Kevin van der Perren (23) behoort al tot de anciens in het kunstschaatsen. Maar ook een medaille op de Olympische Winterspelen in Turijn zou voor hem niet het einde betekenen.

S afri Duo en Pirates of the Caribbean. Kevin van der Perren zal in Turijn niet bepaald kiezen voor wat je noemt ‘klassieke kunstschaatsmuziek’. “Maar dat moet ook niet, integendeel.” Van der Perren is een buitenbeentje in zijn sport, zoveel is duidelijk.

Voor het eerst sinds 1948 en het ijsschaatskoppel Pierre Baugniet en Micheline Lannoy maakt België weer kans op een medaille op de Olympische Winterspelen. Een minder geslaagde repetitie op het EK ten spijt gelooft ook van der Perren zelf dat het kan lukken, maar “er wordt wel een beetje té veel de nadruk gelegd op Turijn”, vindt hij. “Overal waar je komt, ook op de Grand Prixmeetings, is het enige wat je hoort : the Olympics, alsof de sport alleen daarover gaat. Dat stoort me wel een beetje.”

Zeg je dat vooral om de druk bij jezelf weg te nemen ?

Kevin van der Perren : “Ook ( lacht). Maar het WK drie weken na de Spelen is óók belangrijk. Vorig jaar was ik achtste op het WK, maar in geen enkel interview ging het daarover. Iedereen wou het hebben over Holiday on Ice ( lacht). Dat heb je natuurlijk met een sport die niet zo bekend is.”

Wat zijn, heel concreet, je ambities voor Turijn ?

“In de eerste plaats top zes, dat is de laatste groep van de wedstrijd. Kan je daarin schaatsen, dan houd je er sowieso een beter gevoel aan over. Bovendien : als je top zes van de wereld bent, heb je zeker werk in de zomer, wanneer het seizoen stilligt, shows in de Verenigde Staten, bijvoorbeeld.”

Top zes, dan ben je ook dicht bij de medailles ?

“Dat is zo, maar, weet je, ik word liever vijfde met een goede prestatie in een wedstrijd waarin iedereen het maximum van zijn kunnen toonde dan derde met veel geluk.”

Je bent nu 23 jaar, is dat de topleeftijd in het kunstschaatsen ?

“Dat hangt ervan af wanneer je begonnen bent. De meesten zitten op hun piek op hun 21ste, 22ste, omdat ze op hun vierde al op schaatsen stonden. Ik was 12 jaar toe ik begon, ik denk dus dat ik nog progressie kan maken. Veel zal dat niet meer zijn, want technisch heb ik het moeilijkste programma van alle schaatsers. Als dat lukt, zit het heel goed… En over de rest, ja, daarover heb je geen controle.”

Verklaar eens wat nader in welke zin je het technisch moeilijkste programma hebt ?

“Ik ben de enige die de combinatie quatriple-triple brengt. De anderen hebben de derde reeks nodig om alle verplichte sprongen gedaan te hebben, terwijl ik daar nog een extra opening heb. Pure winst op de rest dus.”

Maar dan moet die combinatie wel lukken, natuurlijk…

“Al het hele seizoen heb ik het gevoel dat ik mijn oefening technisch beheers, maar het blijft moeilijk om dat van een training over te zetten naar de wedstrijden. Een wedstrijd waarin alles perfect is – ik zeg maar wat : de kwaliteit van het ijs, een goede belichting – bestaat immers niet.”

Er is de techniek, en “over de rest heb je geen controle”, zeg je. Dan heb je het over de persoonlijke smaak van de jury ?

“Wat dat betreft, moet je eerst proberen naam te maken. Dat duurt wel enkele jaren, ik heb het nog nooit meegemaakt dat iemand voor het eerst meedoet en al meteen een goede score krijgt van de jury qua choreografie.”

Is het ‘een beschermd wereldje’ aan de top ?

“Normaal zou dat niet meer mogen sinds ze het puntensysteem aanpasten, maar het valt op dat het voor sommigen nog niets veranderde. Wat het technische gedeelte betreft, is er geen probleem. Elke sprong heeft zijn waarde. Lukt je sprong, dan krijg je de punten, lukt de sprong niet, dan krijg je ze niet. Het is erop of eronder. Voor de choreografie is de persoonlijke smaak van het jurylid bepalend. Als ik mijn korte kür op muziek van Safri Duo rijd, dan zal een antiekeZjo mij niet veel punten geven ( lachje). Ik maakte het al mee dat een jurylid naar mij kwam en me zei : ‘Je moet dringend je kostuum en je muziek veranderen. Je staat hier op een kunstschaatsbaan, niet in een dancing.’ Ach ja, volledige objectiviteit zal je nooit hebben met een jury, daar moet je je bij neerleggen.”

Is er wat dat betreft enige systematiek terug te vinden bij de jury. Is het bijvoorbeeld zo dat jij, omdat je voor eerder onconventionele muziek en choreografie kiest, benadeeld bent op grote toernooien ?

“Nee, dat niet. Op dat vlak ben ik misschien een pionier geweest. Tot vorig jaar reed niemand met dat soort muziek, terwijl ik er dit jaar toch al vijf zag… Eindelijk ( lacht).”

Speelt het ook een rol uit welk land een schaatser afkomstig is ? Krijgen schaatsers uit de ‘klassieke landen’ meer waardering van de jury ?

“Minder dan vroeger, maar het verschil bestaat nog altijd, ja. Het valt mij alvast op dat de Amerikanen vaak een streepje voor hebben. De verklaring ? Traditie, zeker. Ik weet het niet, maar het is stilaan wel aan het veranderen.”

In Turijn zullen er bij de mannen twee Belgische juryleden zijn, onder wie de hoofdreferee. Wat dat betreft, heb je weinig reden tot klagen, toch ?

“Ik zal op zijn minst de zekerheid hebben dat ze me niet met opzet naar beneden zullen duwen.”

Behoorlijk veel kunstschaatsers stoppen ermee als ze een mooi resultaat behaald hebben op de Olympische Spelen om in de ijsshows het ‘grote geld’ te verdienen. Ga je ook die weg op als je een medaille haalt in Turijn ?

“Nee, daar heb ik later nog tijd voor. Voor die shows moet je niet meer het allerhoogste niveau aankunnen. Als je derde wordt omdat iedereen de mist inging, dan is het beter om te stoppen, want anders verdien je nadien niet meer zoveel. Maar als je het verdient om er te staan, waarom dan niet voortdoen ?”

Hoe lang wil je nog doorgaan ?

“Tot aan de volgende Olympische Spelen wil ik op topniveau doorgaan. Van mijn twaalfde tot mijn achtentwintigste, dan zal het wel mooi geweest zijn.”

Op welke leeftijd begon je het kunstschaatsen serieus te nemen ?

“Op mijn achttiende, toen ik met Linda Van Troyen voor het eerst een trainster nam, iemand die me pushte. Voordien kwam ik één of twee keer per week zonder begeleiding.”

Hoe kan je, als je zo laat met de sport begint, de achterstand inhalen ten opzichte van concurrenten die van kindsbeen af aan kunstschaatsen doen ?

“Als je het vertelt aan de anderen kijken ze wel raar op, ze lijken het niet te geloven. Op vier maanden tijd haalde ik een achterstand van een aantal jaar in, maar het is niet evident om het niveau vast te houden. Ik heb geen basis en dat speelt natuurlijk in mijn nadeel. In de klassieke schaatslanden worden er door de federaties selecties gehouden waaraan zowat tweehonderd kinderen deelnemen. De grootste talenten krijgen intensief les en de rest mag naar huis. Twee jaar later volgt een nieuwe evaluatie en op die manier houd je de beste over. Ik heb hier in België nooit concurrentie ondervonden, moest nergens voor vechten. Motivatie uit de steun van het publiek kon ik hier jammer genoeg evenmin halen, want naar een Belgisch kampioenschap, bijvoorbeeld, komt amper 50 man kijken.

“Anderzijds heeft het misschien ook één voordeel dat ik op zo’n late leeftijd begonnen ben : misschien doe ik het daardoor nog altijd met plezier. Ik hoor vaak collega’s, die zelfs nog wat jonger zijn, zeggen : ‘Ik ben blij dat de Olympische Spelen beginnen, dan kan ik ermee ophouden.’ Ik heb het gevoel dat het voor mij nu pas begint. Ik kan alles wat je moet kunnen om een goed resultaat te behalen, maar nu moet ik leren om constant te presteren.”

Komt Turijn dan niet iets te vroeg ?

“Een jaar later was ideaal geweest. Ook al omdat de top drie van het WK van vorig jaar er na dit seizoen de brui aan geeft. Dat zijn dus al meteen drie plaatsen bonus ( lachje).”

Je werkt met een mental coach, Paul Wylleman. Wat brengt hij je bij ?

“Hij hielp me mijn zenuwen weer in bedwang te houden. Na de Olympische Spelen van Salt Lake City had ik het gevoel dat ik niet meer wist wat ik deed. Plots was ik de helft van mijn sprongen kwijt.”

Waaraan lag die mentale dip ?

“Mijn samenwerking met de Russische trainer Nikolai Morozov in Connecticut was daar voor een groot deel verantwoordelijk voor. Hij heeft mij gekraakt door me voortdurend op mijn vingers te tikken.”

Hoe bedoel je ?

“Hij wees me er constant op dat ik moest vermageren en alles wat ik al geleerd had, wou hij veranderen. Dat lukte niet. Hij beval me ook om andere schaatsen te nemen, van een veel mindere kwaliteit.”

Lag Morozov ook aan de basis van je breuk met Linda Van Troyen ?

“Het klopt wel dat ze het niet zag zitten om de tweede viool te spelen, maar als je lange tijd met iemand samenwerkt, komt er een beetje sleet op een relatie. Ik vind haar nog altijd een heel goede trainster, maar het ging gewoon niet meer. Met mijn huidige trainster, Vera Vandecaveye, heb ik een heel andere band. Linda bepaalde alles wat ik moest doen, terwijl Vera me meer loslaat. Dat heb ik wel nodig.”

Heb je van Morozov dan niets geleerd in die twee jaar, 2002 en 2003, dat je met hem samenwerkte ?

“Op het technische vlak heeft hij me zeker niets bijgebracht, wel integendeel. Maar ik mag niet zeggen dat ik totaal niets van hem leerde. Hij deed me inzien dat je niet noodzakelijk stijve kostuums moet dragen of op klassieke muziek moet rijden.”

In een interview met dit magazine vertelde Linda Van Troyen ons enkele jaren geleden dat je “een hekel hebt aan alles wat overdreven vrouwelijk is : ballet, een pakje met veel kleuren. Hij wil mannelijk blijven.” Hoe moeilijk is dat in ‘het wereldje’ ?

“Ik denk wel dat 75 procent van de kunstschaatsers niet zo mannelijk is ( lacht). Van sommige rijders denk ik : doe een kleed aan en neem deel bij de vrouwen. Veel van de oudere juryleden vinden het klasse dat de oefening van bijvoorbeeld Johnny Weir of Emanuel Sandhu zo mooi afgewerkt is, maar… Dat balletachtig ding zouden ze niet zo mogen bevoordelen, vind ik. Het is nog altijd spórt.”

Je ligt dan ook onder contract bij een spórtmanagementbureau, IMG. Wat houdt dat concreet in ?

“Ze proberen mij werk aan te bieden, shows in het buitenland en zo.”

Vormen die contracten voor shows in het buitenland jouw grootste bron van inkomsten ?

“Nee, dat is mijn contract met Bloso en het BOIC. Dat staat gelijk met 80 procent van mijn inkomsten. Daarnaast is Stars on Ice in Antwerpen belangrijk voor mij. Dat heb ik ook nodig om me geen zorgen te maken.”

Sinds wanneer verdien je iets aan je sport ?

“Tot de Olympische Spelen van Salt Lake City in 2002 stonden mijn ouders in voor de kosten. Elk jaar moesten ze zowat 10.000 euro neertellen om mijn sport te kunnen betalen. Ondertussen kost een seizoen al vijf keer zoveel. Dat kan je natuurlijk niet bekostigen zonder de steun van Bloso, het BOIC en hun sponsors.”

Een slotvraagje : je geeft in Liedekerke dagelijks les aan 13-, 14-jarigen. Is er talent op komst ?

“Er zijn er bij van wie ik denk : dat kan iets worden, maar het valt af te wachten hoe ze reageren als ze wat ouder zijn. Een opvolger op korte termijn ? Over twee, drie jaar zie ik Ruben Blommaert wel deelnemen aan het EK. Hij heeft talent én hij is ambitieus. Maar je moet niet over een opvolger spreken, hé. Ik ga nog niet meteen stoppen ( lachje).”

ROEL VAN DEN BROECK