelt hoger en dat vergt een belangrijke aanpassing: de concentratie mag nooit verslappen.

Zelf heeft Proto zijn debuut als te relaxed ervaren. Hij heeft, zal hij terugblikkend verklaren, druk nodig, gejoel om zich heen en geen stil stadion. Daarom legt hij uit, voelde hij zich bij de jeugd als keeper belangrijker dan als spits. Daar, in het doel, mócht hij geen fouten maken.

Maar een rotatiesysteem met Daniel Zítka blijkt toch onafwendbaar geworden – ook omdat Anderlecht, zo wordt het uitgelegd, om de drie dagen een wedstrijd speelt. Later valt de ploeg terug op een kalender om de week en blijft Proto vast in doel staan. Zijn bewogen transfer mag hij dan zelf achter zich hebben gelaten, de spionkop van Club Brugge scandeert in april 2006 ter herinnering toch maar “Proto-maffia” en “Proto-Allatta”.

Proto zit op dat moment negen maanden bij Anderlecht en heeft net als bij La Louvière een evolutie doorgemaakt: Jan Van Steenberghe, die hij bij Anderlecht als derde doelman achter zich heeft gelaten, ziet hem aarzelend overkomen in de heenronde, maar autoritair spelen in de terugronde. Maar datzelfde jaar nog zakt Proto tijdens een training voor de topper tegen Standard door de kruisbanden van zijn linkerknie. Een duik naar de bal, een krak, het gevoel alsof er een elastiek springt. Van de inactiviteit tijdens zijn herstelperiode maakt hij gebruik om een stukje zwevend bot in zijn rechterenkel te laten opereren.

Nadat hij al een bekerfinale miste met La Louvière, gaat nu ook de kampioenstitel met Anderlecht en het begin van de EK-kwalificatie met de Rode Duivels aan hem voorbij. Daniel Zítka vervangt hem sterk bij Anderlecht, Stijn Stijnen drong zich op bij nationale ploeg.

Tijdens de winterstage die Anderlecht in januari 2007 in La Manga houdt, moet hij weer zijn oude niveau zien te halen, maar om in ploeg te raken, beseft Proto, moet hij haast hopen dat er iets met Zítka gebeurt. Hij raakt uiteindelijk zelfs niet meer op de bank bij Anderlecht, of het moet die ene keer zijn door een blessure van tweede doelman Davy Schollen tegen Genk. Proto voelt zich al sinds oktober 2006 fit, maar speelt nu, maart 2007, nog altijd bij de reserven.

Zit Schollen op de bank voor Zítka om hem niet zo veel druk op te leggen als Proto? De vraag wordt gesteld. Bijna een jaar na zijn blessure moet hij bij de reserven dan nog vaak Schollen laten spelen om diens ritme als potentiële nummer een op peil te houden. Allatta heeft hij afgezworen als makelaar, hij is ondertussen getrouwd en zijn vrouw verwacht een eerste kind. Zo kan het niet verder, vindt de doelman. Hij zal met zijn nieuwe makelaar, Peter Louwes, een oplossing zoeken.

Wie kent hem nog?

‘Wie kent Silvio Proto nog?’ kopt De Standaard op 11/10/2007.

René Vandereycken, zo blijkt, want hij heeft hem zopas als derde doelman opgeroepen voor interlands tegen Finland en Armenië. Niemand heeft het de voorbije maanden nog over Proto gehad – zijn laatste wedstrijd met serieuze inzet dateerde al van 14 april 2006, met Anderlecht tegen Westerlo.

Ariël Jacobs, na La Louvière nu ook bij Anderlecht zijn trainer, staat voor een keuze: wie wordt zijn nummer een in doel: Proto of Zítka? Proto laat uitschijnen dat hij weg wil bij de club als het Zítka wordt. Herman Van Holsbeeck praat op hem in voor de Europese match tegen BATE Borisov. Jacobs zal daarin de keeper opstellen die dat seizoen zijn nummer een wordt.

Proto wordt de nummer twee.

Na Zítka komen zou voor Proto een enorme uitdaging blijken, verklaart Jacobs het, want Zítka heeft een zekere status verworven en een sympathiek imago gekweekt, terwijl Silvio vooral bekend is gebleven van de cinema rond zijn transfer. Proto laat bovendien nog altijd een zwak voetenspel zien, maar ook wel betere spelhervattingen, blijkt in de bekerfinale die hij tegen AA Gent mag keepen.

De frustratie om zijn statuut in de competitie groeit evenwel in de maanden die volgen, ook omdat er van andere clubs weinig belangstelling blijkt. Uiteindelijk wordt hij in augustus 2008 één jaar uitgeleend aan Beerschot, waar Kenny Steppe is vertrokken.

De overgang naar een nieuwe club verloopt eens te meer niet rimpelloos. De Beerschotfans die na de halve finale van de beker tegen Anderlecht door Proto nog werden bedacht met het predicaat ‘de onnozelste van eerste klasse’ nemen wraak en scanderen ‘Proto rot op’, om hem op 28 september 2008 dan toch in de armen te sluiten als hun doelman in de 91e minuut tegen AA Gent (2-2) de gelijkmaker scoort.

Na zes maanden bij Germinal Beerschot keert Proto terug naar Anderlecht, waar hij, geholpen door een blessure van Zítka, eerste doelman wordt en in 2011 het clubrecord van Jean Trappeniers breekt: Silvio Proto blijft 810 minuten ongeslagen. In de nationale ploeg moet hij evenwel de plaats laten aan doelmannen die in het buitenland spelen.

Dit seizoen was hij een van de meer constante spelers bij Anderlecht en leek zijn onrust verdreven, mede dankzij een les, gaf hij in dit blad aan, die hij heeft geleerd: ballen pakken wanneer het nodig is en geen werk zoeken in het doelgebied als het er niet is. Zo word je beslissend, beseft hij, geholpen door een foto van zijn (b)engeltjes Kenzo en Teo die hij op elke scheenlap draagt. Het is, verduidelijkt hij, zijn grootste bron van motivatie. En het kost niks.

DOOR RAOUL DE GROOTE

Als dat van een jack russel die in de gordijnen springt, zo wordt zijn gedrag zelfs omschreven. De spionkop van Club Brugge scandeert in april 2006 ter herinnering ‘Proto-maffia’ en ‘Proto-Allatta’. Zit Schollen op de bank voor Zítka om hem niet zo veel druk op te leggen als Proto?

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier