Geen beker van België, zelfs al is het zijn tweede, die hem zal veranderen. De trainer van Anderlecht is ook maar een mens. Een mooie mens. Het leven zoals het is, volgens Ariël Jacobs.

A riël Jacobs: “Trainer worden van Anderlecht heeft mijn leven niet ingrijpend veranderd. Dat hebben de gebeurtenissen buiten het voetbal gedaan. Enerzijds de bezorgdheid om de gezondheidstoestand van mijn ouders, anderzijds de geboorte van mijn tweede kleinkind. Ik heb dat allemaal een plaats moeten geven, vooral door er tijd voor te vinden.

“Een groot stuk van mijn leven heb ik bijna uitsluitend geleefd voor het voetbal. Die rijke ervaring komt mij nu ten goede. Ik moet niet meer zoveel tijd steken in trainingen of wedstrijdvoorbereidingen. Hoogstens moet ik bijsturen. Dat maakt het gemakkelijker nu, zelfs al is het Anderlecht.

“Gelukkig maar, want er is ook een andere kant. De gezondheidstoestand van mijn ouders heeft heel erg aan mij gevreten dit seizoen. Diep in mijn binnenste weet ik: het is belangrijker dan mijn drukke beroepsbezigheden, maar net dan werd ik hoofdtrainer van Anderlecht. Ik heb toen echt met mezelf in de knoop gelegen.

“Bij mijn contractverlenging was het de hoofdreden voor mijn twijfels. Ik zat gewrongen tussen mijn ouders en wat de club wilde. Vraag honderd mensen wat ze in mijn situatie zouden doen en ze gaan er allemaal voor. Logisch. Dat ik mezelf wel als T2 zag, had niets met mijn privé te maken. Die twee moet je kunnen scheiden. Als T2 had ik niet méér tijd gehad voor mijn ouders, alleen het dragen van verantwoordelijkheid zou anders hebben gelegen. Nee, ik paste gewoon het best in het profiel.

“Als ik neen had gezegd, was het neen geweest. Dan was ik hier buiten gestapt en had ik iets anders gezocht. Maar zover heb ik het niet gedreven. Mocht mijn vader ooit te weten zijn gekomen dat ik het niet deed wegens hem en mijn moeder, hij zou mij dat erg kwalijk nemen. Ik heb één keer een kleine hint gegeven en ik voelde het direct. Misschien zou ik in zijn plaats net zo reageren, maar ik zit nu wel met een gevoel, hoe noem je dat: een schuldgevoel?

“Mijn moeder stelt het lichamelijk nog goed, maar mentaal gaat ze enorm achteruit. Mijn vader heeft twee operaties achter de rug. Met hem gaat het ondertussen weer beter. Zonder chemo. Wat ik nu voor hen doe, is niet meer dan normaal en misschien nog te weinig. Alleen zou het niet te doen zijn. Dus proberen mijn vrouw en ik zo complementair mogelijk te zijn. Chapeau voor wat zij opbrengt in de zorg voor mijn ouders.

“Ouders verwachten niet dat je iets terugdoet. Je doet dat gewoon. Mijn moeder heeft altijd goed willen zorgen voor mij, té goed zelfs. Waarschijnlijk is dat eigen aan een moeder van een enig kind. De dingen die iedere man thuis doet en die niet gebeurden omdat ik er zelden was, deed mijn vader allemaal. Hoe langer hoe meer kom ik tot het besef dat ik alleen daardoor 24 uur per dag met voetbal bezig ben kunnen zijn.”

De dingen des levens

“Het is niet omdat ik in de schijnwerpers sta, dat mijn problemen meer aandacht verdienen. De gewone sterveling in de straat kent dezelfde miserie, maar daar spreekt niemand over. Moeder Sterchele verliest haar zoon en er komt 3000 man af en een golf van sympathie steekt op. Dezelfde dag stond in de krant onderaan op dezelfde pagina dat een moeder haar twee kinderen had verloren in een brand. Het was mijn dochter die mij erop wees. Niemand stond erbij stil, maar die moeder staat alleen met haar verlies. Zo’n schrijnend contrast, ik heb het daar moeilijk mee.

“Ik heb Sterchele één of twee keer een hand gegeven: beter ken ik hem niet. Toch ben ik ernaartoe gegaan. Niet naar de voetballer. Een moeder verliest haar kind, niet haar voetballer. Nee, je zit daar als mens, als ouder, als broer of zus en je probeert je in te leven in die mensen.

“Je ziet de moeder zitten. ‘Drama’ is niet eens sterk genoeg om uit te drukken wat haar is overkomen. Je ziet ook de vader. Toen de pastoor vroeg of er nog iemand iets wilde zeggen, kwam die man naar voren. Onverwachts. Ik voelde mee in zijn plaats, want wat er ook gebeurd mag zijn tussen hem en zijn vrouw, het blijft zijn kind.

“Je gaat de rij verder af. Naast de vriend van de moeder zie je de zus zitten. Jong. Zwanger. Dan denk je … (krijgt krop in de keel, vloekt en veegt traan weg) Sorry. Over vijf, zes maanden wordt dat kind geboren. Mijn dochter is pas bevallen, daar denk je dan aan. Daar ging het dus allemaal om. Om de dingen des levens, dingen die wij allemaal meemaken. Niet om de voetballer Sterchele.

“Weet je, ik heb misschien één geluk: dat ik me zorgen mag maken om mijn ouders die al een gezegende leeftijd hebben. Hoeveel mensen moeten zich geen zorgen maken om een kind in het ziekenhuis? Of om een kind dat uitgaat. Het is weekend, je gaat slapen en je hoopt dat er toch maar niemand belt. Ik heb het nooit aan mijn vrouw opgebiecht, maar vaak is die gedachte ook in mij opgekomen. Met Sterchele zal het zo gebeurd zijn.

“Als je jong bent, vind je alles normaal. Zoals dat je van groot onheil gespaard blijft. Mettertijd ga je beseffen dat je jezelf gelukkig mag prijzen. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar vaak denk ik diep vanbinnen: vroeg of laat zal er wel iets voorvallen. Als er iets ergs gebeurt, laat het dan het ontslag van Jacobs zijn. Begrijp je? Misschien is dat juist mijn sterkte: dat ik gemakkelijk afstand kan nemen. Je bent ontgoocheld na een nederlaag, kwaad op een speler om wat voor reden ook of blij om een overwinning, maar alles wat daaronder zit, dát is het ware leven.

“Dat spookte allemaal door mijn hoofd, daar in die kerk.”

De lach als masker

“De geboorte van mijn tweede kleinkind was met veel vraagtekens omgeven. Mijn dochter moest eerst binnen rond Pasen, maar dat veranderde een paar keer en dat maakte ons toch wat ongerust. Mijn schoonzoon lijdt aan epilepsie. Niet erg, maar je weet nooit welke invloed het kan hebben. Hij mag niet met de wagen rijden. Mijn dochter is thuis nu, afhankelijk van mijn agenda en die van mijn vrouw brengen wij hem ’s ochtends naar zijn werk.

“De opvoeding van je kinderen gebeurt maar één keer. Aan mij is ze bijna onopgemerkt voorbijgegaan. Mijn vrouw heeft alles voor twee gedaan. We lachen er soms om, gelukkig misschien, maar die lach verbergt een enorme tekortkoming. Met de levenservaring die ik nu heb, benader ik mijn kleinkinderen helemaal anders. Niet dat ik ze in de watten leg, maar toen mijn kinderen ziek waren, dacht ik nogal gauw: het gaat wel over. Nu moet Aaron maar efkes hoesten of ik voel me al geambeteerd.

“Ik denk dat ik geen enkele communie van mijn dochter heb meegemaakt. Ik stond daar niet bij stil, het was normaal. Maar de andere kant stond er ook niet bij stil. Hooguit heeft ze om te lachen eens gezegd dat ze haar cadeau nog moest krijgen. Het leven ging voort en het werd nooit goedgemaakt achteraf. Mocht mij dat nu overkomen, ik zou enorme spijt hebben. Ik héb ook spijt om vroeger. En spijt hebben is nooit een goed teken.

“Mijn moeder herkent mij nog. Soms. Als ik mijn ouders ophaal om mijn tante te gaan bezoeken, kan het zijn dat ze mijn voornaam zegt en iets vertelt, maar eens we daar zijn aan mijn vader vraagt: wat komt den diene hier doen?

“Zoals ieder jaar ging ik op nieuwjaarsdag mijn tante halen. Een zus van mijn moeder, al lang weduwe en zonder kinderen. Elk jaar op de eerste dag komt ze samen met mijn ouders bij ons eten. Ik kom daar toe en de rollen zijn nog af. Heel raar, want als je om elf uur afspreekt, staat ze normaal om kwart voor tien al klaar en begrijpt dan niet waar je zolang blijft. Ken je dat? Op het geschreeuw van een buurvrouw hoorden we heel zacht haar stem. We hebben een slotenmaker moeten zoeken, wat niet evident is de eerste januari, en met veel moeite heeft die de deur open gekregen. Bleek ze te zijn gevallen. Niks ergs verder, maar twee dagen later deed ze een infarct. Sindsdien kan ze niet meer zelfstandig wonen.

“De volgende dag vertrokken we met de ploeg naar La Manga. Ik heb letterlijk een knop moeten omdraaien. Het een mocht geen invloed hebben op het ander en dat was absoluut niet gemakkelijk. De miserie waar ik mijn vrouw toen mee heb opgezadeld, daar voel ik me nog altijd onvoorstelbaar schuldig voor.”

Onvolmaakte schepping

“Dood en lijden schrikken mij af, ja. Het leven is niet gemakkelijk, maar elle vaut la peine d’être vécue. Ondanks alle kommer en kwel loont het de moeite om geleefd te worden. God heeft het leven gemaakt en heel veel zaken heeft hij goed gedaan, maar dikwijls vraag ik me toch af: waarom heeft hij dát er moeten bijsteken? Dat had toch beter gekund.

“Ik zeg God, ja. Waarom? Ik ben gedoopt, ik ben gelovig, ik ben katholiek. Ik vind ook dat ik naar de mis zou moeten gaan. Omdat je moet afmaken waar je aan bent begonnen, maar ook omdat telkens als ik een mis bijwoon, ik ervaar dat daar veel goede zaken worden verteld. Helaas ontbreekt mij de tijd. Een goedkoop excuus, ik weet het. Mijn vrouw heeft nog minder tijd dan ik en zij gaat wel elke week.

“Het feit dat Hij de mens zo gemaakt heeft, en naar ik vind niet verkeerd, en hem de kans heeft gegeven om mooie dingen te zeggen, te schrijven en te maken, doet mij besluiten: er móét Iets of Iemand zijn. Het kan gewoon niet anders. Tegelijk zit ik met een dualiteit, want als dat allemaal kan, waarom is die Iemand of dat Iets dan ook verantwoordelijk voor al het lijden, voor zoveel oorlog en zoveel andere negatieve zaken? Maar dan redeneer ik verder en denk: wie heeft dat allemaal gecreëerd? De oorlogen, dat zijn wij. Het lijden, dat niet. Ziekte is het onvolmaakte van de schepping.

“Ik weet te weinig af van euthanasie om mij in het debat te mengen, maar ik heb het heel moeilijk met mensen die beslissen voor iemand anders. Hoe pijnlijk een situatie ook is, een mens moet zelf het recht blijven hebben om al dan niet te blijven leven. Hoe kan je over iemand beslissen als je zelf zijn pijn niet voelt? Misschien vindt iemand die als een plant in een rolstoel zit, dat hij wel nog van de essentie kan genieten, ondanks alles wat hij niet meer kan. Wie zijn wij om daar een oordeel over te vellen?

“Kan iemand over zijn eigen leven beslissen? Dat weet ik niet. Ik vind wel: je moet altijd je lot in eigen handen kunnen houden. Als Hugo Claus dat in eer en geweten en bij zijn volle verstand zelf heeft beslist, mag men daar geen kritiek op hebben. De kritiek die losbarstte naderhand, vond ik ongepast.

“De wetenschap heeft niet overal een antwoord op. Ze slaagt erin mensen naar de maan te brengen, wat onvoorstelbaar is, maar het allerbelangrijkste, een mensenleven zo comfortabel mogelijk maken en ziektes voorkomen, daar slaagt ze niet in. Er is vooruitgang, oké, maar toch. Dat het ons nederig houdt en de mens zich niet God doet wanen? Ik voer nederigheid hoog in het vaandel, maar niet als het gaat om de kwaliteit van het leven. Het leven is de moeite waard om geleefd te worden, maar dan liefst zo goed mogelijk. Waarom moeten mensen afzien? Waarom is er oorlog?

“Oorlog is het meest absurde wat er bestaat. Voetbal is ook een klein beetje oorlog, zeggen ze. In het heetst van de strijd kun je venijnig of zelfs vijandig uit de hoek komen, maar voor mij stopt het altijd op een punt van redelijkheid. Dat zou het bij iedereen moeten doen, vind ik, zelfs al is het je job en wil je alles winnen.

“Het is jammer dat mensen pas bij de dood van iemand die iedereen kent, tot het besef komen dat de vijandigheid op en rond een voetbalveld toch nog overstegen wordt door gevoelens van menselijkheid. Op het afscheid van Sterchele zag ik iemand met een truitje van Anderlecht. Heel pakkend vond ik dat. Misschien heeft die man zich wel afgevraagd hoe hij ontvangen zou worden, maar heeft hij gewoon willen laten zien dat er boven de wederzijdse vijandigheid toch nog een gevoel van respect bestaat voor elkaar. Gelukkig kan dat nog.”

Wenen in de kleedkamer

Daniël(Renders, assistent-trainer) verwachtte zich aan het overlijden van zijn moeder toen tegen alle verwachtingen in zijn vader overleed. Zijn God. Hij was helemaal van de kaart.

“Drie weken later moesten we naar Bordeaux. Ik vroeg hem om thuis te blijven, zijn moeder ging boven alles. De avond voor het vertrek bezocht hij haar in het ziekenhuis. Haar toestand was kritiek, maar volgens de dokter kon hij vertrekken. We beslisten dat hij ons pas de dag van de wedstrijd achterna zou reizen. Daar aangekomen belt hij me op en begint te wenen. Direct na het landen had hij op zijn gsm een bericht van zijn zus gevonden: zijn moeder was overleden. Hij wilde blijven, maar ik heb hem gezegd: jij gaat terug.

“Een week later verlaten we het crematorium in Vilvoorde. Ieder met zijn eigen auto. Tien minuten later krijg ik een berichtje van Filip(De Wilde, kee-perstrainer). ‘Ongelooflijk, maar spijtig genoeg waar: mijn moeder is overleden.’ Totaal onverwacht, ook al was ze gehandicapt door een eerdere trombose. Ondertussen is ook de vader van Eric Dehaeseleer, de physical trainer, terminaal.

“Daar zit je dan, allemaal samen in dat kleine kleedkamertje van een paar vierkante meter. Op zeker moment is er onder de trainers meer gesnikt en geweend dan wat anders. En ondertussen moet je lachen en springen als je gewonnen hebt. De kracht en de eendracht die al groot waren onder die mensen, zijn er nog sterker door geworden. Maar dat weegt niet op tegen het zwaartegevoel en het gevoel van machteloosheid.

“De spelers waren op de hoogte. Dat moet ook, want als trainer kan je in zo’n situatie soms onbewust afdwalen met je gedachten. De helft is er niet mee bezig, een kwart staat er misschien even bij stil en slechts een kwart gaat dieper nadenken omdat ze weten dat ze er vroeg of laat zelf mee geconfronteerd kunnen worden. Met de dood van Sterchele is dat ook gebeurd.

Gillet komt uit dezelfde streek en kende hem vrij goed. Mijn boodschap naar hem is geweest om zijn overlijden een les te laten zijn voor zijn eigen handel en wandel, zonder dat ik hem ergens van betichtte. Ik neem aan dat de dag erna iedereen rustig zal hebben gereden, maar of de boodschap op termijn blijft doordringen? Ik vrees dat het een momentopname blijft. Omdat het jonge mensen zijn, maar vooral omdat ons leven maar voortraast. Ik betrap er mij ook op dat als er ’s morgens file is en ik hier om negen uur moet zijn, ik ook een bepaald, maar misschien niet dodelijk risico neem. En allemaal denken we: erg, maar het zal mij wel niet overkomen. Tot het toch gebeurt.

“Voor Nieuwjaar kregen we hier het bezoek van een terminaal kankerpatiëntje, een jongen van een jaar of twaalf. Hij wilde een training meemaken en eens in de kleedkamer zitten. ’s Namiddags heb ik de spelers toegesproken. ‘Kijk mannen,’ heb ik gezegd, ‘dat ik hier sta, is misschien een toeval. Dat jullie met voetballen je brood verdienen misschien ook. Maar ooit zullen jullie kinderen hebben en dan staan we allemaal voor dezelfde wet: dan kan dát ons allemaal overkomen.’

“Als trainer heb je als taak je spelers voor te bereiden op de trainingen, op de wedstrijden, op de keiharde profwereld. Maar er is een andere realiteit, één die ons allemaal boven het hoofd hangt. Een profvoetballer staat daar niet bij stil. Over die realiteit wil ik het ook hebben.” S

door jan hauspie

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier