Gaëtan Englebert voetbalt niet meer voor Club Brugge. Na negen seizoenen met hoge pieken en diepe dalen vertrok hij er transfervrij naar de Franse tweedeklasser Tours FC. Het was, beseft hij, hoog tijd voor verandering.

De avond is zwoel in Tours en het is met graagte dat Gaëtan Englebert op een terrasje in de oudste straat van de middeleeuwse binnenstad gaat zitten voor een couscous, een glas rosé en een interview. Hij heeft er die dag in twee sessies bijna vijf uur trainingsarbeid en tussendoor ook nog een dubbele fotoshoot opzitten.

Sinds zijn aankomst in de hoofdstad van het departement Indre-et-Loire een week eerder, verblijft hij met zijn gezin tijdelijk in hotel Holiday Inn. Mevrouw Englebert is met de twee kinderen even terug naar België om meubelen te kiezen voor het huis in een naburig dorp dat ze binnenkort zullen betrekken.

“Alles is goed hier”, zegt Gaëtan. “Het contract, het leven, de sfeer, de club. En: het is eens iets anders. Daarom twijfelde ik niet lang.

“Germinal Beerschot deed mij een aantrekkelijk voorstel, maar we wilden het liefst naar het buitenland. Er waren ook nog contacten in een paar andere landen, maar ik wou niet langer wachten. Ik wou snel duidelijkheid en deze club gaf mij die meteen.

“De trainer kent mij. Hij is assistent-coach geweest van Bordeaux en kwam toen enkele keren Club Brugge scouten. Ik moet ervaring brengen op het middenveld. De club is ambitieus en heeft een project. Ik vind dit een mooie challenge, dus waarom niet? Het is niet de Ligue 1, maar de competitie is wel van een hoog niveau. Hier wordt niet zoals in de Belgische tweede klasse gespeeld voor duizend toeschouwers of minder. Tours krijgt bijvoorbeeld al vier miljoen euro tv-geld, dat is meer dan de topclubs in België. Het is hier even professioneel als in eerste bij ons, soms zijn de werkomstandigheden zelfs beter. Ik denk aan de velden, de fitnesszalen, de medische diensten.

“Veel van onze spelers komen uit de jeugd van een Franse topclub. Je merkt dat ze daar in een centre de formation van jongs af aan op alle vlakken gevormd zijn om profvoetballer te worden. Jonge voetballers gedragen zich hier als echte profs.

“Mijn eerste indruk is positief, maar in het voetbal tellen alleen de matchen. Binnen een paar weken zullen we zien wat het werkelijke niveau is.”

Hoe voelt het aan om na negen jaar Club Brugge van club en van land te verhuizen?

Gaëtan Englebert: “Het is anders. In Brugge was ik alles gewoon. Ik ging naar de club zoals iedereen die al jarenlang ergens werkt naar zijn werk gaat. Misschien was het ook voor mijn motivatie tijd voor verandering. Ik denk dat het in elk geval goed is om eens iets anders te zien, een andere manier van denken en van leven. Niet alleen voor mij, maar ook voor mijn vrouw en mijn kinderen.”

De kwaliteit

Hoe was je afscheid bij Club Brugge?

“Euh, een beetje minder door wat er met François Sterchele is gebeurd, maar ça va.”

Hoe kijk je terug op negen jaar Club Brugge?

“Het is mooi geweest. Ik won met Club Brugge alles wat er in België te winnen is. Ook op Europees vlak beleefde ik er veel mooie momenten, maar misschien zelfs nog iets te weinig. Een paar maal geraakten we maar net niet door de poules van de Champions League of de UEFA Cup. We wonnen eens zelf van Ajax, maar AC Milan speelde thuis tegen Celta de Vigo met zijn B-elftal en verloor in de laatste minuut met 2-3. Zo kwamen we een punt te kort. Een andere keer volstond een gelijkspel in Moskou om door te stoten, maar we verloren er in de sneeuw met 1-0. Telkens ging het om details. Misschien hadden we te weinig ervaring op dat niveau. PSV beschikt ook niet over zóveel kwaliteit, maar het is de laatste jaren in de Champions League altijd minstens achtste finalist geweest. Het is iets dat je als club moet opbouwen en dat blijft. Dat misten we misschien een beetje.”

Club Brugge eindigde sinds het vertrek van Trond Sollied twee keer moeizaam als derde en zelfs eens als zesde. Waarom is het volgens jou sindsdien bergaf gegaan met de prestaties?

“Het succes van de periode onder Trond Sollied was te wijten aan de kwaliteit van de spelersgroep en de manier van werken van de club. Alles werd in die tijd in vertrouwen opgebouwd. Daarna was het anders. Er kwamen nieuwe mensen met misschien een andere visie en een andere werkwijze. Spelers moesten vertrekken of vertrokken zelf en bleken niet gemakkelijk te vervangen. Ik begrijp dat. Het is als Belgische club niet eenvoudig om voetballers van een bepaald niveau aan te trekken. Bovendien telden we toen ook veel goede Belgen met een goede mentaliteit. De ploeg werd minder sterk en de spelers kregen meer kritiek.”

En jij, die had uitgeblonken in Champions Leaguethuiswedstrijden tegen Lyon en Galatasaray, kwam op de bank terecht.

“Bij het begin van het seizoen stond ik wel altijd nog in de elf. Maar als de ploeg niet draait en de resultaten minder zijn, moet de trainer oplossingen zoeken en iedereen een kans geven. Zo komen andere spelers op de bank terecht. Dat was ook met mij het geval. Het is niet leuk, maar misschien zijn ook dat ervaringen die bij een carrière horen. Je wordt er sterker van, omdat je erdoor op een andere wijze over voetbal gaat denken. Ik ben iemand die veel luistert en probeert te begrijpen wat er gebeurt. De laatste drie jaar leerde ik heel veel bij: over de club, over het spel op het veld, over de media, over alles.

“De club maakt keuzes en de trainer maakt keuzes en dat moet je aanvaarden. Ik leerde daar mee te leven. Dan wacht je op een kans om op het veld nog eens te tonen dat je het kunt en leef je thuis je gewone leven dat niets met voetbal te maken heeft. Dat was geen probleem voor mij.

“Het probleem is dat de club de laatste drie seizoenen niet meer meedoet voor de titel en dat je dan geen topclub meer bent. Onder Jan Ceulemans en Jacky Mathijssen zijn we telkens wel goed begonnen, maar je wist dat het niet tot het einde zou duren. Andere ploegen waren sterker. Dat de keeper de man van het seizoen is, kan gebeuren bij een ploeg die tegen de degradatie speelt, maar voor een topclub is dat niet normaal.”

De kleedkamer

Je bent ooit de rotte appel in de mand genoemd.

“Ja, er is ooit een krantenartikel verschenen dat heel slecht was voor mij, omdat mensen die mij niet kennen een ander beeld van mij kregen dan wie ik werkelijk ben.”

Deed het je pijn?

“Mijn ouders leden er meer onder dan ik, denk ik. Wat mij toen misschien wel pijn deed, was dat mijn werkgever weinig commentaar heeft willen geven. Er werden nog spelers genoemd in het artikel, het ging om een deel van de club. Dat kan je niet laten passeren. Een werkgever moet zijn werknemers verdedigen. Ik vond het ook niet kunnen dat zoiets slechts over mij geschreven werd zonder dat mijn mening gevraagd werd.

“Maar ik weet hoe het werkt, hoor. Ik weet ook wie ons dat aandeed, hoe hij te werk is gegaan en welk belang hij erbij had. Hij weet ook dat ik het weet. Als ik een probleem met iemand heb, laat ik dat merken. Verder probeerde ik zo lang mogelijk mijn waarde te tonen op het veld. We schakelden daarna AA Gent uit in de halve finale van de beker en wonnen de finale tegen Standard. Ik heb altijd alles voor de club gedaan.”

Hoe ervaarde jij de voorbije seizoenen de sfeer in de kleedkamer?

“Als de prestaties minder goed zijn, zoekt alleman overal naar verklaringen. Dan is er meer druk en spanning bij spelers en trainer. Dat werkt op iedereen in en dan is het normaal dat je soms eens iets moet zeggen in de kleedkamer. Als het goed gaat, is dat niet nodig. Bij sommige trainers was dat misschien zelfs nooit nodig.

“Vroeger kwam Club Brugge ook minder in de media. Nu krijgt het bijna evenveel aandacht als Anderlecht en Standard. Als de club dan minder succesrijk is, betekent dat: veel meer kritiek.”

Jij laat je stem niet zo vaak horen in de kleedkamer, wordt gezegd, maar als het gebeurt, wil je wel eens losbarsten. Je wordt een Liégeois genoemd.

“Als ik vind dat ik in het belang van de club iets moet zeggen, dan doe ik dat. Maar losbarsten, zou ik het niet noemen. Ik weet wat ik doe. Wat ik dan zeg, is zeer doordacht. Maar ik heb inderdaad mijn temperament. Gelukkig, want in de sport komt dat goed van pas.

“Als ik oordeel dat het hoognodig is, dan zeg ik wat ik ervan vind, tegen welke speler dan ook. Het kan best zijn dat niet iedereen dat even goed verdraagt en iemand mij dan via via achter mijn rug probeert te pakken. Het is het lafste dat er bestaat. Ik vind dat het niet kan, in het belang van de groep en de club. Wie iets te zeggen heeft, moet dat in de kleedkamer doen. En wat er in de kleedkamer gezegd wordt, moet in de kleedkamer blijven. Ik weet dat sommige spelers zeer close zijn met journalisten, maar ik wist niet dat sommigen zelfs sms-berichten sturen om hen te informeren over wat er op de club gebeurt. Wie dat doet, is geen echte prof.”

Behalve een ‘Liégeois’ ben je iemand met een visie en je verwoordt die ook in interviews. Je hield ooit een pleidooi voor Trond Sollied toen er een paar ploegmaats kritiek hadden geuit op hem. Je zei ook al dat er een probleem kan ontstaan als buitenlandse spelers meer verdienen dan Belgen, maar niet beter presteren; en dat het niet volstaat dat buitenlanders op de club Nederlands voor anderstaligen volgen, dat ze het ook moeten willen spreken in de kleedkamer. Jonge Belgen, vond je dan weer, moeten niet zo’n grote mond opzetten, maar hun waarde bewijzen óp het veld. En Club Brugge, verklaarde je ooit, heeft meer nood aan winnaars die negentig minuten hard werken, dan aan spelers die het verschil op techniek kunnen maken. Wie zich zo profileert, Gaëtan, creëert dualiteit: voor en tegen.

“Ik herhaal: ik deed alles in het belang van de club. Onder Trond Sollied zijn we in de Belgische competitie altijd als eerste of tweede geëindigd. Als we geen kampioen werden, wonnen we de beker en ook op Europees vlak kenden we onze beste jaren. Ik kan mij niet voorstellen dat mensen die het goed menen met de club dan ontevreden zijn. Kritiek is er altijd, ook toen, maar in voetbal telt maar één iets: hoeveel punten tel je op het einde van het seizoen en op welke plaats sta je in de rangschikking?

“Mijn relatie met Trond Sollied was niet anders dan met de trainers die na hem kwamen. Ik was ook een van de spelers die heel veel respect toonden voor Jan Ceulemans. Er waren er anderen. Hij weet dat wel, denk ik. Het grootste gevaar komt altijd van mensen die zich niet voordoen zoals ze werkelijk zijn. Ze durven hun ware gelaat niet tonen en gebruiken anderen.

“En dat je moet kunnen lopen in het hedendaagse voetbal, om ruimte te creëren en om in die ruimte te komen, bewees het voorbije EK nog eens. De beste spelers zijn mannen die alles kunnen voor ze iets met de bal willen doen. Wie over minder technische kwaliteiten beschikt dan Xavi en anderen, moet zeker lopen en vechten.”

Ten tijde van sportleider Marc Degryse maakte je deel uit van de spelersraad. Wat waren daar je ervaringen? Werkte dat niet tegen jou?

“Mijn conclusie is dat als je een goede aanvoerder hebt, een spelersraad eigenlijk overbodig is.”

Timmy Simons?

“Ja. Hij deed wat er moest gebeuren, op training en in de match. Voetbal wordt op het veld gespeeld, het is zeer belangrijk dat te weten. Er waren in de kleedkamer van Club Brugge meer discussies dan vroeger. De ene vindt dan dat het de fout is van die, de andere van iemand anders. Dat is niet goed. Kritiek was er vroeger ook, maar als het goed gaat, kan je daar beter mee leven. Dan denk je: zondag winnen we met 5-0 et voilà. Dat is misschien een beetje weg. Het gaat minder goed en het blijft duren.”

Wat zou jij, achteraf bekeken, anders doen?

“Ik heb vrede met alles. Welke zin heeft het om nu te zeggen: ‘Ik had dat niet moeten doen?’ Geen enkele. Ik zou kunnen zeggen: ‘Vorig seizoen kreeg ik een mooie aanbieding van een buitenlandse club, ik had moeten tekenen. ‘ Dat doe ik niet. In een carrière gebeurt het vaak dat je denkt: wat moet ik doen? Dan neem je een beslissing en leef je ermee.”

Wat leerde je uit de voorbije jaren?

“Dat het in voetbal heel lang kan duren voor je aan de top bent en dat het dan plots door krachten buiten jezelf heel snel voorbij kan zijn. Ik dacht dat het alleen in het provinciale voetbal mogelijk was, maar nu weet ik dat het ook in de eerste klasse gebeurt.”

De essentie

Je bent 32 jaar, ben je tevreden met je carrière?

“Ja, maar ik wil meer. Ik besef ook dat ik niet meer bij Lyon zal geraken, maar ik ben niet naar hier gekomen om nog twee jaar uit te bollen. De laatste twee à drie seizoenen was het spelplezier ook iets minder, omdat het niet zo goed ging met Club Brugge en ik soms op de bank zat.”

Vierenhalf jaar geleden zei je na een enkeloperatie: ‘Ik word oud, na een wedstrijd voel ik overal pijn. ‘ Hoe voel je je nu?

“Op een bepaalde leeftijd begin je dat te voelen en dat is wennen, maar daarna stimuleert het je omdat je jong wil zijn en wil tonen dat je het nog allemaal kan. Ik voel mij goed nu. Die kijkoperatie was het gevolg van een kwalijke trap op mijn enkel. Er moest een stukje bot verwijderd worden. Het was geen slijtage.”

Hoe lang wil je nog blijven voetballen?

“Ik hoop nog een jaar of vier, vijf. Zolang je het kan, moet je het doen, maar het moet wel op een goed niveau zijn. Na mijn profcarrière wil ik met vrienden blijven voetballen.”

Ben je iemand die geniet van de massale aandacht die je als profvoetballer krijgt of ervaar je dat eerder als een belasting?

“Als het over het pure spel gaat, over de prestaties en de kwaliteit ervan, vind ik het leuk. Het mooiste is uiteraard als je goed doet wat je moet doen. Als je naar de televisie geroepen wordt omdat er problemen zijn in je club, dan is het niet plezierig. Je gaat omdat het je beroep is, maar daarvoor ben je geen voetballer geworden. Als kleine jongen droomde je ervan om voetballer te worden omdat je het spel zo graag speelde. Dat is de essentie. De matchen.”

Je bent boekhouder van opleiding en beschikt ondertussen ongetwijfeld over een heel mooie spaarpot: wat wil je na je voetbalcarrière nog realiseren?

“Wat precies weet ik nog niet, maar ik zal alleszins blijven werken. Een of twee maanden per jaar niets doen, is mooi, maar als je helemaal niets meer te doen hebt, word je volgens mij heel snel oud. Welke zin heeft het leven dan nog?”

Zal de anonimiteit jou liggen?

“Dat denk ik wel.”

Of denk je toch stiekem aan een trainerscarrière?

“Ik laat alles open. Ik wil alleszins de trainerscursus volgen, gewoon uit interesse. Ik denk wel dat daar iets van te leren is.”

Voor je bij Club Brugge voetbalde, ging je bijna wekelijks naar de mis. Je geloof was een houvast. Wat schiet er nog van over?

“Ik ga minder naar de kerk, maar mijn geloof is overeind gebleven. Hoe ik dat beleef, hou ik voor mezelf. Als je ouder wordt, word je je er meer van bewust dat het leven kort is, dat er veel problemen in de wereld zijn en dat je dankbaar moet zijn dat je hier nu op dit terras kunt zitten. Als je je eens minder goed in je vel voelt, denk je daaraan. Ik weet ook op wie ik kan rekenen, op mijn familie en mijn beste vrienden. Ik weet wie voor mij belangrijk is en zij weten dat ook. Dat is mooi.” S

door christian vandenabeele beelden michel gouverneur (reporters)

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier