Jan Ceulemans glunderde stiekem terwijl Westerlo door de heenronde walste. Eindelijk een fonkeling na die inktzwarte anticlimax bij Club, die nog altijd nazindert. Een babbel met de Caje over de Caje. ‘Na dat ontslag heb ik in zekere zin genoten.’

J an Ceulemans wordt in de voetbalwereld aangezien als een vredige figuur. Een ideale gesprekspartner dus in deze tijd van het jaar. Maar betekent Kerstmis eigenlijk nog iets speciaals voor Jan Ceulemans? Jan Ceulemans: “Niet bepaald. Ik ga tijdens de winterstop op vakantie. Het is belangrijk dat je er even uit bent. Dit is een van de weinige weken waarin dat kan. Mijn vrouw en ik zoeken de zon op, in Spanje. Daar hangt dan toch direct een heel andere sfeer. Maar uiteraard is dat ook met een diner en al die toestanden.

“Mijn twee dochters blijven hier. Vroeger, toen mijn vader nog leefde, vierden we het regelmatig met de familie. Daar stapten we een beetje van af.”

Een mens zou er nochtans geld op verwed hebben dat jij een man bent die op zulke dagen de mensen rond zich wil hebben die dicht bij hem staan.

“We zitten ook dikwijls samen, met mijn broer en zo. Bijna wekelijks, ’s zondagsnamiddags, een pintje drinken en een stukske eten. Maar Kerstmis, dat is niet mijn dag.”

Te veel poeha?

“Dat moet iedereen voor zichzelf uitmaken. Veel mensen vinden dat belangrijke dagen. Daar moet je respect voor hebben. Ik heb er geen problemen mee, maar voor mij hoeft het ook niet zo. Alles wat met feesten te maken heeft en van moeten is, daar doe ik niet graag aan mee. Ik ga liever gewoon eens wandelen, om daar dan een feest te maken. Spontaan. Iets drinken, daar blijven zitten, iemand tegenkomen …”

Pootjes op de grond

Bij veel mensen slaat de eenzaamheid toe in de eindejaarsperiode. Jij bent ook niet graag alleen. Toen je nog bij Club werkte, had je graag dat je vrouw vaak afzakte naar het appartement dat je aan de kust had.

“Ik denk dat heel weinig mensen graag alleen zitten. Overdag is dat geen probleem, dan ben je bezig. Maar ’s avonds is het toch gezellig als je af en toe iets kunt zeggen. ( droogjes) Zo altijd tegen jezelf zitten babbelen is ook maar belachelijk.

“Ik ben bij wijze van spreken nooit alleen geweest. Van klein af zat ik tussen het volk. Grote mensen, maar toch. Mijn ouders hadden een café. Iedere keer dat mijn broer en ik naar buiten gingen, moesten we erdoor. We woonden erboven en erachter.

“Tegenover ons huis waren twee pleintjes. Daar kwamen veel kinderen spelen. Elke avond was er iets te doen. In de vakantie moest je daar om acht uur zijn of je kon niet meer meedoen.

“In die tijd zaten de mensen ook buiten als het goed weer was. Dat creëert iets.”

Wat voor band had je als kind met je ouders?

“Een heel goede.”

Na je ontslag bij Club ging je quasi elke dag bij je moeder. Bood zij troost?

“Ik woon op drie à vier kilometer van haar. Voor mij is het logisch dat ik daar langsga als ik tijd heb. Maar over het ontslag babbelen? Nee ( lacht). Ik zet dat gemakkelijk van mij af … Ik heb niet veel behoefte om daar met andere mensen over te praten, ook niet met familieleden.”

Je voelde je na dat ontslag bij Club natuurlijk wel slecht.

“Ja, maar dan nog voel ik niet de drang om tegen iedereen dat verhaal te vertellen.”

Je moeder is niet iedereen.

“Ze werd onlangs 86 en was in die periode 83. Bij een mensje van die leeftijd moet je geen uitleg beginnen te doen over het hoe en waarom.”

Ze zat waarschijnlijk wel met je in.

“Daar ben ik van overtuigd. Maar ik heb altijd gezegd: ‘Ge moet naar mij niet kijken, ik geraak wel met mijn twee pootjes weer op de grond.’ Omdat je zoiets incalculeert. Ik weet waar ik mee bezig ben en dat de kans op zo’n ontslag bestaat in dit vak. Als je denkt dat het niet gebeurt, dán krijg je pas grote problemen.”

Grootbrengen en loslaten

Ben jij zelf een vader zoals je een trainer bent: alles vanop een afstand gadeslaan en een serieuze impact hebben in een persoonlijk gesprek als het moet?

“Ik denk het wel. Overzicht houden en een beetje vrijheid geven. Zo ging dat ook bij mijn ouders, die hadden hun café en zaten ook niet dag en nacht op mijn vingers te kijken.

“Ik denk dat het een van de belangrijkste opgaven is van een ouder, je mag in de opvoeding een beetje druk zetten, maar niet overdreven. Die kinderen moeten hun eigen leven kunnen leiden. Ouders dienen om hun kinderen groot te brengen en dan los te laten. Dat is de realiteit. Dat is het leven.”

Frappant welke invloed jij face to face kunt hebben. Tosin Dosunmu raakte hier in de voorbereiding van het seizoen 2004/05 geen bal, maar na een onderhoud met jou stampte hij er plots vijf binnen in de eerste twee matchen van de competitie.

“Ja … En toen was hij weg ( lacht).

“Een individuele babbel, dat is voor een speler vaak gemakkelijker en beter. Onder vier ogen zeggen wat je te zeggen hebt. Ik denk dat ze dat ook liever hebben.”

Ben je in de loop der jaren meer of minder met je spelers gaan praten?

“Dat bleef ongeveer hetzelfde. Ik babbel niet iedere dag met die mannen. Ten eerste vind ik dat niet nodig. Ten tweede denk ik ook niet dat zij daar nood aan hebben. En wat moet je altijd zeggen?

“Nee, je roept ze even bij jou als je op training iets ziet wat je niet aanstaat. Van tel is dat je die momenten goed uitkiest, denk ik.

“Praten met mijn jongens is altijd belangrijk geweest. Ik had dat vroeger zelf ook al eens graag, hoewel ik altijd mocht meedoen. Een schouderklopje. ‘Je hebt je best gedaan.’ Ik denk dat zelfs iemand als Ronaldo zoiets nog altijd apprecieert. Veel belangrijker dan uren te liggen discussiëren. Vandaar dat ik dat altijd gedaan heb: zeggen dat het goed is, en af en toe ook eens aangeven wat misloopt en wat je verlangt.”

Niet in paniek raken

Je liet je onlangs ontvallen dat je aan je laatste jaren op topniveau bezig bent. Zul je stoppen met het gevoel dat je niet alleen als speler, maar ook als trainer …

“( onderbreekt) Ik haalde toch in een aantal clubs resultaten. Het kunnen niet allemaal toptrainers zijn. Maar ik mag sowieso niet klagen. Als je ziet hoeveel jongens het nu moeilijk hebben om werk te vinden. Ik ben van mijn 35ste bezig, word er 52 en had enkel even tussenstops na Aalst en Club.”

Je vindt jezelf geen toptrainer?

“Ik denk dat er weinig toptrainers bestaan.

“Er zijn goede trainers en heel goede. Slechte niet.”

Waarom niet?

“Omdat trainers in grote mate gemaakt worden door de spelers. En: of een bal tegen de binnen- dan wel de buitenkant van de paal gaat, kan voor de journalisten en de omgeving het verschil maken tussen als goed of als slecht aangezien worden. Ik denk dat elke trainer tweehonderd procent zijn best doet.”

Dat neemt niet weg dat er toch moeten zijn met een slechte aanpak of met slechte ideeën over voetbal?

“Ja, oké, maar dat zal toch een minderheid zijn.”

Wat mankeer jij om een toptrainer te zijn?

“Dat weet ik niet. Ik ben tevreden met wat ik heb.”

Dat is bekend. Maar je kunt toch zeggen: mocht ik dit of dat nog hebben, dan kwam ik er al dichter bij?

“Een van de grote punten is dat je niet in paniek mag raken.”

Dat lijkt mij net een van je sterke punten.

“Ja, ik ben daar goed in. ( droogjes) Maar anderen niet. ( lacht) En dan kom je in de problemen en word je ineens ontslagen.

“Vroeger werd bij de aanwerving van een trainer gezegd dat die twee à drie jaar de kans zou krijgen om iets op te bouwen. Die tijd is al lang voorbij. Als een trainer nu ontslagen wordt, denk ik vaak: als je die zou laten werken, kan het klikken. Zelfs als de resultaten wat tegenvallen. Op voorwaarde dat de relatie spelers-trainer goed zit natuurlijk. Ik maakte als speler een jaar mee met Georges Leekens waarin we Europees en in de beker uitgeschakeld waren, en waarin we op korte tijd zeven of acht punten achterstand hadden op de competitieleider. Alles leek verloren. Maar we stonden als groep achter onze trainer. We verloren niet meer en werden kampioen.”

Samengevat: als je een spelersgroep krijgt die top is en een rustige entourage, dan ben jij een toptrainer?

“De meesten, denk ik.”

800 meter en overgeven

Leer je als trainer nu nog nieuwe dingen bij over voetbal?

“Uiteraard. Je moet dat ook wat blijven volgen, hé. Ik sta voor vrij veel open. Vroeger had ik dat minder. Omdat ik dan meestal vond dat mijn gedacht het beste was. Ik luister meer. Naar al die zaken over testen bijvoorbeeld. En als het mij aanstaat, dan doen we het. Ik evolueerde mee en voel dat als positief aan, omdat ik zie wat we daarmee bereikten. Niet alleen qua resultaten. We kennen ook nog weinig echte spierblessures.

“De trainingsmethoden veranderden helemaal. Vroeger liepen wij tien keer 800 meter en als we dan niet moesten overgeven, hadden we zogezegd niet goed getraind. Als je nu op de Heizelschool één training met weerstand geeft, ben je gebuisd.”

Als je nog bijleert, is het dan vooral op wetenschappelijk gebied?

“Op alle gebied. Ik heb het voetbal niet uitgevonden. Laat daar vooral geen misverstand over bestaan. Ik heb er wel mijn idee over, zoals iedereen. Maar daar kan altijd over geklapt worden.”

Jij spreekt als trainer niet alleen voetballiefhebbers aan, maar evengoed pakweg moeders.

“( lacht) Dat is het eerste wat ik daarvan hoor. Dat zullen dan wel moeders zijn van mijn leeftijd, die me wat gevolgd hebben en denken: ‘Verdomme, die is nog niet veranderd.’ Daar ben ik in zekere zin wel fier op, dat ik gebleven ben wie ik was. Veel mensen die me kennen, zullen dat beamen. Ik heb daar een goed gevoel bij. Omdat ik dat over mezelf ook denk.”

Ik hoorde een jonge trainer zich onlangs luidop afvragen of eerlijkheid wel dé weg is in dit wereldje.

“Wat mij betreft wel. Als mijn ploeg niet goed speelt, zeg ik dat. Veel trainers kunnen dat niet toegeven. Die zoeken dan excuses of hebben het plots anders gezien dan die duizenden mensen in het stadion. Ik lig er niet wakker van, maar ik stel mij daar wel vragen bij.”

Je zei wel al eens: ‘Ik ben altijd eerlijk en soms is dat niet goed.’

“Dat kan. Maar ik hou me er toch aan. Ik weet dat ik af en toe iets anders zou moeten zeggen. Maar dat gaat niet. Als ik die ploeg niet goed zie spelen, kan ik toch niet het tegenovergestelde beweren?

“Dan roepen ze dat je je groep moet beschermen. Ik denk dat je je op zo’n moment meer belachelijk maakt dan dat je hen beschermt. Een groep, daar moet je altijd mee oppassen. Die kan je bij wijze van spreken ook vierkant uitlachen.”

Buitenspel? (maal zes)

Werd het voetbal door de jaren heen plezanter?

“De druk van buiten uit is anders, van de tv in het bijzonder. Vroeger discussieerde heel het stadion over de vraag of het buitenspel was of niet. De helft vond van wel, de andere van niet. Na vijf minuten was dat gedaan. Nu wordt zoiets achteraf zes keer herhaald op tv. ‘Zie je wel, geen buitenspel.’ En dan begin je als trainer ook te zeggen: ‘Als die niet gevlagd had, dan kon die spits doorgaan …’ Je gaat daarin mee.

“Het gaat over geld natuurlijk. Ik weet ook wel dat clubs niet slecht varen bij dat verhaal van Belgacom-tv, maar voor ons in het algemeen is het geen goede zaak dat de camera’s constant aanwezig zijn. Dat maakt het minder plezant.”

Is het voetbal mooier geworden?

“Soms is er nu zo’n toon: die mannen van 1986 in Mexico, ongelooflijk, cool enzovoort. Zo was het ook niet, we moeten daar eerlijk in zijn. Wij speelden ook slechte matchen. Het verschil is dat we nu alles zien. Als je vroeger naar Westerlo-Cercle wilde kijken, moest je naar hier komen.”

Zul je het missen als je eruit stapt?

Ik zen nog ni weg éh. Ik heb niet gezegd dat ik zou stoppen. Ik heb gezegd dat ik misschien naar een lager niveau zou gaan.

“Maar ik ben geen man die tot zijn zestigste in het voetbal zal blijven, ook niet op een lager niveau.”

Zal je het hoogste niveau missen?

“Ik denk het niet.”

Vind je het een circustent?

“( knikt en herpakt zich dan) Een circustent noem ik het niet, maar toch een wereld waarin je altijd op je hoede moet zijn, waar niet alles simpel ligt en waar je – spijtig genoeg – niet alles volledig in eigen handen hebt. Dat maakt het interessanter, maar ook moeilijker. Dan moet je heel sterk in je schoenen staan om het een hele periode vol te houden.”

Zul je stoppen met het gevoel dat je het maximum uit je trainerscarrière haalde?

“Ik kreeg bij Club niet honderd procent de kans om me te bewijzen. Dan weet je niet of het het maximum is.”

Wringt dat nog?

“Neen, dat is over. Op een gegeven moment moet je de knop omdraaien.”

Op het randje

Heb je last met ouder worden?

“Geen enkel probleem. Dat hoort bij het leven. Als je dat niet beseft, ben je niet goed bezig, want dan zul je je alsmaar slechter beginnen te voelen. En ik denk toch nog altijd dat het je betrachting moet zijn om op welke leeftijd dan ook er het beste van te maken, om op je eigen manier te genieten van het leven. Je kunt zitten vloeken: de veertig voorbij! En: verdomme, de vijftig voorbij. Maar dan kruip je ineen. Dat kan niet de bedoeling zijn.”

Over Jason Vandelannoite zei je ooit: ‘Het kopje moet helder blijven bij hem, want als je jong bent, is de wereld mooi.’ Blijft die mooi na je vijftigste?

“Ik zou uiteraard liever 25 zijn en weten wat ik nu weet ( lacht). Maar iedere leeftijd heeft zijn charmes. Zo voel ik het nog altijd aan.”

Aan wat, naast je gehavende knie, voel je dat je ouder wordt?

“Toen ik vroeger iets ging drinken en de volgende ochtend om zeven uur opstond, had ik geen koppijn. Nu wel. Ook als ik de avond voordien niet weggeweest ben, wringt dat opstaan. Op mijn twintigste sprong ik uit mijn bed. Nu zit ik toch wel efkes op ’t randeke …”

Je kijkt ernaar uit om over een paar jaar, als je stopt op het hoogste niveau, weer drie à vier keer per jaar met je vrouw op reis te gaan.

“Je komt in een andere context. Dan heb je meer tijd.

“De eerste maanden na mijn ontslag bij Club moest ik wat bekomen. Maar nadien ging er toch een wereld open waarover ik zei: ‘Dat is plezant.’ Van die periode heb ik in zekere zin genoten: doen wat je graag doet. Ik weet niet of dat vol te houden is, maar ik veronderstel van wel. Ja, ik zie dat zitten. Giejnen druk, giejnen ziejver.” S

door kristof de ryck

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier