Tom Soetaers probeert morgen, donderdag, met KV Mechelen de poort naar de bekerfinale open te wrikken. Na een dof halfjaar in Genk en zes fletse maanden in Kortrijk voelt hij zich herboren. ‘Misschien was het dom om altijd te zeggen: het is máár voetbal.’

Vorig jaar stond Tom Soe- taers op de Heizel nog in het andere kamp. Hij kreeg er een afscheidscadeautje van toenmalig Genktrainer Pierre Denier: een invalbeurt in de negentigste minuut, toen KV Mechelen allang niet meer bij machte was om nog iets te doen aan de 2-0-voorsprong van de Limburgers. Voor de rest kwam de nu 29-jarige middenvelder in het laatste halfjaar van zijn contractperiode bij Genk geen minuut op het veld, mede door een blessure. De tweede helft van 2009 was nog dramatischer. Bij KV Kortrijk sprokkelde hij welgeteld 81 minuten, terwijl hij zowat de hele tijd fit was.

Circa twee maanden geleden greep Soetaers met beide handen de reddingsboei die KV Mechelen naar hem uitgooide. Aan de Dijle herleeft hij. Bij de heenwedstrijd van Malinwa in de halve finales van de beker, begin februari tegen AA Gent, mocht hij direct debuteren. Met een assist voor Maxime Biset had de ex-Ajacied zijn aandeel in het 2-2-gelijkspel. Ook in de drie daaropvolgende competitiematchen verscheen hij aan de aftrap. Resultaat: nog een assist én een goal, uitgerekend tegen Kortrijk. Soetaers vierde die ingetogen. “Ik dacht ineens aan alles wat gepasseerd was”, zegt hij. “Op dat moment weet je: nú ben ik weer voetballer, hiervoor heb ik doorgebeten. Alsof ik een halfjaar ellende in één keer van mij af had getrapt. En als je dan die fantastische fans van KV Mechelen ziet … Ik had het gewoon even moeilijk.”

De journalisten komen weer over de vloer in huize Soetaers. Heb je ons gemist?

Tom Soetaers: ( lacht) “Dat niet. Maar ik moet toegeven … als het vroeger wat kalmer was, zei ik weleens dat ik die rust leuk vond. Nu de aandacht er opnieuw is, besef ik weer dat het toch de waardering is waarvoor je het doet. Niet die van de journalisten, maar die van de mensen om je heen. Er wordt weer over me gepraat en al bij al is dat het fijnste wat er is, ook al geef je dat niet toe wanneer het slecht gaat.”

Je zei al meermaals: ‘De afgelopen maanden was ik niks, niemand.’ Hoe zwaar had je het?

“Nu pas zie ik hoe ik me afsloot. Normaal gezien kom ik vaak buiten, ik ga graag eens met vrienden weg. Dat deed ik beetje bij beetje minder. Omdat je elke keer opnieuw diezelfde vraag krijgt: ‘Weer niet gespeeld, hoe komt het?’ Ja, hoe komt het …? De mensen beginnen te denken dat je er niet meer voor leeft.

“Nu sta ik weer met plezier op, ik lig elke ochtend al wakker vóór de wekker gaat. In zo’n mindere periode denk je wel dat je je goed voelt, maar dat maak je jezelf wijs.”

Een beetje zoals de vrijgezel die zegt dat hij het prima heeft, maar plots de vrouw van zijn leven tegenkomt en ontdekt dat er nog een extra verdieping is in het leven?

( lacht) “Ja, daar kun je het mee vergelijken. Of meer nog met de getrouwde man die eerst denkt: was ik maar weer single. Eens hij alleen is, blijkt dat toch niet zo fantastisch.

“Op den duur besef je niet meer wat het waard is om iets te hebben. Ik verdiende in Kortrijk goed, ik had nog altijd mijn mooi huis, mijn goede vrouw en toch knaagde er iets.”

Neus tegen de muur

Daar zat je dan, jij die altijd de relativiteit van het voetbal zo goed hebt ingezien, jij die je drie jaar geleden in dit blad liet ontvallen: “Misschien was mijn probleem bij Ajax wel dat ik het er niet belangrijk genoeg vond.”

“Ja. ( smaalt) Ik ben nu eens vies met mijn neus tegen de muur gelopen. Van jongs af voetbalde ik louter omdat ik het graag deed. Ik kende nooit tegenslagen. Eerst belandde ik bij Anderlecht, dan bij Roda JC. Ik werd opgehemeld en kon naar Ajax. Daar speelde ik anderhalf jaar, ook zonder tegenvaller. Ik had er langer kunnen blijven, het was heimwee dat mij weer naar België dreef. Nadien was ik vier en een half jaar gelukkig in Genk. Ik was die jongen die altijd zei: ‘Het is máár voetbal!’ Misschien was dat dom. Misschien is het goed dat ik dat halfjaar in Kortrijk eens meemaakte om in te zien dat het voor mij niet máár voetbal is. Ik heb alles wat ik wil, allemaal dankzij het voetbal. Nu besef ik dat. Veel mensen dromen ervan, ik maak het mee.

“Vroeger vond ik ook dat een pintje geen kwaad kon en eens wat later gaan slapen ook niet. Nu voel ik dat mijn lichaam regelmaat en rust vraagt. Ik wil niet meer met te veel tegelijkertijd bezig zijn, want om te presteren moet je honderd procent gefocust zijn. Wie zoiets tegen mij zei toen ik twintig was, die lachte ik uit.”

Zorgde je bankzittersrol in Kortrijk thuis voor spanningen?

“Ja. Ik wou me zo’n beetje onverschillig opstellen: kijk, het is nu zo, wat maakt het mij uit? Dan riep mijn vrouw: ‘Godverdomme, doe niet zo, het maakt je wél wat uit!’

“Ik ben ook nogal pessimistisch. Voor mij is het altijd zwart of wit, nooit grijs. Ik heb de aard van mijn vader. Die staat op en ofwel is het een goede dag ofwel is het een slechte. Tijdens mijn Kortrijkperiode zei ik: ‘Dit is het einde.’ Mijn vrouw was en is veel positiever, veel meer open ook. Ik bouw op zulke momenten een cocon rond mij, ik wil daar zo weinig mogelijk over praten.”

Wat was het moeilijkste moment?

“Ik zat bij Kortrijk tot Nieuwjaar altijd in de wedstrijdkern. Daags voor de verplaatsing naar Gent kreeg ik op training een trap van Laurent Ciman. Ik voelde het de volgende dag nog wel, maar had gerust een halfuur kunnen invallen. In Gent zei Georges Leekens: ‘We gaan geen risico’s met je nemen.’ Mijn naam kwam niet op het wedstrijdblad. Hij kon nochtans zeven man op de bank zetten, van wie hij er maar drie mocht laten invallen, hij had mij er dus gerust bij kunnen nemen … ( denkt na) Ach, als je negentiende man topfit is en je achttiende niet, dan heb je misschien wel een heel goede reden om die keuze te maken … Voor mij was het gewoon moeilijk. Als je bij Kortrijk negentiende man bent, besef je ineens dat je redelijk laag gevallen bent.”

En dan zit je daar troosteloos in de tribune?

“Nee, ik was er met mijn eigen wagen, ik ben direct naar huis gereden. Dat mocht. Ik zag het echt niet zitten om te douchen, mijn training aan te trekken en in de tribune tien keer te moeten uitleggen waarom ik niet op de bank zat. Ik heb de match op de radio gevolgd, nog wat tv gekeken en ik ben gaan slapen.”

De les van Sef

Kreeg jij bij Kortrijk geen kans omdat de anderen beter waren?

“Totaal niet. Ik denk dat ik zeker goed genoeg was. Dat blijkt nu ook. Alleen stond de ploeg er van bij het begin, ze kozen ook voor een systeem waarin ik nooit eerder gevoetbald had.

“Bij Roda had ik al met Leekens gewerkt. Ik wist dat hij op organisatie hamert en houdt van lopende mensen. Misschien had ik moeten weten dat ik daar niet in zou passen. Maar als je ergens een goed gevoel bij hebt …”

We hoorden je niet mekkeren in de kranten.

“Dat zou een beetje belachelijk geweest zijn. Als je met een club als Kortrijk vijfde of zesde staat, moet je even aan het belang van je werkgever denken.”

Jij bent sowieso niet de jongen die zegt: ‘Ik heb bij Ajax gevoetbald, ik móét hier spelen.’

“Absoluut niet. Ik zal me daar nooit naar gedragen. Gisteren had ik een interview met iemand van een supportersboekje. Die jongen vond het ongelooflijk dat ik hem na zijn gemiste oproep had teruggebeld. Dat is gewoon een kwestie van respect. Als ik iets vraag, wil ik ook een duidelijk en eerlijk antwoord. Wat je doet, moet je goed doen, zelfs al is dat het regelen van een simpele afspraak.

Sef Vergoossen leerde me dat, bij Roda. Hij riep iedere week elke speler eens bij zich. Op een donderdagmiddag zei hij tegen mij: ‘Kom na de training eens langs, dan praten we even.’ Ik douchte na de training, lachte wat, sprong in mijn auto en reed naar huis. Anderhalf uur later rinkelt mijn telefoon. ‘Tom, ben je niks vergeten? We zouden toch praten?’ Ik: ‘ Ah, ja. Maar we zullen dat dan morgen doen, er is toch pas zaterdag wedstrijd.’ Hij antwoordde: ‘Er was afgesproken: vandaag, na de training. Als je hier binnen de twee uur niet staat, dan zit je zaterdag ook niet in de wedstrijdkern.’ Hij haakte in. Ik sprong weer in mijn auto en reed terug naar Nederland. Een afspraak is een afspraak, maakte hij me daar duidelijk. En: mensen behandelen je zoals jij hen behandelt. Toen zei ik: ‘Oké, ja, dan kunnen we nu praten.’ Het gesprek volgde:

– ‘Alles goed, Tom?’

– ‘Ja. ‘

– ‘Thuis ook?’

– ‘Ja. ‘

– ‘Met je ouders alles in orde?’

– ‘Prima, ja. ‘

– ‘Oké, dan kun je gaan.’

“( lacht) Op dat moment denk je: onnózelaar, waarom doe je nu zoiets? Nu ben ik blij dat ik iemand als Sef heb mogen meemaken.”

Een dorpsjongen

Je zegt dat je het beste rendeert in warme clubs.

“Ik moet ’s morgens op een club aankomen en denken: fijn dat ik er weer ben. Daar waar ik me goed voel, presteer ik beter. Ik hou van het gemoedelijke, een douche nemen en niet direct naar huis gaan. Weten dat er altijd wel nog iemand is met wie je even kunt praten. Ik kom uit een dorp, ik ben in Wommersom opgegroeid en zal er altijd blijven.”

De kille stad, dat is niks voor jou? Liever Wommersom dan Amsterdam?

“Het klinkt waarschijnlijk heel belachelijk, maar eigenlijk wel, ja.”

Bij KV Mechelen doet de groep niet zo veel samen naast het veld als je zou denken van buitenaf.

“Het is een heel goede groep, volwassen, zeker in het oppeppen van mekaar. Net vóór mijn eerste match, tegen AA Gent, kwam Joachim Mununga bij mij, met wie ik tot dan nog niet gesproken had. Die klopt op mijn borst: ‘Jij hebt bij Ajax gespeeld, dat kan niemand anders hier zeggen, vergeet dat niet.’ Dan denk je in jezelf: die kerel staat toch al redelijk ver.”

Die heenmatch tegen Gent eindigde op 2-2. Donderdag wacht de terugmatch. Hoe schat je jullie kansen in?

“60-40. Gent is favoriet, aan 0-0 hebben ze genoeg. Dat we op verplaatsing spelen hoeft niet het grote verschil te maken. In Anderlecht dwongen we tijdens de eerste helft vier à vijf open doelkansen af. Waarom zouden we dat dan in Gent niet kunnen? We moeten dit beschouwen als onze finale.”

Hoe valt de rol mee die je bij Mechelen toebedeeld krijgt?

“Goed. Ik sta vrij centraal en moet van daar de ruimte zoeken, proberen om gevaarlijk te zijn met mijn passing en infiltratie. Ik krijg van Peter Maes de vrijheid om de oplossing te zoeken, ik mag naar de buitenkant uitwijken als dat kan helpen, iets dieper gaan staan, wat meer terugzakken … Sowieso ben ik niet meer die jongen die aan de zijlijn rustig op de bal wacht, vier acties per wedstrijd maakt en niet mee verdedigt. Nu ik de keerzijde van de medaille heb gezien, ben ik allang blij dat ik achteraan mág bijspringen. Ik wil nu echt alles doen om te mogen voetballen.”

door kristof de ryck – beelden: reporters

“Als je bij Kortrijk negentiende man bent, besef je ineens dat je redelijk laag gevallen bent.”

“Ik heb alles wat ik wil, allemaal dankzij het voetbal. Nu besef ik dat.”

“Voor mij is het altijd zwart of wit, nooit grijs. Ik heb de aard van mijn vader.”

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier