Twaalf jaar lang werd Maarten Martens opgeleid door Anderlecht. Morgen keert de 27-jarige stilist terug naar het Astridpark, maar dan wel in het shirt van AZ.

Maarten Martens moest nog acht worden toen hij mocht proberen Anderlecht te overtuigen. Dat gebeurde niet tijdens een uitgebreide stage of een instuif met tientallen jongetjes die van de droom een daad willen maken. “Ze lieten me naar een zaaltje komen”, vertelt de middenvelder. “Ik moest een tennisbal hooghouden, twee keer heen en weer dribbelen en even met links en rechts trappen. Zo ben ik getest. Na tien minuten waren ze er wel uit.” Toen hij vijftien werd, opende Anderlecht een jeugdinternaat. Martens behoorde tot de bewoners van het eerste uur. “Ik weet dat de club een reputatie heeft op het gebied van talenten en een attractieve speelwijze. Maar ik kan me niet herinneren dat er, zoals bij Ajax, echt van een filosofie werd gesproken. Je had er ook seizoenen bij waarin de trainer gewoon voor twee diepe spitsen koos als dat zo uitkwam; het hoefde niet altijd hetzelfde systeem te zijn.”

De trainer die Martens in het eerste elftal liet debuteren, was ook diegene die vervolgens zijn doorgang blokkeerde: Hugo Broos. De oud-international zou in de winter van 2005 voor het eerst in zijn loopbaan ontslagen worden, maar een jaar eerder gidste hij zijn ploeg nog naar de 27e landstitel en ook de beloften werden kampioen. “Maarten behoorde tot een goede lichting”, zegt Glen De Boeck, destijds een centrale verdediger in de basiself. “Maar we hadden een vrij sterk team met vooral gevestigde namen. Voor een jonge kerel is het moeilijk daartegen op te boksen. Maarten had de tijd ook niet mee. Anderlecht speelde nog met regelmaat in de Champions League. Op de financiële markt waren ze sterk genoeg om buitenlandse spelers te kunnen aantrekken, dus er werden weinig talenten in de A-kern gedropt. Ik kende Maarten goed. Over zijn kwaliteiten bestond geen enkele twijfel. Hij was vrij tenger en moest het vooral hebben van frivoliteiten. Wat dat betreft, paste Maarten perfect bij Anderlecht. Volgens mij zou hij vroeg of laat echt doorbreken, maar hij had simpelweg niet het geduld om te blijven wachten.”

Droom

Het was een droom die elf minuten duurde. Op 20 september 2003 begon Martens zich warm te lopen langs de zijlijn. Die avond stoeide titelfavoriet Anderlecht wat met Westerlo. Het stond al 4-0, een ideaal moment om weer eens een aanstormend talent te presenteren. “Maarten was zeker nog niet klaar voor een vaste plaats”, vertelt Hugo Broos. “We wilden hem stilaan brengen, sfeer laten proeven in dat mooie Constant Vanden Stockstadion, met veel publiek en media … Ja, het is Anderlecht, hè. Er wordt naar gekeken.”

In de 79e minuut ging Walter Baseggio naar de kant. De thuisploeg won met 5-1. Martens had geen aandeel in die treffers. Niet lang daarna brak Martens zijn hand. Het kostte hem een maand om terug te komen. “Daarna stond er een goede ploeg waarin ik niet veel meer veranderde”, aldus Broos, nu werkzaam als assistent van Frank Vercauteren bij Al Jazeera in Abu Dhabi. “Bij een grote club is het dan iets moeilijker om een basisplaats af te dwingen. Die periode is waarschijnlijk het breekpunt geweest. In een loopbaan zijn het soms zulke momenten die bepalen welke kant je op gaat. Zo’n moment waarop het had kunnen gebeuren; dat je plotseling afhankelijk bent geworden van tegenslag of een blessure.”

Martens mocht dat seizoen vijf oefenwedstrijden spelen, maar het serieuze werk was niet meer aan hem besteed. Broos: “Het klopt dat hij na dat kampioensjaar het geduld niet langer kon opbrengen. Maarten had vermoedelijk een kleinere club nodig in Nederland. Maar wij mogen de hand ook wel een beetje in eigen boezem steken. Misschien hadden wij iets te weinig geloof in hem. Hoewel hij power miste, was Maarten een uitstekende voetballer. Dus dan zou je iets langer kunnen proberen hem sterker te maken, want sommige spelers zijn nu eenmaal laatbloeiers.”

Nog altijd noemt Martens die elf schamele minuten een hoogtepunt in zijn leven. Hij komt uit een Anderlechtfamilie. Zijn vader was idolaat van Rob Rensenbrink, de beste speler in de clubhistorie, met wie Martens later vaak werd vergeleken. “Een groot deel van mijn leven ligt in Brussel”, zegt de huidige spelbepaler van AZ. “Bij Anderlecht voelde ik me goed. Dat stadion, die witte shirts; ik vond het allemaal geweldig. Achteraf is dat debuut ook teleurstellend geweest. Na een uur zeiden de trainers: ‘Ga maar tien minuten warmlopen, dan krijg je twintig minuten speeltijd.’ Prompt scoorde Westerlo. Mocht een ander als eerste invallen. Ik moest nog tien minuten wachten. Op dat moment ben je wel ontzettend blij met je debuut en weet je niet wat de toekomst brengt.”

Discussie

Pär Zetterberg (33) en Glen De Boeck (32) waren in het seizoen 2003/04 de routiniers in de selectie; de zelf opgeleide Walter Baseggio (25) een vaste waarde op het middenveld. Goran Lovre, die later naar FC Groningen verhuisde, was 21. Daarnaast had Broos de beschikking over twee talentvolle Nederlanders uit de Ajaxschool: Sergio Hellings (19) en Sherjill MacDonald (19). Net als Martens kregen ze weinig speeltijd. Het kroonjuweel was Vincent Kompany, zeventien jaar pas maar met het lijf van een volwassen man. “En een uitzonderlijk talent. Het kon niet uitblijven dat hij snel aan bod kwam”, zegt Martens, die haarfijn aanvoelde aan welke twijfels hijzelf ten onder ging. “Ik was negentien, maar qua lichaamsbouw nog helemaal niks. Ik kwam niet eens boven de zestig kilo uit. Ze lieten me vaak extra oefeningen doen en zeiden: ‘Als je daardoor een tijdje minder presteert bij de beloften, geeft niet. We willen je gewoon sterker maken.’ Maar ook dat hielp niet.”

De tweede discussie betrof zijn positie in het elftal. Die liep in de jeugd een keer zó hoog op dat zijn jeugdtrainer Michel Punga in botsing kwam met het bestuur van Anderlecht. “Ze riepen altijd dat ik de nieuwe Rensenbrink moest worden”, zegt Martens. “Door een verandering in de indeling van leeftijdscategorieën kwam ik op een zeker moment in een minder goede lichting terecht. We bleven dat seizoen wel veel wedstrijden winnen, maar waren een stuk minder dominant. ‘Jij staat aan de linkerkant maar te wachten op ballen die toch niet komen’, zei Punga. Hij was de eerste die vond dat ik als nummer 10 beter tot mijn recht kwam. Blessures en positiewisselingen … Ja, dat is een beetje de rode draad in mijn carrière.”

Adrie Koster is de man die de stellige overtuiging van Punga deelde. De Zeeuwse coach werkte in de zomer van 2004 bij VVV en had de international van Jong België graag naar Venlo willen halen. RKC Waalwijk was hem voor. Erwin Koeman was daar de hoofdtrainer en zag in Martens aanvankelijk een linkerspits. Pas toen Koeman naar Feyenoord was vertrokken en Koster zijn opvolger werd, begon Martens naam te maken als offensieve centrale middenvelder in een systeem met drie spitsen. “Gezien zijn technische vaardigheden was dat ook niet zo moeilijk”, zegt Koster. “In de voorbereiding werd al snel duidelijk dat hij de ploeg iets extra’s gaf. Als hij er niet bij was, dan miste je een stukje creativiteit.”

Even was er na het eerste seizoen nog sprake van een terugkeer naar Brussel. “Maar ditmaal waren het de mensen bij Anderlecht die het geduld verloren”, zegt Martens. “Ze wilden mij een nieuw contract voor een seizoen geven en dan opnieuw verhuren. Daar sprak weinig waardering uit. Bovendien haalden ze een nieuwe nummer 10, Marius Mitu van Lierse SK. Ze hadden Baseggio nog, en Zetterberg. Ik zou de vierde in de rij zijn. Voor mij was die mededeling de druppel.”

De band met Anderlecht werd doorgesneden. Martens tekende bij RKC en Koster wierp hem de reddingsboei toe. “Voor mijn gevoel heb ik altijd aangetoond dat ik meer een nummer 10 ben”, vervolgt Martens. “Toen ik daar ging spelen, verdiende ik in tien wedstrijden een transfer naar AZ. In Alkmaar maakte ik meteen een grote ontwikkeling door. Erwin Koeman zei altijd dat ik harder de duels moest ingaan. Louis van Gaal vond juist dat ik uit de duels moest blijven … Ik paste in zijn filosofie. Van Gaal hanteerde een systeem waarin ik vanaf links veel vrijheid kreeg. Mounir El Hamdaoui week vaak uit om de combinatie te zoeken, we hadden een klik. Die periode heeft ervoor gezorgd dat ik ging denken: aan de linkerkant kan ik ook best aardig uit de voeten. Als het maar niet specifiek 4-3-3 is, want dat merk je bij mij dan direct aan de prestaties.”

Vorig jaar stapte Martens op Gertjan Verbeek af. Hij wilde nog maar eens aangeven waar zijn voorkeur lag. De nieuwe coach van AZ is een aanhanger van de klassieke Nederlandse speelwijze en posteerde desondanks de noeste werker Pontus Wernbloom op 10. Dat had zowel met de blessuregevoeligheid van Martens als met de balans te maken, betoogde Verbeek. “We hebben het per slot van rekening een tijdje zonder Maarten moeten doen”, aldus de trainer. “Over het algemeen presteren spelers het best op hun favoriete positie. Alleen word je soms gedwongen andere keuzes te maken.”

Een jaar geleden kwam Martens in de thuiswedstrijd tegen VVV-Venlo opeens weer kort achter de diepste spits terecht. Verbeek dacht eerst aan Kolbeinn Sigthórsson. Op aandringen van de selectie schoof hij de IJslander door naar de punt en haalde hij alsnog Martens van de linkerflank af. AZ won met 6-1 en Sigthórsson maakte vijf treffers, waarvan drie op aangeven van Martens, die na afloop zei: “Het lijkt me nu wel duidelijk.”

Herinneringen

De wedstrijden tegen Anderlecht in de 16e finales van de Europa League zijn speciaal voor Martens. “Het contact is wel wat verwaterd, maar het blijft mijn club”, zegt hij. “Ik koester ook geen revanchegevoelens. In mijn jeugd won Anderlecht in de Champions League nog van Manchester United en Real Madrid, schakelde het Lazio Roma uit. Het was de tijd van Jan Koller en Tomasz Radzinski. En van Alin Stoica, mijn grote voorbeeld, maar geen goed karakter.

“Achteraf kun je stellen dat ze mij nooit een echte kans hebben gegeven. Bij AZ zei Louis van Gaal: ‘Wat er ook gebeurt, jij staat de komende vier wedstrijden in de basis.’ Van Anderlecht kreeg ik elf minuten … Maar je moet die kansen ook zelf afdwingen. Op dat moment waren er klaarblijkelijk betere spelers dan ik, zo reëel moet je zijn.”

Aan de harde lessen in de grote stad bewaart Martens prettige herinneringen. “Frank Vercauteren was onze trainer bij de beloften. Een harde, zeker voor jonge jongens. Kort voor mijn eerste wedstrijd in het tweede elftal vertelde hij dat ik mocht spelen, omdat ik het goed had gedaan. Vervolgens zei hij: ‘Maarten verdedigt niet goed, pakt geen ballen af en wint geen duels.’ Hij noemde alleen maar dingen op die ik niet kon … Maar dat deed hij bewust, om te kijken hoe ik daarmee zou omgaan. Zulke ervaringen zijn goed voor mij geweest, want na een paar jaar kwam ik Louis van Gaal tegen. En toen was ik het inmiddels wel gewend, iemand die je ongezouten de waarheid vertelt en soms overdrijft, puur om je te prikkelen. Dat hoorde ook bij Anderlecht, waar hoge eisen worden gesteld. Ik vergeet nooit de dag dat we kampioen werden met de beloften. Om het te vieren, kregen we van de supportersclub vier flessen champagne. Maar die gaf Vercauteren meteen weg. Hij vond dat we slecht hadden gespeeld.”

DOOR YOERI VAN DEN BUSKEN – BEELDEN: IMAGEGLOBE

“Louis van Gaal zei: ‘Wat er ook gebeurt, jij staat de komende vier wedstrijden in de basis.'” Maarten Martens

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier