In zijn derde jaar in België hoort de Venezolaan Roberto Rosales bijna wekelijks bij de uitblinkers van AA Gent. Hij kan dat straks ook weer bewijzen op het veld van Standard. ‘Ik speel dit seizoen mijn beste wedstrijden.’

Zijn stijlvol ingerichte appartement bevindt zich op twee minuten van het Ottenstadion en op vijf minuten van het oefencomplex van AA Gent. Beter kan je als Gentspeler niet zitten. Het enige nadeel in de zomer is dat er veel lawaai van de straat komt als de ramen vooraan openstaan. “Maar ik kan ook de vensters achteraan open zetten en dan valt het lawaai wel mee”, lacht Roberto Rosales (21).

De Venezolaan is aan zijn beste seizoen ooit bezig. Toen Roy Myrie zich blesseerde en voor een tijdje out was, kreeg Rosales zijn kans op de rechtsachter. Die greep hij met beide voeten. Niet alleen verdedigend trekt hij zijn streng, met drie goals en drie assists speelt hij ook offensief een rol. Bovendien is hij een van de lievelingen van het Gentse publiek, dat hem dit seizoen al meermaals tot ‘man van de match’ kroonde. Ook Filip Joos is gecharmeerd van hem. De VRT-journalist liet nog niet zo lang geleden in dit blad het volgende optekenen: “Ik vind Rosales een geweldige rechtsback, ideaal om spitsen aan te spelen die diep gaan.” Kortom: hoog tijd voor een gesprek.

Bijna drie jaar geleden kwam je op je achttiende moederziel alleen naar België. Hoe was dat?

Roberto Rosales: “Moeilijk. Ik sprak geen Engels, alleen Spaans. In het begin zat ik op hotel in Gent. Mijn geluk was dat de man die dat hotel runde, een beetje Spaans sprak. Hij was een grote hulp. Ik at ook altijd daar, dus veel boodschappen moest ik niet doen.

“Ook de eerste weken op training waren heel moeilijk. Ik begreep niks van wat er gezegd werd. Ik wist vaak niet wat ik moest doen of laten. Gelukkig waren er met Bryan ( Ruiz, nvdr) en Randall ( Azofeifa, nvdr) nog een paar Spaanstaligen. En Chris ( Van Puyvelde, de toenmalige hulptrainer, nvdr) sprak ook wat Spaans.

“Nu is dat met Manu ( Ferrera, nvdr) allemaal veel gemakkelijker, omdat hij vloeiend Spaans spreekt. Maar ondertussen gaat het ook al beter met mijn Engels.”

Scoren

In je eerste jaar was Trond Sollied je trainer, sinds vorig seizoen is dat Michel Preud’homme. Wat is voor jou het verschil tussen de twee?

“Het zijn allebei winnaars, maar op een totaal verschillende manier. Preud’homme houdt ervan om hard te werken en veel te trainen. Hij is heel veeleisend. Voortdurend legt hij de trainingen stil om uit te leggen wat er moet gebeuren. Hij zit er met zijn neus op en zegt wat je goed doet en wat je slecht doet.

Sollied praatte minder. Hij observeerde graag op training. Een echt gesprek heb ik met hem nooit gehad. Met Preud’homme is er meer persoonlijk contact.”

Preud’homme is ook iemand die langs de lijn heel erg kan opgaan in een wedstrijd. Hoe ervaar je dat op het veld?

“Zijn geroep houdt me scherp. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat je een beetje staat te slapen of dat je niet gemotiveerd genoeg aan de wedstrijd begint. Hij maakt je dan wakker. Met als gevolg dat je beter gaat spelen. Ik vind dat dus wel positief.”

Na jullie verloren thuiswedstrijd tegen STVV (0-1) vond Preud’homme dat de Gentse supporters te veeleisend waren omdat ze op het einde van de eerste helft al begonnen te fluiten. Wat vind jij daarvan?

“De supporters zijn fantastisch, en het is ook logisch dat ze niet willen verliezen. Ze zijn veeleisend, en dat motiveert je als speler ook om alles te geven. Soms draait het echter niet uit zoals je zou willen. Tegen STVV bijvoorbeeld hadden we in de eerste helft een paar kansen, maar door pech gaan die er niet in …

“Je kan van ons inderdaad niet verwachten dat wij elke wedstrijd met 2-0 of 3-0 winnen. Ik vind dus ook wel dat het publiek soms een beetje overdrijft.”

Je haalt het aan: veel kansen maar weinig doelpunten. In de competitie heeft AA Gent in 2010 nog maar vier keer gescoord in zeven wedstrijden. Hoe verklaar je dat?

“Aan het aantal kansen dat we creëren, ligt het niet. Op training oefenen we nu meer op de afwerking, zodat dat aspect in de volgende wedstrijden verbetert. Maar dat we zo moeilijk scoren, is uiteindelijk de schuld van de hele ploeg. We hebben naar mijn gevoel ook geen geluk: we trappen op de paal, de keeper haalt ‘m er in extremis nog uit, de bal botst net verkeerd, …”

De staat van de grasmat in het Ottenstadion helpt waarschijnlijk ook niet echt?

“Inderdaad. De staat van de grasmat is niet perfect. Dat maakt het moeilijker om te combineren.”

Top & flop

Het is je derde seizoen hier. Van welke voetballers bij AA Gent was je in de afgelopen jaren het meest onder de indruk?

“In mijn eerste jaar zat Fadiga hier. Ik kende hem niet, maar vernam dan dat hij met Senegal een WK had gespeeld. Hij was echt een speler die het verschil kon maken. Het was een plezier om met hem samen te voetballen. Nu heb je bij Gent ook nog zulke spelers: Zlatan Ljubijankic, Elimane Coulibaly, …”

En zijn er ook voetballers die je op persoonlijk vlak iets bijgebracht hebben?

“Ja, Bryan Ruiz. Hij hecht veel belang aan zijn familie en vrienden, en dat merk je ook aan de manier waarop hij met hen omgaat. Voetbal is immers niet alleen tegen een bal trappen, het is ook mensen leren kennen en vrienden maken.”

Als je nu terugkijkt op je periode bij Gent, wat beschouw je dan als een topmoment en wat als een flopmoment?

“Mijn eerste zes maanden hier onder Sollied waren een flop, omdat ik steevast met de reserven moest spelen. Dat ik geen enkele minuut speeltijd bij de A-ploeg kreeg, zat me wel dwars, maar ik was toen natuurlijk nog erg jong. En op mijn positie voetbalde Guillaume Gillet, ook niet de minste.

“Top is voor mij: dit seizoen. Ik speel nu mijn beste wedstrijden. De bekerfinale in 2008 was ook een mooi moment, maar die verloren we ( met 3-2 tegen Anderlecht, nvdr).”

En hoe zie je de toekomst?

“Ik ben heel tevreden hier. De supporters, het bestuur, de spelers, … iedereen behandelt me goed. Ik heb nog een contract tot juni 2011, maar een voetballer wil natuurlijk verbeteren. Ik heb er altijd van gedroomd om in Engeland of Spanje te spelen. De tijd zal uitwijzen wat er gebeurt.”

In Engeland gaat het er wel wat harder aan toe. Vrees je dan niet voor je rechterenkel (voor hij naar Gent ging, werd Rosales afgetest bij Anderlecht omdat zijn rechterenkel te zwak was)?

“Ik denk dat er nooit echt een probleem geweest is met mijn rechterenkel. Anderlecht zei me dat het gewoon geen risico wilde nemen, omdat het een aantal jaren daarvoor een speler had gehad die zich aan de enkel geblesseerd had en daarna nooit meer terug op niveau kwam. En dat wilden ze geen tweede keer meemaken.”

Vrouwenvoetbal

Je bracht je jeugd door in Caracas, de hoofdstad van Venezuela. Dat zou een van de gevaarlijkste steden ter wereld zijn. Is dat zo?

“Het huis van mijn grootmoeder, waar ik opgegroeid ben, staat in de wijk 23 de Enero en die heeft niet zo’n goede reputatie qua veiligheid. Maar als je een beetje uit je doppen kijkt en niet op plaatsen komt waar je niet moet zijn, loop je geen gevaar, hoor. Ik heb gelukkig nooit iets meegemaakt.”

Hoe waren je jeugdjaren?

“Ik had een vrij normale jeugd, waarin vooral familie en school belangrijk waren. Eigenlijk logeerde ik van jongs af bij mijn grootmoeder. Zij had een huis in het centrum van de stad, op twee minuutjes wandelen van mijn school. Het huis van mijn ouders bevond zich aan de rand van Caracas, maar als ik daar zat, moest ik om 6 uur opstaan en deed ik er een uur over om op school te raken. Ook mijn moeder Soraya, die in het centrum werkte, en mijn oudere zus Aileen, die samen met mij naar school ging, woonden bij mijn grootmoeder.

“Mijn vader heet ook Roberto en is een gepensioneerde leraar lichamelijke opvoeding. Vroeger is hij ook profvoetballer geweest, maar dan alleen bij Venezolaanse clubs.”

Niet alleen je vader, maar ook je zus en je moeder hebben iets met voetbal …

“Ja, dat klopt. Mijn moeder heeft altijd graag gevoetbald. Vroeger, toen ze uitkwam in de officiële veteranenliga, deed ze samen met mij oefeningen met de bal. Nu speelt ze nog altijd elke zondag. Zonder inzet hoor, gewoon vriendschappelijke wedstrijdjes.

“Mijn zus is anderhalf jaar geleden gestopt met voetballen. Ze is erg goed, maar ze kon het niet meer combineren met haar werk. Bovendien verdiende ze haast niets met het voetbal. Nu speelt ze af en toe nog mee in het ploegje van mijn moeder.”

Over vrouwenvoetbal wordt soms nogal lacherig gedaan. Wat vind jij daar dan van?

“Ik vind dat vrouwen ook het recht hebben om te voetballen. Je moet de vrouwenploegen van pakweg Brazilië, Duitsland of de Verenigde Staten maar eens bezig zien. Dat zijn best goeie wedstrijden, hoor. In Vene-zuela krijgt het vrouwenvoetbal wel genoeg steun van de voetbalbond, maar er is een gebrek aan sponsoring en infrastructuur.

“Ik vind wel dat er wat meer agressiviteit is tussen vrouwen dan tussen mannen. Maar dat is normaal: er ontstaan nu eenmaal makkelijker wrijvingen tussen vrouwen.”

Buren

Je vader heeft je opgevoed met drie woorden: discipline, opoffering en nederigheid. Wat betekenen die woorden voor jou?

“Discipline is: weten wanneer je serieus moet werken, wanneer je moet rusten, of wanneer je plezier mag maken met je vrienden. Op tijd komen ook.

“Opoffering is: genoeg inspanningen doen om te bereiken wat je wil bereiken. Toen ik klein was, was ik een heel gedreven leerling. Ik wilde goede cijfers halen op school. En dat is ook gelukt. Zin om te studeren heb ik ook nu nog, maar als profvoetballer is dat moeilijk. Zoals mijn vader leraar lichamelijke opvoeding worden, dat zegt me bijvoorbeeld wel wat. Of informatica studeren.

“Nederigheid is: nooit vergeten waar je vandaan komt. Altijd dezelfde persoon blijven, hoeveel geld je ook verdient of hoeveel succes je ook hebt. Dat vind ik erg belangrijk.”

Ben je er trots op om Venezolaan te zijn?

“Ja natuurlijk. 24 juni is bijvoorbeeld onze nationale feestdag. Dan vieren we eigenlijk het begin van de onafhankelijkheid van Venezuela ( op 24 juni 1821 boekten Venezolaanse onafhankelijkheidsstrijders onder leiding van Simón Bolívar een belangrijke overwinning op de Spaanse troepen, nvdr). Omdat de voorbereiding op het nieuwe seizoen dan al bezig is, heb ik de afgelopen jaren die feestdag in België gevierd. Dan hang ik de Venezolaanse vlag op mijn balkon zodat iedereen ze goed kan zien.”

Wat zijn voor jou de verschillen tussen Venezuela en België?

“Ten eerste de organisatie. Het openbaar vervoer is hier enorm stipt, het afval wordt om de zoveel tijd opgehaald, … In Venezuela verloopt dat allemaal wat minder gestructureerd. Ten tweede: je kan hier met een gerust hart de straat op gaan. Er is minder delinquentie, je moet niet constant op je hoede zijn voor dieven of mogelijk gevaar.”

Nu noem je de voordelen van België, zijn er ook nadelen?

( lacht) “Het weer! Ik ben een tropisch klimaat gewoon. Als je dan met grillig weer geconfronteerd wordt, is dat wel even aanpassen.

“De mensen zijn hier misschien ook wat meer gesloten. Belgen zitten graag in hun huis. In Venezuela leven de mensen meer op straat en zijn ze vriendelijker in de omgang. Waar ik woon in Caracas, ken ik alle buren. We praten ook constant met elkaar. De andere persoon die hier in dit gebouw op appartement zit, heb ik in totaal nog maar vier keer gezien.”

Rechtsachter

Tijdens Club Brugge – Valencia zat je in de tribune vlak bij de vrouw van Antolin Alcaraz. Beschrijf eens wat je daar toen gezien hebt.

“Ze was Spaans aan het praten en een Bruggesupporter dacht dat ze Valencia kwam aanmoedigen en hij begon tegen haar te roepen. Toen ze hem probeerde duidelijk te maken dat ze de vrouw van Alcaraz was, sloeg hij haar op de hand.

“Dat zijn natuurlijk dingen die niet mogen gebeuren. Ik vind dat racistisch. Het verrast me ergens toch wel dat dat kan gebeuren in België. In Venezuela zijn er ook wel eens spanningen in een stadion, maar is er nooit echt fysieke agressie, behalve wanneer er alcohol mee gemoeid is. Maar die meneer in Brugge was niet dronken, hij was zich heel bewust van wat hij deed.”

Ben jij hier ooit racistisch behandeld?

“Nee, nooit. Niet in het dagelijkse leven, en ook niet op het veld.”

Je zit geregeld in de tribune van het Jan Breydelstadion. Is dat omdat ze daar nog een goede rechtsachter zoeken?

“Nee nee, dat heeft er niks mee te maken. Ik ga kijken omdat mijn goede vriend Ronald daar speelt. Ik heb een heel goede band met de familie Vargas. Soms nodigt vader Vargas me uit om naar een wedstrijd van Club Brugge te gaan, en als ik niks te doen heb, zeg ik daar geen nee tegen.”

Zou je het niet leuk vinden om in dezelfde ploeg als Vargas te voetballen?

“Ja, in Venezuela speelden we al samen bij FC Caracas. Maar goed, hij zit nu in Brugge, en ik voetbal bij Gent.”

Stond je bij Caracas ook al op de rechtsachter?

“In het begin niet. Toen speelde ik in de B-ploeg, die in de Venezolaanse tweede klasse uitkwam. Daar was ik verdedigende middenvelder. Maar op het moment dat ik in de A-kern terechtkwam, werd ik wel uitgespeeld als rechtsachter. Dat is ook mijn positie bij de nationale ploeg. En ik moet zeggen: die plaats ligt me wel.”

Waarin moet je nog beter worden?

“In het verdedigende aspect. Daar moet ik nog aan werken. Een completere verdediger worden. Na elke wedstrijd bekijken we samen met de technische staf de beelden, en daar heb ik al veel uit geleerd.”

door steve van herpe – beelden: jelle vermeersch

Op onze nationale feestdag hang ik de vlag van Venezuela aan mijn balkon. Het publiek overdrijft soms een beetje.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier