Tweede klasse is de reeks van de desillusie en de hoop. Sommige clubs speelden al in eerste, andere dromen ervan er ooit eens bij te raken, maar allemaal vrezen ze hetzelfde: de realiteit. Aflevering 1 van een driedelige reeks: de lijn Oostende-Eupen.

De beslissing viel vorige week: door het faillissement van Moeskroen zakt er dit seizoen maar één club rechtstreeks uit tweede klasse. Daarmee is de wens van de ploegen uit de EXQI League ingewilligd – derdeklassers, die op twee stijgers hoopten, ten spijt. Een lichtpuntje was het voor de “underdog van alle afdelingen” zoals iemand de reeks omschreef, een reeks waar ploegen ooit groot zijn geweest of het ooit (weer) willen worden, soms tegen beter weten in, zo blijkt na een rit van Oostende naar Eupen: 311 km langs 8 clubs.

KM 0 : Eddy & Reddy

De bende van voorzitter Eddy “ik heb nog nooit een kabeljauw op de tribune zien zitten” Vergeylen stapte in en uit en het sympathieke visserssloepje van KVO ging heen en weer. Van tweede naar eerste (93) en terug (95) en opnieuw (98-99) en opnieuw (04-05). Op kosten van de veerman. Reddy De Mey, Oostendenaar en voormalig BRT-nieuwsanker, geeuwt net niet. “Dat ééuwige verhaal. Vergeylen sprak altijd over een halve cirkel en het feit dat ze geen publiek uit Engeland konden aantrekken, maar er is een tijd geweest, in de jaren zeventig, dat beide ploegen van Oostende ( VG en AS, die in 1981 fusioneerden tot KV, nvdr) in derde speelden en Engelse spelers hadden. Ze lieten hen ergens in Kent trainen, op donderdag kwamen ze met de ferry, ze namen het ervan en speelden in het weekend mee. Typisch Engelse spitsen: bonken. In 2007 is er ook een contact geweest van KV Oostende met Celtic Glasgow om samen te werken, maar dat is nooit doorgevoerd. In tweede klasse zou dat klassieke Engelse voetbal volgens mij nochtans kunnen renderen.”

Ondertussen wordt KV Oostende geleid door Vergeylens opvolger: Yves Le- jaeghere, de man achter onder andere de Open Bedrijven Dag. En die is ambitieus, zegt hij in de nieuwjaarseditie van het clubblad: “Het is niet onbegrijpelijk als je dagelijks een dagschotel krijgt, dat je weer eens zin hebt in het gastronomische menu.”

“Ik moet wel zeggen”, zegt Reddy De Mey, die nu interviews en beschouwingen maakt voor de clubwebsite, “dat hij structuur in de club heeft gebracht en hij is erin geslaagd om Sleuyter, die na Vergeylen weggegaan was, terug te halen als grote sponsor. Hij stichtte een comité waarvan veel bestuursleden je vroegen waarvoor het was als je ze wou interviewen. Als het voor de radio was, mocht het, maar voor de tv niet. Want er waren er die een derde hypotheek op hun huis hadden genomen om in de club te investeren, zonder dat hun vrouw dat wist. Dat waren nog de echte.”

Maar betekent voetbal in Oostende nog iets?

“Och, wie hier ook komt als trainer, die zal daar wel zijn werk van maken en in de middenmoot eindigen. Maar het leeft niet meer in Oostende. Het hoofdkwartier van de ambiancemakers, de Kustboys, is bijvoorbeeld ook in Gistel, niet híér, hé. Midden in de zomer, in juli, was er een reünie van de AS Oostendespelers. Vólk! Dát leefde nog. Bijna al die oud-spelers waren er. Maar die mentaliteit, dat is verleden tijd. Oostende is geen voetbalstad meer. Mocht je dat nu doen, zo’n reünie, voor KVO, je haalt geen tiende. Een Oostendenaar is een zeer moeilijk karakter. Een viswijfmentaliteit, zoals ze zeggen. Roddelen, commeren en al. Maar van de andere kant is een Oostendenaar te weinig chauvinistisch. Alle spelers komen na de wedstrijd afzonderlijk naar buiten, springen in hun auto en zijn weg. Ik vrees dat Oostende gedoemd is om in het beste geval via een ander competitiesysteem eens in eerste te raken. Iedereen doet hier zijn best, maar …”

… de vraag luidt nog steeds: wie betaalt de veerman?

KM 78 : Boem!?

In 1778 richt Jan Frans Cooppal in Wetteren de Koninklijke Buskruitfabriek Cooppal op, in de volksmond bekend als ’t Poerkot; nu is hij een straatnaambordje op de parkeerplaatsen naast de kantine van Standaard Wetteren. De Wetteren Steenweg, 50 meter lang en alleen voor voetgangers en fietsers, loopt er ook langs.

Een aardigheidje van de vorige voorzitter, wijlen Marcel De Kerpel, die de ploeg financieel van provinciale naar derde klasse bracht. Dit seizoen speelt de club voor het eerst in tweede klasse. Dat maakt Standaard Wetteren apart.

“We zijn geen vastgeroeste tweedeklasser, zoals we er veel tegenkomen en die al jaren vechten om weer naar eerste klasse te kunnen”, zegt manager-trainer Wim De Corte. “We spelen nu in feite al boven wat de club aankan. Ik heb bij het begin van het seizoen tegen mijn groep gezegd: we doen ons ding en de club zal zich moeten draaien en keren om mee te kunnen met wat we sportief bereiken. Bij momenten moeten we alle zeilen bijzetten om een tweedeklasser te worden, want dat zijn we nog totaal niet. Noch financieel, noch organisatorisch. We moeten heel veel corrigeren en afwijkingen aanvragen.”

Een mens zou uit medelijden nog gaan hopen dat ze snel weer naar derde zakken.

“Pas op, je zegt daar zoiets, maar sommige mensen hebben dat hier al herhaaldelijk gezegd. Voor iemand uit de voetbalcel is dat eenvoudig, maar wij worden van alle kanten op kosten gejaagd. De licentiecommissie, Binnenlandse Zaken … Een veiligheidsverantwoordelijke die, terecht, bang is om 250 of 1000 euro boete op te lopen … dat pictogram moet op die deur, de deur draait zo of zo open, daar moet een steward bij die er niet staat, zo veel euro, fietsen die niet vast liggen, hup 80 euro … een vuilnisbak die los staat … betalen …750 zitplaatsen tegen 1 juli, 13.000 à 14.000 euro voor veiligheidcamera’s, investeren in brandwerende deuren, 11.000 euro …”

Maar zichzelf opblazen willen ze niet: Wetteren wil blijven werken met spelers uit de streek en malcontenten van elders die op revanche uit zijn.

“Wij moeten het echt niet doen met centen, want zelfs in derde staan we dan op de vierde, vijfde rij. We hoeven ons toch ook niet te veranderen omdat de geplogenheden van tweede zo zouden zijn dat spelers dit of dat bedrag moeten verdienen?”

KM 109 : (zucht)

In het bureau van Patrick Asselman, de manager van FC Dender, hangt een ingekaderd shirt van Peter Sweeney, nr 24 van Leeds United FC. Dender speelde er vorig jaar dankzij een makelaar een oefenwedstrijd en Jan Boskamp, Denders toenmalige trainer, had Sweeney onder zich bij Stoke City. “Boskamp zei: ‘Allee, vraag eens naar de condities.’ Maar hij verdiende daar in derde klasse zo veel per week als hij bij ons in eerste per maand verdiend zou hebben”, grijnst Asselman.

Ook de wedstrijd zelf werd een ontnuchtering.

“Er kwam 12.000 man naar kijken. Er stonden rijen, ríjen mensen buiten aan te schuiven. Honderden meters. De kranten stonden vol, want het was hun eerste oefenmatch van het seizoen. We hebben daar een rámmeling gekregen …. Zó ‘ne kop’, zie. ( lacht) Verloren met 4-1, maar vooral de manier waarop … pffff … ( lacht) Sweeney had wel zijn truitje aan Boskamp gegeven en die is dat vergeten in de bus, dus ik heb het dan maar meegepakt.” ( grijnst)

Een shirt, een gemiste droom.

De realiteit is harder.

“We hebben onlangs gespeeld tegen Boussu Dour: elf betalende toeschouwers hadden ze mee. En minder hebben we ook al meegemaakt, hoor.”

Dender rekende met de 140.000 euro tv-rechten die het na de degradatie nog kreeg snel terug te keren in eerste. “We dachten dat het gemakkelijker ging zijn. We hebben geïnvesteerd in spelers om meteen de stap terug te zetten, maar het is mislukt. Het is mislukt.” ( zucht)

En nu?

“Met wat we nu genereren in tweede nationale kunnen we een jaar overleven, maar volgend seizoen qua spelerspoten- tieel weer zo competitief zijn als dit seizoen: neen. Dat moeten we vaststellen. Iedereen is betaald, de accommodatie staat er, maar onze eigen middelen zijn weg omdat we zelf 1,2 miljoen geïnvesteerd hebben, dus de cashflow is verdwenen. Dat is het probleem van Dender. We hebben een mooie villa met een zwembad, maar geen zwemmers. ( lacht)

“We gaan nu proberen om bij wijze van spreken weer spelers van rond de kerktoren te nemen. En opnieuw het gewone Dender te worden, hé. Maar we hebben heel veel geleerd en mochten we morgen weer de stap kunnen zetten, dan hebben we niet veel nodig.”

KM 133 : Stilte

De urban jungle is genadeloos. Oprukkende appartementsblokken doen het oude stadion van FC Brussels steeds nietiger en zonevreemder lijken. Jo De Rop, vrijwillig secretaris van de club, bestelt in het verder verlaten secretariaat bloemen voor een begrafenis. Het overlijdensbericht van Gilbert Libon, “een van de beste spitsen in de jaren zestig, zeventig” ligt voor hem.

De Rop is een gepensioneerde bankdirecteur. Hij kan rekenen. “We proberen oplossingen te vinden om het einde van het seizoen te halen”, zegt hij, “en tot 30 juni de betalingen uit te kunnen voeren. Dan zien we verder. De vraag die de voorzitter en iedereen zich hier stellen is: hebben de mensen nog zin om naar het voetbal te gaan? Je begint op den duur de moed te verliezen, hé.”

Hij haalt boeken en mappen met artikels en foto’s boven. En namen.

Het stadion in de jaren vijftig met solarium, zwembad, tennisclub, oude tribunes, en de nieuwe constructie van Vermeersch nadien, velden rondom, veel groen, de fabriek van Boule d’Or aan de overkant, Jean-Marie Philips, die op de club werkte, Herman Van Holsbeeck, “die ik nog heb aangeworven als jeugdtrainer”, Michel Verschueren, “die heeft hier uitgevonden om de luidsprekers in het midden van het veld te hangen, hij had kabels laten trekken tussen de verlichtingspalen, maar we hebben ze van de bond moeten weghalen omdat de bal ertegen kon vliegen, nu is dat met gesloten daken geen probleem meer, maar Michel had dat toen gezien in Mexico”, Paul Van Himst als trainer, bekerfinale tegen Club Brugge, “de eerste keer dat er 57.000 toeschouwers voor de beker naar de Heizel kwamen”, Jan Boskamp, Paul Demesmaeker, Jean Dockx, Michel De Wolf, René Desaeyere, Franky Van der Elst, Rudi Cossey, Morten Olsen, Benny Nielsen, Nico de Bree, Erwin Vandendaele, Freddy Smets, Dirk De Vrieze, Franky Vercauteren, Daniël Nassen, Stan Van den Buijs, René Vandereycken, “kijk, hier ‘l’attaque mitraillette’ zoals ze ze noemden, met Nielsen, Teugels, Polleunis, Koens, Wellens – en Boskamp alleen erachter” ( grijnst), Daniël Renders, Dosunmu, Nong, Kouyaté, Matoukou, Sonck, “bijna een hele ploeg internationals”.

Een brochure.

Match de gala contre le Real de Madrid‘, in 1973 als inhuldiging van het vernieuwde stadion na de fusie van Daring en Racing White. “34.000 man kwam er kijken.”

Een anekdote.

“Het was de eerste wedstrijd van Gün- ter Netzer met Real Madrid. Ik heb toen zijn truitje gekregen, maar ik heb het aan een speler gegeven die toen een van zijn eerste wedstrijden voor ons speelde: Willy Wellens. Willy en ik zien mekaar nog geregeld en hij heeft het nog altijd.”

Nog een anekdote.

“In 1980 organiseerden we hier een groots internationaal jeugdtoernooi: Inter, Feyenoord, Keulen, Nantes, Celtic Glasgow, Ajax, Real Madrid, PSG … Allemaal hier geweest. Kijk, hier: de vierde editie, met Marcel Desailly bij de jeugd van Nantes. We hadden een budget van 1,5 miljoen Belgische frank. In de jaren tachtig! We betaalden alles. Sommige ploegen kwamen met de bus, andere met het vliegtuig, ze werden ondergebracht in een hotel, eten, slapen, drinken, vervoer van en naar het hotel: alles. De eerste finale was Real Madrid-Inter. 4300 betalende toeschouwers. Voor een jeugdwedstrijd!”

Op de vensterbank achter Jo De Rop ligt een bugel. Achtergelaten door een van de leden van de fanfare die steevast wedstrijden van Brussels muzikaal ondersteunen vanaf de tribune. Maar de fanfare speelt sinds december niet meer. Ze kreeg het mes op de keel.

“We moeten een kat een kat noemen: wij betaalden die mensen om te spelen. Maar we krijgen controles op alles. Vrijwilligers mogen maximaal 1100 euro per jaar verdienen. Maar daarvoor moeten ze een vrijwilligersovereenkomst tekenen, anders nemen wij niet het risico om hen te betalen. Die fanfare komt hier twintig keer per jaar, maar op een ander, een braderie bijvoorbeeld, gaan ze ook spelen. En dan gaan ze óver dat bedrag en worden ze te veel belast, hé. Ze zijn allemaal hier geweest en ze hebben besloten niet te tekenen en niet meer te komen. Tja, dat is hún beslissing, hé.”

En zo wordt het steeds stiller aan de Rue Charles Malis.

KM 167 : Goede huisvaders

Oud-Heverlee Leuven is de enige club in tweede klasse die vrij van schulden is. Beheerd als een goede huisvader, zegt men dan.

Hoe doen ze dat?

Paul Van der Schueren, fiscalist-jurist en gedelegeerd bestuurder van OHL: “Wij zijn een fusie van drie clubs: Daring Leuven, Stade Leuven en Oud-Heverlee. Dat heeft ons de kans gegeven om in 2002/03 op een nieuwe leest te beginnen en we zijn er daarbij in geslaagd om aanvullende competenties bij elkaar te brengen zonder leningen van bestuurders of derden. Dus je kan meer vanuit de ratio beslissen.

“We hebben in die periode een heel grondige belastingcontrole meegemaakt. Dat is vrij belangrijk geweest omdat iedereen er daardoor direct van doordrongen was wat we moesten doen. Als je altijd alleen staat om te zagen over het financiële binnen een club omdat al de rest enkel wat op het veld gebeurt van belang vindt, dan krijg je het heel moeilijk.

“Onze visie is gebaseerd op sportieve ambitie met een goede jeugdopleiding, financiële correctheid en aandacht voor voetbal als maatschappelijk gegeven. We hebben vrij vlug beslist om niet alleen met een vzw te werken, maar ook met een cvba met sociaal oogmerk. Het hele commer-ciële en risicogegeven rond de infrastructuur hebben we in die cvba, een handelsvennootschap, afgebakend. In de vzw zit het voetbalverhaal en die verkoopt eigenlijk elk jaar haar voetbalrechten aan de cvba, waardoor er een geldstroom van de cvba naar de vzw is. Dat geeft ons de mogelijkheid om vrij goed te budgetteren en de risico’s te beperken.

“We kunnen ons als financiële cel door die structuur ook heel hard opstellen naar de sportieve – want er is, zoals in elke club, voor hen altijd wel een reden om nóg een speler aan te trekken. In 2003/04 hebben we bijvoorbeeld heel bewust een speler minder gehaald om Steven Moyens, een goede boekhouder die ook sportmanagement heeft gestudeerd, te kunnen aantrekken.

“Wij doen onze boekhouding zelf on- line, een asp-toepassing met een paswoord, waardoor je hen van thuis kan opvolgen. Besteed je dat uit aan iemand anders, dan zal dat misschien wel allemaal in orde zijn, maar dan wordt er minder zorgvuldig geboekt. Nu kunnen we veel beter zien waar alle budgetten terechtkomen. We sluiten bewust ook de boekhouding af per kalenderjaar en niet per seizoen. Dat betekent dat je boekhouding gereviseerd is vlak voor je eind februari je licentie moet aanvragen. Dus we weten nu ook al wat de financiële mogelijkheden zijn om de ploeg van volgend seizoen te plannen.

“Zelfs al is de boekhouding in evenwicht, dan nog komen veel clubs in april, mei, juni in de problemen met de liquiditeit omdat er op dat moment nog kosten zijn, maar geen inkomsten meer – die komen pas in augustus, september, oktober met de abonnementenverkoop en sponsorcontracten. Vorig jaar kregen wij daar ook mee te kampen, waardoor we onze sportieve cel een beetje ‘on hold’ gezet hebben. Dat bekoop je dan wel – we zijn vrij slecht begonnen aan het seizoen. Om dat niet meer voor te hebben, bereiden we nu een kapitaalsverhoging voor om over voldoende eigen vermogen te beschikken om die liquiditeitsschommelingen te kunnen opvangen, zonder dat we daarom automatisch een groter budget gaan hebben. Ook onze jeugdopleiding bezorgt ons goede spelers, zoals Simaeys, Odoi, Schouterden, en dus, als we ze kunnen doorverkopen, middelen om ons budget rond te krijgen.

“Je zit in tweede klasse enerzijds met alle verplichtingen van profvoetbal, maar anderzijds, zonder tv-rechten, geen evenredige inkomsten. Als je de tering naar de nering wil zetten, kom je in een situatie dat spelers in derde klasse – waar minder verplichtingen zijn – meer betaald gaan kunnen worden dan in tweede. Dat is wat nu een beetje aan het gebeuren is: we zitten ‘in de sandwich’. Als er geen solidariteit komt vanuit eerste klasse, gaat dat slecht aflopen voor tweede. Dus ik ga niet te hoog van de toren blazen: het gaat nu goed met Leuven, maar het kan ook snel veranderen. Want als we dit bestuur aanhouden, kunnen ook wij vroeg of laat het deksel op de neus krijgen, zoals Hamme ( de enige andere ploeg die schuldenvrij bleef in tweede, maar inmiddels degradeerde, nvdr). En dat zou jammer zijn. Ik weet dat onze sportieve staf er alles aan doet om toch mee te dingen voor de eindronde. Het is ons al eens gelukt en we geven die ambitie zeker niet op. Een stad als Leuven verdient een ploeg in eerste klasse.”

KM 195 : Keurig grijs

Wie voorbij de suikerfabriek en rond het stadion van Tienen rijdt, kan maar één ding vaststellen: je vindt de ingang haast niet. Bakstenen muren, nauwelijks verheven tribunes, woonhuizen, een weg en een ringweg, een parkeerplaats. Het stadion oogt laag, egaal van vorm en gesloten als een euh … allee, vooruit, ja, als een suikerklontje.

Wie ter plekke is geraakt – via de parkeerplaats naar de hoofdtribune gaan en de trap naar onder nemen, daar zit het secretariaat weggestoken – moet nóg iets opmerken: het is een weliswaar sober, maar wel keurig stadionnetje. Tribunezitjes mét rugleuning, ‘Gelieve uw juiste plaats in te nemen, aub’, kantines met grote ramen die over het veld uitkijken, mooie grasmat.

Daniël Nassen – “Netjes op tijd, hé?” – is al zes seizoenen trainer van Tienen. “Het is niet altijd halleluja geweest, maar ik heb een schitterende voorzitter die achter mij staat. Elders had ik misschien al lang de bons gekregen. Ik was als voetballer geen leidend type, meer een dienende figuur. Ik was verdediger ook. Dat heeft mij altijd goed gelegen. Ik vond goede sfeer heel belangrijk en voor mekaar door het vuur gaan. Die mentaliteit probeer ik ook over te brengen op mijn groep.”

Nassen, voormalig voetballer in eerste klasse bij Standard, RWDM en Lommel, heeft het naar zijn zin. “Het oefenveld zou nog verbreed mogen worden, er zijn ook maar twee of drie lampen die werken, maar we mogen niet klagen. Zo slecht is het hier nog niet, hoor ik ook van jongens die elders zijn gaan spelen. En iedereen wordt op tijd betaald.”

Tienen is na 1999-2004 sinds 2006 aan zijn tweede periode in tweede klasse bezig. Een gevestigde waarde is het er nog niet.

“Allee, we staan 1-2 voor tegen Bergen”, zegt Nassen. “We krijgen in de blessuretijd drie open kansen die we verzuimen af te werken en dan krijgen we het deksel op de neus. Qua maturiteit missen we iets. Maar op tv komt wel geen enkele van die drie kansen in beeld. Dan besef je dat je een kleine club bent.”

En wellicht blijft.

“Vorig jaar stonden we in de eerste ronde lang eerste en sloten we die af op een schitterende derde plaats, maar er kwam bijna geen kat méér kijken. Het heeft natuurlijk ook te maken met de versplintering van ploegjes hier omheen, dan weet je dat je aan je plafond zit.”

KM 254 : Ruzie

FC Luik is a ghost looking for a body. Sinds André Marchandise in 1995 het stadion in Rocourt aan Kinepolis verkocht, heeft de ploeg al overal gespeeld. Eupen, Standard, Tilleur (na de fusie), Ans, Verviers. Nu spelen ze hun thuiswedstrijden in Seraing, dat zelf in bevordering aantreedt. Maar naar een secretariaat van FC Luik is het tevergeefs zoeken. Hooguit is er een lokaaltje in het stadion waar het bestuur op wedstrijddagen een onderkomen vindt.

“Sinds twee jaar wordt de club eigenlijk op amateuristische basis geleid”, zegt Pa- trice Sintzen. “Een voorbeeld: op een geven moment gingen ze in Momalle vriendschappelijk spelen. Een deel van het terrein was niet verlicht, de ballen bleken niet goed opgepompt. Dus ze hebben die wedstrijd afgewerkt met fluohesjes aan om mekaar toch nog een beetje te kunnen zien. Helaas waren er maar tien in plaats van elf. ( grijnst) Een speler vertelde mij zelfs dat hij op het veld aan de kant van de kantine was blijven lopen opdat ze hem toch zouden kunnen zien staan. ( lacht)”

Patrice Sintzen, Luikenaar en voetbaljournalist bij La Meuse, volgt de club al jaren. We zitten in de brassere de l’Air Pur, die wordt uitgebaat door ex-Serraingspeler Marinko Rupcic en diens vrouw, de zus van Marc Grosjean. Aan de overkant van de straat ligt het atheneum waar Michel Preud’homme schoolliep. Nu wandelt Ali Lukunku, die pas bij FC Luik aansloot, er met zijn dochtertje buiten.

Luik ademt voetbal, maar het is geen zuivere lucht.

Om een lang verhaal kort te maken: Michel Daerden beloofde de club een stadion dat er niet komt en Jules Dethier en Louis De Valensart – respectievelijk de huidige voorzitter en de assistent van de vorige – zorgen voor tweespalt, gevoed door politiek intriges.

“Iedereen bekritiseert iedereen maar.”

Maar de supporters staan pal.

“De ‘buvette’ is de beste sponsor van FC Luik. Toen ze in derde klasse voor de titel speelden tegen Turnhout bracht die kantine 23.000 euro op. Gemiddeld is het 15.000 euro. Dat zijn enorme bedragen. In derde speelden ze nog voor 6000 man, na Standard en Charleroi het hoogste toeschouwergemiddelde in Wallonië. Ze hebben nu nog altijd zeven supportersclubs en op verplaatsing gaat er 500 man mee. Tien bussen!

“Meer dan het ontbreken van het stadion is het ontbreken van een structuur het probleem. De Valensart, de vorige voorzitter die hier miljoenen in heeft gestoken, wil dat geld terug en moet zich als een varken laten besmeuren. Wie wil er dan nog klaar staan met financiële steun? Die esprit contestateur is typisch Luik: alles tegenwerken om tegen te werken. Dus dat levert nu elke dag ruzies op, op alle niveaus. Spelers kregen ook nu pas een deel van hun loon van januari. De club is al drie keer failliet gegaan sinds ze Rocourt verliet. En elke keer verliest ze iets van haar ziel.”

KM 311 : L’Italiano vero

Eupen heeft sinds vorig seizoen Italiaanse spelers ter beschikking, een Italiaanse technisch directeur, die zijn tijd tussen Eupen en Piacenza verdeelt, een Italiaanse physical trainer en een Italiaanse keeperstrainer.

Manfred Theissen, algemeen directeur: “We stonden onderaan, de keuze was simpel: degraderen of een partner zoeken. Er wordt veel over gepraat, maar het is moeilijk om toeschouwers naar hier te krijgen als je op een halfuur rijden van de Duitse competitie zit. Zonder steun van buitenaf is betaald voetbal dood in tweede klasse. Voor om het even welke club. Eén voorbeeld: de eisen waaraan je moet voldoen zijn dezelfde voor Anderlecht als voor Eupen, maar de tv-rechten zijn voor de mindere ploegen van eerste tussen 800.000 à 900.000 euro, voor ons is het 20.000 euro. Dus …

“We hebben geen Italianen in ons bestuur, maar in het sportieve hebben ze wel iets te zeggen: wie haal je, wie transfereer je? Dat is voor tachtig procent hun beslissing. Het is nu ook niet zo dat ze hier elke maand met een zak geld afkomen, hé, zoals de mensen wel eens denken. Het is zo dat zij veel contacten hebben bij Italiaanse eerste- en tweedeklassers met spelers op overschot. Sommigen willen ze uitlenen, waardoor het ons maar een minimum kost om ons te versterken.”

Danny Ost, trainer: “Ik ben zelden iemand tegengekomen als Antonio Imborgia ( technisch directeur, nvdr) die zo voor het voetbal leeft en er zo veel van kent. Het is een andere wereld. Er zijn dvd’s van hier naar ginder gegaan en ze hebben die ontleed … ongelooflijk gedetailleerd.”

Theissen: “Antonio Imborgia is een zeer competente man en de spelers die uit Italië komen halen een hoog niveau. Ik wil geen afbreuk doen aan wat hier vorige jaren aan spelers is samengebracht, maar ik denk dat je kan stellen dat dit het beste team van Eupen ooit is.”

Ost: “Met die Italianen in de ploeg is het vooral goed verdedigen wat we moeten doen – en dat is niet noodzakelijk hetzelfde als verdedigend spelen. Maar organisatie met een grote O is duidelijk de filosofie. Ik heb dvd’s gekregen van ginder en een wedstrijd van Piacenza bijgewoond: het is zéér tactisch. Zeker twee keer per week trainen we op verzoek van de Italianen op automatismen in de verdediging. Het is ook voor mij verrijkend. Ik heb meer geleerd in één jaar hier dan in de tien jaar die ik hiervoor trainer geweest ben.”

Terwijl de spelers binnen sijpelen om te trainen, staan voor het stadion een paar jongeren. Een woensdagnamiddag als deze is het uitgelezen moment om zich naar hun club te begeven. Eentje steekt een sigaret op, een ander stuurt een sms, de overige twee kijken op hun horloge en turen zenuwachtig over de rotonde voor het stadion. Allemaal dragen ze een sjaal van hun ploeg: Schalke 04, dat amper 160 kilometer verder ligt en die avond de halve finale van de Duitse beker speelt tegen Bayern München.

Volgende week deel 2: Vlaanderen boven (en onder)

door raoul de groote – beelden: reporters

“Dat is het probleem van Dender. We hebben een mooie villa met een zwembad, maar geen zwemmers.” Patrick Asselman

“Zonder steun van buitenaf is betaald voetbal dood in tweede klasse.” Manfred Theissen

“Als je de tering naar de nering zet, kom je in een situatie dat spelers in derde meer betaald worden dan in tweede.” Paul Van der Schueren

“In 2003 hebben we een speler minder gehaald om een goede boekhouder te kunnen aantrekken.” Paul Van der Schueren

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier