Europees indoorkampioene 60 meter horden Eline Berings wil in Doha bewijzen dat ze ook in het WK indoor uit de voeten kan. Een gesprek met de studente psychologie, die met Tia Hellebaut dezelfde trainer, ingesteldheid, nuchterheid en een familiale klap in haar jeugd deelt. ‘Ik ben privé en in de sport een gevoelsmens.’

Vier atletiektoppers heeft Wim Vandeven onder zijn hoede in Herentals: Tia Hellebaut, Eline Berings en de vooralsnog relatief onbekende maar uitstekende meerkampers Hans Van Alphen en Sara Aerts. Tijdens het wereldkampioenschap indoor, het kleinere broertje van het WK in de openlucht, in Doha, Qatar, is Eline Berings (23) als enige van het viertal van de partij. Vrijdag staan de reeksen van de 60 meter horden op het programma, zaterdag de halve finale en finale.

Een ongewone opener, maar… je oogt steeds vrouwelijker. Met diamantjes in je oor, roze gelakte nagels, je lange haar. Waar is de tijd dat je voetbalde en aan judo deed?

Eline Berings: ( lacht) “In mijn jeugd heb ik heel lang geravot en was ik er niet mee bezig hoe ik eruitzag. Mijn kleren moesten vooral vuil mogen worden wegens activiteiten met de scouts en zo. Je wordt dan ouder en probeert meer aandacht aan je uiterlijk te besteden. Zopas heb ik bijvoorbeeld een leuke outfit gekocht waarin ik me heel vrouwelijk en goed voel.

“Ik ben trouwens echt een gevoelsmens. Soms is dat een sterkte; maar soms heb ik het moeilijker omdat ik iets privé niet altijd kan loslaten en de prestatie daardoor minder is. Al kan het soms ook een positief effect opleveren omdat het me sterker maakt: de atletiek is dan mijn uitlaatklep en tegelijk de plaats waar ik rust vind. ( denkt na) Je ziet, ook als topsporter ben en blijf je een mens. Een gelukkige persoon is wel een betere atleet, vind ik. Een ongelukkige mens zal nooit een goede atleet zijn.”

Journalisten, en dus het publiek, weten het niet altijd als een atleet zich slecht voelt.

“Soms presteer je in een wedstrijd minder wegens privéproblemen. Enkele ogenblikken na de wedstrijd moet je dan altijd naar de pers toe. Je zegt de reden van je ontgoocheling evenwel niet omdat het privé is: als de relatie met je lief juist is afgelopen bijvoorbeeld. Je wil dat privéleven natuurlijk ook niet als excuus gebruiken. Dus zeg je dat je vermoeid was of een mindere dag had. Dat is een keuze, want je kúnt vertellen wat er aan de hand is. Doe je het, dan weet je dat je privéleven de volgende dag in de krant staat, en dat is ook niet altijd de bedoeling. Als het even minder gaat, denk je soms nochtans dat het makkelijker zou zijn als je zou zeggen wat er loos is. Maar privézaken wil ik toch meestal privé houden.”

Dat is je volste recht. Uit welk nest kom je eigenlijk?

“Mijn zus studeert geneeskunde. Pa heeft experimentele psychologie gedaan en is hoofddocent mens en organisatie en management aan de Hogeschool-Universiteit Brussel. Ma is kinesiste, werkt in Gent in een medisch-pedagogisch instituut met autistische, gehoorgestoorde en spastische kinderen en is ook zelfstandig aan de slag.

“Mijn ouders zijn uit elkaar gegaan toen ik twaalf was. Toch heb ik het gevoel dat ik uit een warm nest kom, veel met de beide families gedaan heb. Mijn zus en ik hebben alle kansen gekregen; zo zijn we heel veel gestimuleerd om aan sport te doen. Mij is duidelijk geworden dat het materiële wel leuk is, maar niet belangrijk. Mijn ouders hebben me meegegeven te leren genieten van de natuur en vooral kleine dingen te waarderen. Ze deden me op een bepaalde manier tegen de dingen aankijken en positief blijven. Ik denk dat ze een goede job gedaan hebben.”

Nu of nooit

Bij jou herken ik een mentale sterkte, die Tia Hellebaut, de olympische kampioene hoogspringen met wie je traint en wiens vriend je trainer is, ook heeft. Ook zij heeft een familiale klap gekregen: toen haar biologische vader haar gezin verliet.

Mijn verhaal is niet zo dramatisch als dat van Tia, maar ik heb ook heel veel meegemaakt door die scheiding. Je moet nu veel verwerken. Dat heeft me harder gemaakt, ja. En sterker. Door die scheiding werd ik iets sneller volwassen, kijk ik anders naar het leven en besef ik meer de waarde van alles. Je leert meer genieten omdat je weet dat het soms anders kan zijn.”

Je bent in je derde bachelor psychologie aan de Universiteit Gent. Waarom deze studie?

“Toen ik van mijn moeder verhalen hoorde van kinderen met problemen, leek het me zwaar maar ook mooi om hen te helpen. Vandaar. Ik vond het belangrijk om iets te kiezen wat niet met sport te maken heeft. Studeren doe ik nog altijd, maar de klemtoon ligt helemaal op de sport omdat ik op het allerhoogste niveau begin mee te draaien. Nog een jaar of zeven zal mijn carrière hooguit duren – dat zal al veel zijn want ik ga al een tijd mee. Topsport is nu of nooit en ik geloof niet in half werk. Dus wil ik me helemaal inzetten nu ik de kans krijg.”

Je specialiteit zijn de horden: 60m in zaal, 100m in de openlucht. Wat zijn de eisen?

“Je moet om te beginnen een goede start hebben – wat een van mijn wapens is omdat ik heel explosief ben. Als je een goede start hebt, kun je altijd iedereen onder druk zetten. Als ik start heb ik het voordeel dat ik aan de leiding lig en daardoor kan ik ook meer mijn eigen koers in ritme lopen. De eerste vijftien tot twintig meter gaat het puur om kracht ontwikkelen en op snelheid komen. Daarna moet je je pas zoeken en in ontspanning gaan. Want die eerste twintig meter loop je niét ontspannen. Dat is niet even optrekken maar pure krachtexplosie. De moeilijkheid is de kracht in de juiste richting te zetten. Sommigen komen te snel rechtop of schaatsen, ze wijken dus zijwaarts uit. Alles moet zo snel mogelijk naar voren. Logisch. En dan is het kwestie van je ritme aanhouden, geen fouten maken, gefocust blijven, de horden agressief blijven nemen en tot de finish alles laten kloppen. Zorgen dat je kracht, snelheid en techniek op elkaar afgestemd zijn.

“De kunst is te groeien naar automatismen van start tot finish, zoals in Turijn, waar ik vorig jaar de Europese indoortitel won. Alles loslaten en gáán. Dat lukt hooguit twee keer per seizoen, soms nooit. Nu ( eind februari, nvdr) loop ik nog niet op automatische piloot maar nog altijd vrij bewust, omdat er accenten zijn waar ik nog moet aan werken en ik daaraan denk tijdens het lopen.”

Waarom niet kiezen voor vlakke afstanden: da’s toch veel makkelijker lopen?

“Ik loop liever over de horden dan op een vlakke afstand omdat de uitdaging groter is. Je moet er telkens over hé. De horden liggen me ook beter. Als ik sprint heb ik het gevoel dat ik iets mis. De uitdaging van de vijf horden van 84 centimeter hoog die daar staan: dát maakt het onderdeel mooi.”

Net als Tia

Nog iets wat je deelt met Tia Hellebaut: een rustig maar vastberaden zelfvertrouwen.

“Tegelijk ben ik ook iemand die toch wel onzeker is, zoals elke topsporter. Zeker in een periode voor een wereldkampioenschap. Je begint te denken of je niet meer dit of dat moet doen, of je wel goed zit. Iedereen zegt van wel, maar toch begin je te twijfelen. Ik kalmeer altijd direct na zo’n twijfelmoment omdat ik sowieso vertrouwen in mezelf en in Wim Vandeven heb, mijn trainer. Het is een normale gang van zaken, een stap in de voorbereiding om je klaar te stomen, om mentaal een versnelling hoger te schakelen.

“Je zoekt die laatste weken vooraf ook een evenwicht tussen trainen, veel rusten, ontspannen blijven en er niet te veel aan te denken maar je er toch mentaal al genoeg op voor te bereiden. Je moet daarnaast de dingen doen die je moet doen. Wim en ik zijn heel gevoelsmatig: we werken planmatig maar gaan niet tot in het oneindige de dingen meten. Ik heb er geen behoefte aan om bepaalde tijden te lopen. Als ik voel dat ik er klaar voor ben, of als Wim zegt dat het in orde is, volstaat dat.”

Eveneens net als Hellebaut zet je op de belangrijkste tornooien je beste prestaties neer.

“Tot nu was ik op internationale kampioenschappen altijd heel goed, dat klopt. Ik denk aan mijn Europese juniorentitel. Op de piste ben ik de brok vertrouwen, maar erbuiten ben ik niet onzeker maar toch rustiger, verlegen soms, zeker in nieuwe situaties. Ik ben niet iemand die in een groep zal opvallen, laat staan de show stelen. Terwijl ik me er op de piste goed bij voel als mensen naar me kijken. Laat me buiten de piste maar gewoon Eline zijn en in de massa verdwijnen.”

Je bent twee handen op één buik met Hellebaut. Waarom?

“We zijn allebei competitiebeesten, willen elkaar geen duimbreed toegeven. Onlangs waren we elkaar aan het jennen tijdens een bostraining. Wat uitdagen, versnellen, zien of de andere nog kan volgen… Tot Tia in de modder onderuitging. ( lacht) Zij en ik kunnen goed met elkaar praten. Niet alleen over atletiek; er zijn ook veel gelijkenissen in de manier van denken. Ze leert me niet onmiddellijk concrete dingen: het gaat meer om inspireren en motiveren. Al van voor ik met haar en Wim trainde hadden we de gewoonte om bij kampioenschappen in de hotellobby geregeld een koffie te drinken en wat te babbelen.”

Lichaam

Wat kom je nog tekort voor de wereldtop?

“Hordelopen heeft veel te maken met maturiteit: je moet heel veel jaren wedstrijden lopen en ervaring opdoen. Mijn besttijd staat op 7.92. Regelmatig 7.90 of 7.95 lopen heeft alleen te maken met maturiteit, met het meer beheersen van je koers, ritme, techniek. Nu zijn er nog te veel schommelingen, en te veel accenten waaraan ik nog werk heb. Ik ben nu 23. Pas vanaf je 25 of 26 begin je te presteren. Dat is geen toeval: bij horden heb je één, twee of zelfs drie jaar langer nodig dan in de sprint voor je echt genoeg stabiliteit hebt. Nu is elk seizoen nog een leerproces: je bent sterker en sneller geworden, je techniek is weer wat veranderd en dan moet je weer wedstrijden lopen en dat allemaal weten om te zetten. Soms duurt dat lang, soms kort. Tot ik op een niveau kom dat ik elke week 12.70 of 12.80 loop op de 100m horden in de openlucht of indoor rond 8 seconden. Maar daarvoor ben ik nog iets te jong. Op alle onderdelen moet ik beter worden, al is de techniek meer dan voldoende. Sneller moet het zeker. 7.37 op 60 meter vlak is een goede besttijd maar op de 100 meter vlak moet ik 11.60 kunnen lopen, tegen 11.77 nu. Hordelopen is tenslotte een sprintnummer.”

In de atletiek ben je een zondagskind: nooit zware tegenslag, jaar na jaar beter.

“Het gaat al jaren goed, dat klopt. Ik denk dat ik elk jaar mijn besttijd op minstens één nummer verbeterd heb, meestal zelfs indoor en outdoor ( sinds ze in 2000 als kadet aan wedstrijden begon deel te nemen, heeft ze inderdaad elk jaar op minstens één afstand haar record verbeterd, nvdr) Hoe komt dat? Altijd heel goede trainers gehad, met vóór Wim Gilbert Van Hamme en Patrick Himschoot. De manier van trainen klopt blijkbaar al die jaren. En ik ben nooit vlug tevreden: ik wil altijd beter doen. Zelfs in een moeilijk jaar met tegenslag, die ook ik al zeker gehad heb, probeer ik altijd te verbeteren. En ik ben tot nu gespaard gebleven van grote blessures. Ook dat ligt vooral aan de manier van trainen en omgaan met rust, denk ik. En aan het geluk dat mijn lichaam gemaakt is voor topsport als ik mijn osteopaat Frédéric Van Burm mag geloven. Al een jaar of drie vrees ik dat het toch eens één seizoen minder zal gaan. Maar nee.”

door frank van de winkel

“Ik ben nu 23. Pas vanaf je 25 of 26 begin je in hordelopen te presteren.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier