Zegt de man die in zijn carrière meer dan 525 koersen won. Op 6 oktober rijdt Ludo Giesberts zijn laatste koers. ‘Het wordt een emotionele dag.’

De beste wielrenner aller tijden, Eddy Merckx, won in zijn ongeëvenaarde loopbaan 525 wedstrijden. Tot voor de Bevrijdingsprijs in Arendonk op woensdag 4 september was hij daarmee de absolute recordhouder wat het aantal overwinningen betreft. In Arendonk pakte een 37-jarige ex-prof in zijn 22ste seizoen als wielrenner zijn 526ste zege. Ludo Giesberts kreeg plots een ongeziene media-aandacht en reed een hele week – wat voor hem ontzettend lang is – geen enkele koers. Tot hij vorige week dinsdag weer van start ging, in Vorselaar. Hij won.

Zoveel overwinningen voor iemand die begon als voetballer. Niet slecht, toch ?

Ludo Giesberts : Klopt, tot mijn twaalfde heb ik gevoetbald. Maar mijn moeder en ook mijn grootouders, door wie ik opgevoed ben, waren nogal gesteld op properheid in huis. Ze zegen me liever niet met voetbalschoenen binnenkomen en zeiden : er staat nog een koersfiets van Nonkel Roger in het schot, ga daar wat mee rijden. Zo gezegd, zo gedaan. En het beviel me nog ook. Toen ik er een keer met wielertoeristen op uit trok, vonden die dat ik snel reed en dat ik moest aan wedstrijden deelnemen.

Herinner je nog de eerste koers waaraan je deelnam ?

Op 1 maart 1980 in Oud-Turnhout. Vlak in de buurt, dus, want in de beginperiode reed ik nog met de fiets naar de wedstrijden. De koers eindigde op een massasprint. Voor mij haakten een paar renners in elkaar, ik viel erover en brak mijn rechtersleutelbeen. In mijn allereerste koers ! Als ik erop lig, voel ik het soms nog. Toen ik thuiskwam zei mijn grootmoeder : stop maar met koersen. Maar van stoppen, wilde ik niet weten. Ik was bezeten door de koers. Nog voor ik zelf aan wedstrijden deelnam, ging ik al naar alle koersen in de buurt kijken. Dan schreef ik de tijden op die de renners over een bepaald traject deden – bijvoorbeeld 50 km in één uur en twintig minuten – en probeerde ik de dag nadien op hetzelfde parcours evengoed te doen.

Weet je nog wanneer je voor het eerst won ?

Ik was nog maar pas hersteld van mijn sleutelbeenbreuk. Op 8 juni in Overpelt won ik mijn eerste koers. We reden er een tweedaagse : op zaterdag werd ik zesde, op zondag eerste en won ik tegelijkertijd de tweedaagse. In mijn eerste seizoen won ik uiteindelijk zes wedstrijden. Een echte zegekampioen was ik op dat moment dus nog niet, maar het volgende seizoen, een jaartje ouder, pakte ik eenenveertig keer de bloemen. En vanaf dan ben ik altijd veel blijven winnen.

In 1986 werd je prof bij de Panasonic-ploeg van Peter Post. Je kon ook tekenen bij Kwantum van Jan Raas en bij Roland. Waarom koos je voor Panasonic ?

Rik Van Looy was een beetje mijn mentor en de contacten met Panasonic verliepen via hem, vandaar mijn keuze voor die ploeg. Achteraf gezien had ik beter bij Roland getekend. Bij een kleine ploeg, waar ik rustig kon groeien. Bij Panasonic moest ik onmiddellijk grote koersen rijden. Franfurt, Zürich, Ronde van Italië : dat was té vroeg. Ik heb er lang niet alles uitgehaald wat erin zat. Je ziet nu ook hoe ze bijvoorbeeld Tom Boonen afschermen. Ze laten hem een paar keer pieken met lange rustperiodes tussenin. Zo hoort het ook.

‘Mijn loopbaan had er anders kunnen uitzien, was ik niet meteen bij Peter Post beland’, liet je je onlangs in Het Nieuwsblad ontvallen.

Dat is een vaststelling, geen verwijt, let op. Maar voor een neoprof was die ploeg gewoon te groot. In kermiskoersen kon ik mijn mannetje staan, maar ik was nog te jong, eenentwintig, om al mee te kunnen in internationale wedstrijden. In België kwam ik beter uit de verf : ik was ooit tweede in de herdenkingsprijs Raymond Impanis en vierde in de grote prijs Eddy Merckx en ik behaalde een overwinning in de sluitingsprijs in Putte-Kapellen. In zeven jaar bij de profs, bij Panasonic, TV-blad, ADR en La William, won ik toch nog negenentwintig koersen. Maar moest ik nu twintig jaar zijn, ik zou het helemaal anders aanpakken.

In 1993 moest je afhaken met hartklachten…

…Nog voor het begin van het seizoen voelde ik me niet goed op training. De huisarts stuurde me door naar een hartspecialist in Leuven. Ik zat er wel serieus mee, voelde vaak stiekem onder tafel hoe hoog mijn polsslag was. Er bleek uiteindelijk niets al te ernstigs aan de hand. Ik had klierkoorts en dat maakte heel mijn lichaam zwak. Ik kreeg overal klachten, ook in de buurt van mijn hart.

Je moest een stap terugzetten.

Ja (zucht). Ik had acht maanden lang geen koers gereden. Ik mocht wel fietsen, maar aan een erg traag ritme. Even vreesde ik zelfs voor het einde van mijn loopbaan. Zover kwam het gelukkig niet, want ik werd opnieuw fit verklaard voor de dienst. Máár, eind ’93 was het crisis in de Belgische wielersport. Ik moest wel een stap terugzetten.

Je ging bij IJsboerke aan de slag als eliterenner zonder contract en je won meteen de Ronde van Vlaanderen, misschien wel de belangrijkste zege in je carrière.

Ik versloeg Max van Heeswijk, nu prof bij Domo-Farm Frites. Die overwinning deed wel deugd. De persbelangstelling was groot en bovendien hield de voetbalploeg van Tielen ’s avonds zijn kampioenenbal. We hebben stevig meegevierd.

Was dat voor jou ook de mooiste overwinning uit de lange reeks ?

De mooiste was voor mij de grote prijs Jean-Pierre Monseré in Retie. Het recordaantal overwinningen op een seizoen stond op naam van Greg Moens met vijftig. Ik won die dag in Retie mijn eenenvijftigste.

Meer dan vijfhonderd overwinningen, maar nooit Belgisch kampioen. De grootste lacune op je palmares ?

Ja, daar heb ik heel veel spijt van. Voor één keer het kampioenschap van België had ik met plezier driehonderd overwinningen afgestaan.

Je bent zeven jaar beroepsrenner geweest, maar het grote geld heb je niet verdiend.

Als prof kon ik ervan leven maar nadien, als eliterenner zonder contract, was dat niet meer mogelijk. Hier en daar krijg je wat startgeld, maar goed verdienen ? Nee, dat is er niet bij. Weet je hoeveel je momenteel krijgt als je een koers wint ? Welgeteld 69 euro. Daar kan je niet van leven, hé. Ik werk als PWA’er vier uur per dag. In de winter soms acht, zo kan ik in de zomer eens een dag thuisblijven om te koersen of te trainen door gebruik te maken van die overuren.

Je werk als klusjesman bestaat er onder meer in het gras af te rijden, maar je vrouw vertelde me daarnet dat je dat thuis bijna nooit doet.

( grijnst) Dat klopt, hier rijdt mijn vrouw het gras af. Als ik thuis ben, moet ik gaan trainen of koersen. Maar volgend jaar gaat dat wel veranderen, hoor. Ze mag op haar twee oren slapen.

De laatste jaren kroonde je tot dé specialist van de kermiskoersen. Heb je een geheim om zo vaak als eerste over de streep te komen in dat soort wedstrijden ?

Alles begint in het hoofd. Je moet het wíllen, je moet er zin in hebben. Daarnaast beschik je natuurlijk best over een dosis koersinzicht. Je moet koersen wanneer het nódig is.

Is het geen veeg teken voor de toekomst van het Belgisch wielrennen dat jij de laatste jaren de jonge renners zo dikwijls overklaste ?

Jonge renners hebben nog niet de kracht in de benen van de oudere. Geloof me, de opvolging is er : denk maar aan bijvoorbeeld Dave Bruylandts, Tom Boonen, Jurgen Van Goolen. Laat die jongens rustig opbouwen, ze komen er wel. Johan Museeuw is ook ruim zesendertig.

In ‘De Laatste Show’ kreeg je felicitaties van Eddy Merckx, de man die na jou het meeste koersen won.

Twee maanden geleden zei m’n schoonvader : als je er voluit voor gaat tot het einde van het seizoen, kan je het record van Eddy Merckx nog breken. Ik had daar zelf niet bij stilgestaan, want je kan mij toch niet vergelijken met Eddy Merckx ? Dat bestaat niet !: Vijf keer de Ronde van Frankrijk, wereldtitels, al die klassiekers : Merckx is een monument in de wielersport. Ik ben nu een kleine BV voor een week. Ik geniet daarvan, het is mooi meegenomen, maar ik besef dat ik over een aantal weken weer anoniem door het leven stap.

Bij Bruno Wyndaele in de zetel vertelde je ook dat je spijt had over een afspraak die je ooit in de koers niet was nagekomen.

In Arendonk was dat. We reden met vijf voorop. Twee van ADR, drie van Superconfex. We kwamen tot de overeenkomst dat Nico Verhoeven mocht winnen en ik als tweede over de streep mocht komen. Ik sprintte vol door en won. Mijn ploeggenoten zeiden achteraf : een Hollander moogt ge flikken. Ik weet niet… Soms lachen de mensen ermee en zeggen me dat het al zo lang geleden is, dat ik er niet mee moet zitten. Misschien lacht Nico er ook mee als hij dit leest… Maar toch, ik heb er nog altijd spijt van. Een woord is een woord.

Gebeurt het vaak dat er afgesproken wordt wie er mag winnen ?

Het gebeurt wel eens, af en toe, dat je afspreekt : vandaag rijden we bij mij in de buurt, kan je mij niet helpen. Ik zal volgende keer iets voor jou doen. Het is geven en nemen – zo gaat het toch ook in de maatschappij ? Maar je moet wel eerst mee vooraan zitten, achteraan kan je niet klappen.

Er worden nooit afspraken gemaakt vóór de wedstrijd ?

Nee. Kan ook niet, hé. Je weet niet wie er zal meerijden.

Gaat het om veel geld als er wedstrijden worden ‘verkocht’ ?

Nee, 2000 frank of zo. Maar nogmaals het gebeurt maar af en toe. Zoals ik al zei, verdien je maar 69 euro als je wint, dus…

‘Ik moest vijftien miljoen rijker zijn’, stelde je in de kranten.

Ik ben tevreden met wat ik heb. Maar ik had de kans om tien, vijftien miljoen meer te verdienen met hetzelfde te doen als ik nu gedaan heb. Als amateur moet je ook in weer en wind hard trainen. Ik zeg niet dat ik het in me had om een Museeuw of een Vandenbroucke te worden, maar ik had wel de kwaliteiten om een carrière uit te bouwen als, laat ons zeggen, Wilfried Peeters. En dan had er dus nu tien, vijftien miljoen meer op mijn bankrekening gestaan.

Heb je nooit er nooit tegen opgezien om altijd weer te gaan trainen ?

Nee nooit. Ik ben altijd met plezier gaan trainen. Ik zal je een anekdote vertellen. Vorig jaar op 28 december won Erwin Vervecken de Azencross in Loenhout. Herinner je je nog hoe ijskoud het toen was ? Bijna overal in de buurt lag er sneeuw. Ik ben toen met de wagen tot in Wommelgem gereden, omdat het daar niet gesneeuwd had. Ik heb er drie uur getraind, bij twee graden Celsius.

Met andere woorden : je bent een echt trainingsbeest ?

Ik ben een maniak. Je móet het graag doen, ( balt zijn vuist) je moet trainen, afzien.

Is het feit dat je te vroeg bij een topploeg terechtkwam de enige reden waarom je niet doorbrak bij de profs ?

Nu moet ik opletten wat ik zeg, maar… Als tien mensen zwaar werk verrichten, bijvoorbeeld in de bouw, en negen daarvan hebben een schoofzak bij en jij niet… Dan ga je op het einde van de dag zeggen : wat is dat hier allemaal ?

Heb je er dan nooit aan gedacht om ook ‘een schoofzak’ mee te nemen ?

Ik was op dat moment bang om een schoofzak aan te nemen. Mocht ik het opnieuw kunnen overdoen, ik zou mij beter laten begeleiden. Als je onder begeleiding van een dokter staat, zijn de gevaren niet zo groot, volgens mij.

Bedoel je nu dat negen op tien renners middelen gebruikte die op de verboden lijst stonden ?

( met klem) Dat zeg ik niet, dat weet ik ook niet, hé. Je kan een ijzerpil nemen, maar je kan ook een ijzerspuit laten zetten. Zó bedoel ik. Ik geloof ook dat nu iedereen met gelijke wapens strijdt. Er wordt consequenter toegezien op zaken die absoluut niet kunnen.

Op 6 oktober rij je voor het laatst een wedstrijd.

In Retie, de gemeente waar ik altijd gewoond hebt. Het wordt een emotionele dag. In de kermiskoersen ga je je altijd op dezelfde plaats omkleden en zeg je altijd : tot volgend jaar, hé. Nu is het overal de laatste keer en op 6 oktober zal het de állerlaatste keer zijn, versta je. Ik heb tweeëntwintig jaar gekoerst, ik sluit met andere woorden een deel van mijn leven af.

Het is nu aan jouw zonen om een volgend hoofdstuk in het wielerboek van de Giesberts te schrijven.

Ik heb drie zonen. Jeroen, de jongste, doet momenteel aan atletiek; Steven voetbalt; Gino, de oudste kreeg in juni een koersfiets voor zijn verjaardag en is nu al elke dag aan het trainen. Volgend jaar begint hij bij de aspiranten. Ik denk trouwens dat ze het alle drie na verloop van tijd wel zullen proberen in het wielrennen. Ik ga ze zeker niet in die richting pushen, maar ik merk dat ze er allemaal interesse voor hebben.

En de vader ? Fiets aan de haak en een jaar niet naar omkijken, zoals vele anderen ?

Nee, in geen geval. Ik blijf fietsen, ik doe het veel te graag. Ik zou ook geen vijf kilogram willen bijkomen. Als de mensen me na een jaar tegenkomen en zeggen : amai, hoe dik is die geworden, nee dat zou ik niet kunnen verdragen.

Bij wat ik professioneel wil gaan doen, heb ik nog niet stilgestaan. Echt niet. Ik zal zien wat er op me afkomt. Ze hebben me al gevraagd om als vertegenwoordiger sportkledij te verkopen, maar dan zou ik vooral ’s avonds moeten werken en dat zie ik niet zitten. Liefst van al zou ik in het wielermilieu willen blijven, met jongeren werken bijvoorbeeld. Maar niet ten koste van alles. Iemand zijn plaatsje afpakken, zou ik niet kunnen.

door Roel Van den broeck

‘Voor één keer het kampioenschap van België had ik met plezier driehonderd overwinningen afgestaan.’

‘Ik ben geen Museeuw, maar ik had wel de kwaliteiten om een carrière uit te bouwen als Wilfried Peeters.’