Gewild door Manchester United, Arsenal en het kruim van het Europese topvoetbal, maar voorlopig nog gewoon te bewonderen in de Belgische competitie: Axel Witsel.

Afspraak in Rocourt, in huize Witsel. Het is wachten op Axel Witsel (19). Een halfuur te laat draait plots een grote 4×4 van Volkswagen de straat in. Axel Witsel stapt uit en grijpt zijn sporttas, de kleine oogjes verraden een acuut slaaptekort. We zijn daags na de zege op Partizan Belgrado. “We zijn pas om 4 uur geland in België en vanochtend stond er een training op het programma”, verschaft het jeugdige Standardtalent enige uitleg. Profvoetballer, het is een hondenstiel.

Het interview verloopt stroef en dat ligt heus niet alleen aan de vermoeidheid. Zo vanzelfsprekend Axel Witsel op een voetbalveld beweegt en duels aangaat met kleppers als Steven Gerrard of Xabi Alonso, zo timide en fragiel zijn de antwoorden die hij je voorschotelt tijdens een interview. We waren nochtans gewaarschuwd: de interviews die je met Witsel kan lezen bestaan vaak uit langere vragen dan antwoorden. Ook op televisie zie je hem hoogst zelden aan het woord na een wedstrijd. Daar zijn goede redenen voor. Het liefst praat hij helemaal niet over zichzelf. Maar spreek je hem over de mening van trainers of commentaren uit de krant, dan spitst hij zijn oren en slaat de middenvelder elk woord in zich op. Axel Witsel is een goede leerling.

Heb je nooit het gevoel dat het allemaal wat te snel gaat? Nationale ploeg, Europese topwedstrijden, topclubs die aan je mouw trekken, een hoge transferprijs en binnenkort ook nog eens alleen gaan wonen …

Axel Witsel: “Neen, ik laat mijn hoofd niet gek maken. Ik besef maar al te goed dat je er elke wedstrijd weer moet staan. Momenteel beleef ik een mooie periode, maar die blijft misschien niet duren. Sowieso ben ik heel cool van nature, ik laat me niet snel opjagen.”

Is negentien niet wat jong om het ouderlijke huis te verlaten?

“In januari ga ik samenwonen met Maud, mijn vriendin, ik ben er klaar voor. We zijn nu een jaar en twee maanden samen. Ik leerde haar kennen op een van de danslessen van mijn zus, ik heb haar toen meegevraagd naar de bioscoop.”

Je woonde vroeger in dezelfde buurt als Jonathan Legear.

“Ja, hier in Rocourt, aan de andere kant van de snelweg. Maar we zagen elkaar niet zo vaak, hij is toch vrij jong naar Anderlecht gegaan. Jonathan is ook twee jaar ouder dan ik, we speelden nooit samen in de jeugdploegen van Standard. Enkel als er wedstrijdjes georganiseerd werden hier in de buurt zagen we elkaar.”

Legear vertrok al vroeg op Standard, net als Kevin Mirallas. Na enkele geslaagde internationale toernooien – waar je telkens tot speler van het toernooi werd uitgeroepen – stonden er topclubs als Real Madrid en Lazio te drummen om je in te lijven. Nooit overwogen daarop in te gaan?

“Neen. Natuurlijk droom je ervan ooit voor een Europese topclub te voetballen, maar je moet goed afwegen wat de voor- en nadelen zijn. Samen met mijn vader heb ik beslist dat het beter was bij Standard te blijven. Er was de school en bovendien had ik nog tijd genoeg.”

Heb je nu een diploma achter de hand?

“Ik studeerde boekhouden in de middelbare school, maar om echt als boekhouder aan de slag te kunnen, moet ik nog drie jaar hogere studies volgen. Eerlijk, ik moet toegeven dat het me niet uitermate boeit. Tja, ik moest íéts kiezen.”

Had je veel schooluren?

“Acht uur per dag, zoals iedereen. Elke dag hadden we twee trainingen. ’s Ochtends had ik eerst twee uur les, dan training, daarna weer les en ’s avonds nog een training.”

Je hebt zelfs als aspirant-boekhouder stage gelopen bij Standard.

“Dat klopt, toen ik zeventien was. Ik zat de hele dag achter een computer, moest facturen klasseren en dergelijke … Een leerrijke ervaring, ik heb er ingezien dat er veel komt kijken bij het leiden van een club. Het is niet enkel geld verdienen op kap van de spelers, je moet tal van kosten dekken.”

Een strenge coach

Legear zei dat je veel te danken hebt aan Michel Preud’homme.

“Absoluut. Preud’homme heeft me gelanceerd. Hij hield de druk bij me weg en zei me dat ik moest spelen zoals ik trainde en dat alles dan wel vanzelf zou komen. Het is niet dat Preud’homme meer met ons praatte dan met de rest van de ploeg, maar je zag gewoon aan zijn handelen dat hij vertrouwen had in de jeugd. Anders zou hij toch nooit starten met Fellaini, Defour en mij in de basis?”

Frank Vercauteren, anders niet mals met jonge talenten, verklaarde openlijk in ons blad dat hij wel een boontje voor jou heeft. Hij waardeert vooral dat jullie onderling weinig woorden nodig hebben om elkaar te verstaan.

“Hij heeft gelijk. Al van klein af is dat er bij mij ingebakken: ik moet luisteren naar de ouderen en die goede raad op het veld proberen om te zetten. Sowieso moet je met de jeugd wat streng zijn.”

Anders komen ze er niet?

“Misschien, maar je moet toch ook een flinke dosis geluk kennen. Kijk naar mijn ontwikkeling bij Standard: ik had het geluk dat ik net bij de A-kern kwam op een moment dat er in de club een mentaliteitswijziging plaatsvond. Er werd weer vertrouwen gesteld in de eigen jeugd. En dan kan je samen doorgroeien met jongens als Fellaini en Goreux.

Je verklaarde eerder: “Ik heb een strenge coach nodig.” Wat bedoel je daarmee?

Laszlo Bölöni hamert constant op de kwaliteit van de passing en de balcontroles. Zodra je iets verkeerd doet, staat hij er kort op om je wakker te schreeuwen. Dat overkomt me wel eens en het stoort me niet dat de trainer dan roept. Ik vind het normaal, enkel op die manier boek je vooruitgang.”

Laszlo Bölöni is tactisch heel beslagen. Heeft hij jou ook al eens verrast?

“Toch wel. Tegen Liverpool bijvoorbeeld: als je ziet hoe wij daar gespeeld hebben en hen onder druk zetten, dat was knap bedacht. Het is voor een coach niet evident om oplossingen te vinden tegen een compleet team als Liverpool.”

Sinds het vertrek van Fellaini spelen jij en Defour in een andere rol. Kon je gemakkelijk die switch maken?

“Zeker, het vertrek van Fellaini kwam mij eigenlijk goed uit, want ik speel liever centraal. Daar waar ik altijd al speelde in de jeugdreeksen. Steven en ik kennen elkaar ondertussen voldoende, waardoor we weinig woorden nodig hebben om te weten wat we gaan doen.”

Bölöni vindt jou beter centraal dan op de flank. Op de flank, zei hij, kan je defensief iets bijdragen maar niet offensief. Volg je hem daarin?

“Ik ga akkoord dat ik meer een man voor de middenas ben, ja. Je komt er veel aan de bal en dat is wat ik wil.”

Welk verschil is er voor jou als middenvelder om Mbokani, De Camargo of Jovanovic voor je neus te hebben?

“Elk heeft zijn specifieke kwaliteiten waar je rekening mee moet houden. Mbokani kan je in de diepte sturen, hij houdt ook goed een bal bij. De Camargo is meer een targetman met wie je kan kaatsen of die je in de lucht kan aanspelen. En Jovanovic moet je op zijn snelheid uitspelen, die zoekt meer de individuele actie.”

Een verstrooide professor

Grote voetballers zien vaak al de actie voor ze plaatsvindt. Het komt eropaan één of twee stappen vooruit te denken. Gaat dat bij jou ook automatisch?

“Ja, soms doe je dingen puur instinctmatig. Het is belangrijk dat je weet wat je moet doen voor je de bal krijgt. Het is vooral dat wat het verschil maakt met de top. In de Europese topmatchen die we speelden, merkte je dat bij de tegenstander ook allemaal jongens liepen die goed wisten wat ze moesten doen vooraleer ze de bal ontvingen.”

Heb je vroeger nog andere sporten beoefend?

“Zwemmen en turnen, tussen mijn tiende en twaalfde, maar dat interesseerde me niet echt. Ik was wel een redelijk goede zwemmer.”

Je was ook altijd redelijk groot voor je leeftijd, hoorden we.

“Klopt, maar ik weet niet of dat echt een voordeel is. Daardoor mis ik misschien wat explosiviteit. Daar werk ik nu aan, samen met conditietrainer Guy Namurois doe ik speciale oefeningen.”

Doe je nog veel fitness?

“Eén keer per week. Je moet in het voetbal vooral sluw zijn, niet sterk.”

Waar heb je je zuivere techniek vandaan? Het zaalvoetbal, waarin je vader het tot eerste nationale schopte?

“Hmm, toch vooral van op straat te spelen. Vroeger was het: van school thuiskomen, boekentas in de hoek en gaan voetballen. Zaalvoetbal deed ik ook graag, maar op een bepaald moment heeft mijn vader me gezegd dat ik me volledig op Standard moest concentreren.”

Je vader is afkomstig van Martinique, ben je daar ooit geweest?

“Neen, de afspraak is dat ik daar eens met mijn vader naartoe reis, maar we hebben nog geen datum afgesproken. Hij heeft niet lang in Martinique gewoond, op zijn negende is hij naar België verhuisd met zijn familie. Ik denk dat ik wel nog een beetje dat exotische temperament in mij draag: altijd cool en down to earth. Mijn vader is ook zo. Mijn moeder en twee zussen daarentegen zijn wat nerveuzere types, ze maken zich soms druk om niets.”

Je hebt de reputatie een verstrooide professor te zijn.

“Dat kan kloppen, ik vergeet weleens dingen. Dat is altijd zo geweest, het zit in mij. Mijn vriendin kan zich daarover opwinden, maar ik kan mezelf ook niet zomaar veranderen.”

Zoals een vogel die groot wordt

2008 was het jaar van jouw internationale doorbraak. In maart debuteerde je voor de Rode Duivels en met Standard baarde je de voorbije maanden opzien in Europa. Wat onthoud je van die prestaties?

“Ik kon in mijn debuutwedstrijd tegen Marokko meteen scoren, een mooie start. Maar ik was niet speciaal zenuwachtig, ik was rustig … zoals altijd.”

Was je verrast dat je zo makkelijk mee kon op het internationale niveau?

“Neen, ik ken mijn kwaliteiten. En ik weet dat ik nog beter kan worden.”

Als je tegen een elftal als Liverpool het veld in moet, kijk je dan eerst je ogen uit naar die sterren of beschouw je jezelf ondertussen als een van hen?

“Mannen als Steven Gerrard, dat zijn echte vedetten, ik niet. Maar dat betekent niet dat ik mezelf niet ben wanneer ik daartussen loop. Als er een overtreding gemaakt moet worden, doe je dat zonder nadenken over de naam die tegenover je staat.”

Heb je truitjes gewisseld met een van de Liverpoolspelers?

“Ja, met Xabi Alonso. Hij stond het dichtst bij mij.”

Er is wel een groot verschil tussen het Standard dat we in de competitie zien en dat in de UEFA Cup.

“De beleving is helemaal anders, dat kan je niet vergelijken. Het spelniveau, de motivatie … Dat is de grootste moeilijkheid die we nu moeten overwinnen. Anderzijds, door dit mee te maken leren we veel bij.”

Wat onthoud je van de wedstrijden tegen Liverpool?

“Dat ze van een hoger niveau zijn, maar dat wij daar dicht tegenaan zitten. Ik heb in ieder geval geleerd dat zulke belangrijke wedstrijden op details worden beslist. Je moet 90 minuten geconcentreerd blijven, als je dan de tweede paal vergeet af te dekken zoals Dante deed, heb je het zitten.”

Er wordt constant over jouw toekomst gepraat. Hoe moeilijk is het om je hoofd erbij te houden als er constant managers aan de telefoon hangen?

“O, maar er is niemand die mij belt, hoor. Dat is gazettenpraat. Ik heb met Luciano D’Onofrio nog niet over clubs gepraat.”

Je hebt wel een zwak voor Arsenal en het Engelse voetbal.

( knikt) “Al sinds ik klein ben. Arsenal is altijd mijn favoriete club geweest en mijn voorbeeld was Thierry Henry.”

Niet Nicolas Anelka? Want het is toch zijn gebaar dat je imiteert als je scoort …

“Dat gebaar is een vogel die zijn vleugels uitslaat. Net zoals ik. Vroeger was voetbal een spelletje, nu is het mijn beroep geworden.”

Er circuleren gigantische transferbedragen rond jouw persoon. Twintig miljoen euro wordt gezegd. Sta je daar soms bij stil?

“Die bedragen liggen veel te hoog. Dat is waanzin. Ik houd me daar niet mee bezig, ik zie wel wat er gebeurt … Het enige wat ik hoop, is dat ik aan het eind van dit seizoen kan vertrekken.”

Met een tweede landstitel op zak?

“Natuurlijk kan dat, we doen mee in de kop van het klassement. Er was in het begin van het seizoen heel wat kritiek op Standard, maar dan presteren we goed in Europa en slaat die kritiek om in euforie. Zo snel kan het gaan. Wij geloven erin: zowel in Europees succes als in een nieuwe titel.” S

door matthias stockmans – beelden: reporters

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier