In de schaduw van de gehypete tienerrevelatie Junior Malanda ontpopte ook het Franse loopwonder Jonathan Delaplace (26) zich bij Zulte Waregem tot een cruciale pion op het schaakbord van Francky Dury. Een kennismaking met de voetballende verpleger van de Azurenkust.

Het interview is bijna afgelopen als Franck Berrier plots de deur van de perszaal opent en droog meedeelt: “Monsieur, wilt u een primeur? Jonathan tekent op het einde van het seizoen in… Vietnam.” Zijn ploegmaat moet hartelijk lachen en reageert gevat. “Franck, hoe is me een raadsel, maar dat wist de journalist al, hij heeft me er daarnet naar gevraagd. (Berrier kijkt verwonderd, nvdr) En volgens hem zouden wij blijkbaar ook goed overeenkomen.” “Wíj? Non, non. Niet geloven. Dat is een leugen”, grapt de spelmaker opnieuw, waarop hij Delaplace aanmaant het interview af te ronden. “De training begint direct, hé.”

De plaagstoten typeren hoe goed het tussen de twee Fransen niet alleen op, maar ook naast het veld klikt. “Dezelfde taal, hetzelfde rustige, eenvoudige karakter, dezelfde voetbalvisie: dat schept een band. Geregeld spreken we ’s avonds af”, had Delaplace even voor Berriers tussenkomst uitgelegd. Dat zijn landgenoot over een – fictieve – transfer naar Vietnam sprak, is niet toevallig. De stamboom van de kleine middenvelder vertakt zich immers voor een deel in het Aziatische land: zijn grootmoeder langs moeders kant verhuisde tijdens de Vietnamoorlog naar Frankrijk – dáár had ondergetekende naar gevraagd.

En bovendien is de uitblijvende contractverlening van Delaplace, wiens driejarige verbintenis met Zulte Waregem eind juni afloopt, al weken een hot topic aan de Gaverbeek. Het enige onderwerp ook waarbij de Franse spraakwaterval – af en toe is een journalist blij dat er een ‘slow’-knop op zijn bandrecorder staat – tijdens het interview enigszins was drooggevallen en de vage clichés had opgestapeld: “We zullen zien”, “Ik concentreer me alleen op mijn prestaties op het veld”, “Ik wacht af”, “Ik laat alles over aan mijn manager”, “Welke competitie ik ambieer? Dat is me eender. Ik wil zo hoog mogelijk raken, het liefst bij een club die Europees speelt. Wie weet volgend seizoen al bij Zulte Waregem” en nogmaals: “We zullen zien.”

Te klein

Dat Jonathan Delaplace überhaupt mag dromen van een stap hogerop, is opmerkelijk, gezien het atypische parcours dat hij als voetballer en als mens aflegde. Tot zijn zevende groeit de Fransman op in Solliès-Toucas, een gemeente van vijfduizend inwoners net boven Toulon, vlak bij de Azurenkust, waar hij als vijfjarige al begint te voetballen. “Daarna verhuisden we echter naar Brest, in Bretagne. Vader was indertijd verpleger- anesthesist bij de zeemacht en vertrok geregeld op een maandenlange buitenlandse missie. In Toulon met een ‘gewoon’ schip, in Brest zelfs met een onderzeeër. In die jaren heb ik hem niet zo vaak gezien, maar een echt gemis? Neen, ik was nog klein en dat word je rap gewoon. Mijn moeder had het lastiger.”

Op zijn twaalfde volgt een nieuwe verhuizing wanneer het gezin Delaplace terugkeert naar Solliès-Toucas, maar Jonathan intrekt bij zijn grootouders in Lambersart, een gemeente net buiten Rijsel – vandaar zijn nog altijd Noord-Franse accent. “Ik wilde sportschool in Toulon volgen, maar omdat mijn ouders geen tijd hadden om me elke dag naar ginder te voeren bleek de school in Lambersart, mét internaat, het beste alternatief, want dan kon ik in het weekend bij mijn grootouders logeren.”

Delaplace schrijft zich in bij Racing Club de Lens, maar wordt daar al na één seizoen afgedankt. “Ze vonden me te klein om het te maken als voetballer”, aldus de nu 1m68 grote Fransman, die verkast naar de lokale club van Lambersart, maar weigert zijn droom op te geven. “Ik wilde per se hun ongelijk bewijzen en hield altijd voor ogen: het is niet omdat ik de kleinste ben, dat ik niet beter kan zijn dan een ander. Achteraf gezien was het mentaal misschien zelfs een voordeel, want zo heb ik nooit de teugels gevierd. Elke training, elke match gaf ik me honderd procent, ook al was de opleiding bij Lambersart, waar ik vier jaar speelde, niet de meest professionele.”

Na zijn middelbare studie keert Delaplace terug naar Zuid-Frankrijk, waar hij op zijn achttiende in de eerste ploeg van Belgentier, een regionale club, belandt. Een jaar later volgt een transfer naar Hyères FC. Hij speelt er twee jaar als amateur in de CFA (vierde divisie) vooraleer de Fransman in 2007 overstapt naar fusieploeg ES Fréjus Saint-Raphaël, actief in het Championnat National (derde klasse).

Delaplace ontpopt er zich als de smaakmaker, terwijl hij ook de fundamenten van een andere carrière legt. “Als semiprof moest ik wel een opleiding volgen voor het geval mijn voetbaldroom zou uiteenspatten. Ook mijn vader drong daar sterk op aan. Omdat ik via hem en mijn broer, verpleger bij de landmacht, geïnteresseerd geraakt was in de geneeskunde, besloot ik in hun voetsporen te treden.”

Aangezien een zware doktersstudie niet combineerbaar is met voetbal, begint Delaplace aan een 3,5 jaar durende opleiding tot verpleger, mét bijhorende stages. “Ook dat was niet vanzelfsprekend. Ofwel had ik de voormiddagshift – van 6.30 tot 16 uur – ofwel de avonddienst – van 15.30 tot 21 uur – waardoor ik af en toe verstek moest laten gaan voor een training. Gelukkig begreep de coach dat mijn diploma halen voorrang kreeg. Bovendien heb ik élke gemiste training ingehaald: alleen of met de reserven. Die droom, hé…”

Ondanks de vaak lange dagen is die studie opgeven ook geen optie. “Ik vond het zelfs boeiend: het contact met de patiënten, hun genezingsproces opvolgen, de voldoening van iemand beter te zien worden door mijn zorgen, het teamwork… Al waren er ook moeilijke momenten, zeker de sterfgevallen. Telkens weer een harde confrontatie met de realiteit als je dat niet gewoon bent. Ik herinner me iemand met wie ik voor zijn operatie nog gebabbeld had. Een kwartier later kreeg hij in de operatiekamer een fatale hartaanval, terwijl ik door het venster aan het toekijken was. Even slikken hoor. Ik haat een voetbalmatch verliezen, maar een mens zien sterven is nog veel erger. Al leer je daar op den duur op een of andere manier wel mee omgaan. Dat moet ook, als je als verpleger je job goed wilt uitoefenen.”

Of Delaplace na zijn voetbalcarrière die draad weer wil oppikken? “Dat zal afhangen van waar ik de komende jaren beland en of ik later al dan niet in het voetbal wil blijven – misschien als trainer. Sowieso is het geen vak waar je meteen weer kunt instappen, hé. Nieuwe verzorgingstechnieken en -toestellen, de geneeskunde die elke dag evolueert… Ik zou veel moeten inhalen.

“Eigenlijk heb ik er nog niet veel over nagedacht, daarvoor geniet ik te veel van mijn bestaan als profvoetballer. Uiteindelijk toch mijn kinderdroom. Nu beleef ik mijn passie, terwijl verpleger zijn meer een jób geweest was. Maar zeg nooit nooit, hé. Misschien breek ik morgen mijn been en is mijn voetbalcarrière voorbij. En zal ik blij zijn dat ik mijn diploma achter de hand heb.”

Timide

Dat Delaplace geniet, bleek al uit de manier waarop ploegmaat Karel D’Haene, als voorbereiding op dit interview, hem omschreven had. “Jonathan? Een héél vriendelijke kerel, die altijd lacht en nooit klaagt, zelfs niet als we in slecht weer moeten trainen. En in vergelijking met zijn eerste seizoen (2010/11, nvdr) is zijn verlegenheid ook verdwenen.”

De Fransman, die in juli vorig jaar met zijn Franse vriendin Noémi Fernandes trouwde, knikt bevestigend. “Ik ben opengebloeid, ja, maar daar heeft mijn huwelijk niets mee te maken. Van nature ben ik gewoon vrij timide, zeker bij mensen die ik niet ken. Daardoor verliep mijn aanpassing in Waregem, waar alles en iedereen nieuw was – zeker de taal – niet echt vlot. En ook de stap van semi- naar fulltimeprof was niet zo makkelijk. Dat ik aangekondigd werd als de ‘nieuwe Franck Berrier’ (die naar Standard verhuisd was, nvdr)? Neen, daar had ik geen last van. Ik kende Franck toen niet eens, dus kon ik voor mezelf die vergelijking niet maken. Ik heb me altijd op mijn prestaties geconcentreerd, al was dat in dat seizoen niet vanzelfsprekend, gezien de vertroebelde ploegsfeer en slechte resultaten (trainers Bart De Roover en Hugo Broos werden ontslagen, nvdr). Toch heb ik dat jaar geen moment spijt gehad van mijn keuze. Tenslotte speelde ik zo goed als elke match, weliswaar soms als invaller.”

De grote sprong voorwaarts maakte Delaplace vorig seizoen, toen de nieuwe coach Darije Kalezic hem weghaalde van zijn vertrouwde rechterflank, waar hij ook in Frankrijk gespeeld had, en hem als verdedigende middenvelder naast Steve Colpaert posteerde. “In het begin wist ik niet wat te verwachten, maar de trainer stuurde me goed bij, gaf me veel zelfvertrouwen en uiteindelijk bleek het een grote meevaller. Ik kon veel beter mijn stempel op de ploeg drukken: ik raakte en recupereerde meer de bal, was meer betrokken in de opbouw… Heel goed gezien van Kalezic – een prima coach trouwens.”

Ook toen de Bosnische Nederlander na Nieuwjaar moest plaatsmaken voor Francky Dury bleef Delaplace staan, toen naast Anderlechthuurling René Sterckx of Ólafur Skúlason. Begin dit seizoen schoof de Zulte Waregemcoach de Fransman echter weer naar de rechterkant – gezien de goede voorbereiding van het Peruaanse talent Hernán Hinostroza – tot hij hem op de negende speeldag, op Lierse, voor het eerst als verdedigende middenvelder aan Junior Malanda koppelde. Een meesterzet, want met die combinatie – de power van de 18-jarige Belg, gemixt met het loop- en recuperatievermogen van de kleine Fransman – haalde Essevee sindsdien liefst 34 op 42.

“Dankzij goede afspraken met Junior kan ik me ook offensief uitleven en veel infiltreren. Toch moet ik voor doel efficiënter worden, iets meer zelfvertrouwen hebben. Vorig seizoen twee goals, in deze campagne nog maar ééntje (afstandsschot op Cercle, nvdr): iets te weinig, al gaf ik wel al vier assists. En ik kan natuurlijk ook niet álles doen, hé.”

Delaplace heeft er nochtans de conditie voor: zowel qua explosiviteit als qua uithouding – een zeldzame combinatie – kunnen weinig collega’s bij Zulte Waregem aan hem tippen. “Mijn grootste kwaliteit, ja. Al van jongs af. Nochtans doe ik er niets extra’s voor: geen speciaal dieet, geen looptrainingen, ook niet in het tussenseizoen. Mijn tijd op de tien kilometer? Geen flauw idee.

“Een aangeboren talent, misschien net dankzij mijn kleine gestalte, maar toch ook een kwestie van mentaliteit: de zin om diep te willen gaan, in elke training of in de laatste minuten van een wedstrijd. Ik heb lopen, in tegenstelling tot andere spelers, ook nooit als iets vervelends gezien. Integendeel: ik hou van de smaak van de inspanning. Van bij de jeugd tot in mijn eerste seizoen bij Zulte Waregem zelfs iets te veel, want te vaak sprong ik als een gek op alles wat bewoog zodat ik op het einde van een match doorheen mijn beste krachten zat. Ik hoor het mijn ploegmaats nog zeggen: calme, calme! Nu gaat het beter: ik doseer meer en loop in de laatste minuut zelfs nog even rap als in de eerste. Of toch bijna.” (lacht)

DOOR JONAS CRETEUR – BEELDEN: IMAGEGLOBE

“Ik hield altijd voor ogen: het is niet omdat ik de kleinste ben, dat ik niet beter kan zijn dan een ander.”

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier