Mario De Clercq beschouwt zijn rol nog niet als uitgespeeld. ‘Op een parcours dat me ligt, ben ik moeilijk te verslaan. Het parcours van het WK ligt me honderd procent.’

“Misschien is Mario De Clercq wel aan het jaar te veel bezig.” Die uitspraak op tv ligt de wereldkampioen veldrijden zwaar op de maag. “Maar”, geeft hij toe, “misschien heb ik zo’n prikkel wel nodig om mijn niveau op te krikken.”

“Zou het niet mooi zijn als hij afscheid kon nemen met een wereldtitel in Monopoli”, vertrouwt Patricia, mevrouw De Clercq, ons toe. Mario zelf stelt geen datum meer voorop : “Ik ga door zolang ik zin heb.”

Het vlot momenteel nog niet zoals het zou moeten. Waaraan ligt dat ?

Mario De Clercq : De laatste jaren is het altijd zo geweest. Bij het seizoensbegin moet ik de duimen leggen voor de jongere renners, die over meer explosiviteit beschikken. Een jaartje ouder betekent ook een jaartje minder snel. Maar naarmate het seizoen vordert, gaat de snelheid bij de jongere renners ook achteruit en begint de vermoeidheid door te wegen, terwijl ik dan stilaan op toeren begin te komen.

Je maakt je dus nog geen zorgen ?

Nee, hoeft ook niet. Ik weet sowieso dat er een dag komt, waarop ik niet meer zal kunnen winnen. Wanneer dat moment aanbreekt – is het nu, volgend jaar, over twee jaar – kan ik ook niet voorspellen.

Een wereldkampioen moet zich tonen. Achter die uitspraak heb je toch ook altijd gestaan.

Ja, maar ik besef ook dat ik door mijn leeftijd mijn momenten moet uitkiezen. En dat zal ik ook doen. Het zou stom zijn als ik er van bij het begin van het seizoen zou staan en mijn trui elke week zou tonen om dan begin december conditioneel volledig in elkaar te stuiken. Ik weet wat mijn lichaam nog aankan en dat is twee maanden topniveau per seizoen.

Afscheid nemen in schoonheid kan nog ?

Zeker. Eens je niet meer tot de tien beste crossers ter wereld behoort, kan je niet meer spreken van een afscheid in schoonheid, maar daar ga ik niet op wachten. Ik voel, op training en in de wedstrijden, wat ik nog kan. Dat gevoel zegt me dat het nog geen tijd is om afscheid te nemen.

Er wordt hier en daar gefluisterd dat je misschien wel eens aan het jaar te veel bezig bent. Wat vind je daarvan ?

Er is maar één iemand die dat gezegd heeft, Filip Maertens van VTM. Sommige mensen misbruiken hun macht om bepaalde zaken te orakelen. Ik heb mij echt gestoord aan die uitspraak. Ik eindigde in die bewuste cross als negentiende, maar als mensen niet weten hoe dat komt – ik was namelijk ziek geworden na de wedstrijd op de Koppenberg – moeten ze niet gaan verkondigen dat ik aan een jaar te veel bezig ben.

In september tekende je zelfs bij tot februari 2004. Je hebt er nooit aan getwijfeld of dat wel de juiste beslissing was ?

Nee, want ik sloot met de ploegleiding en de sponsors een wederzijdse overeenkomst dat ik stop wanneer ik wil.

Een van de twee crossen die je tot dusver dit seizoen won, was Berlijn. Je zegevierde daar al voor de vierde keer, de derde keer op rij. Wat heb je met die wedstrijd ?

Ik hou van een harde ondergrond en een omloop die op en af gaat, zoals in Berlijn. Op een parcours dat me ligt, ben ik moeilijk te verslaan. Van de laatste vijf WK’s won ik er drie, omdat de wedstrijd drie keer op een parcours werd gereden dat me op het lijf geschreven is.

Moeten we met jou rekening houden in Monopoli, op het komende WK ?

Het parcours ligt me in elk geval honderd procent.

Dus…

( met pretoogjes) Dus, we zullen wel zien.

Je bent er wel al mee bezig ?

Die derde wereldtitel vormde een obsessie voor mij. Een vierde veel minder, maar waarom ben ik er al mee bezig ? Juist omwille van een parcours naar mijn zin. De enige reden waarom ik nog cross, is om nog een keer wereldkampioen te worden. Krijg ik de kans om de Belgische titel te pakken, zal ik die ook niet laten liggen, maar dat spreekt me toch minder aan. Bovendien is het even moeilijk om Belgisch kampioen te worden dan om wereldkampioen te worden. Kijk maar naar het WK begin dit jaar in Zolder, waar er drie Belgen op het podium stonden.

Inderdaad, op Richard Groenendaal na is heel de veldrittop Vlaams. Ondermijnt dat het aanzien van de sport niet ?

De populariteit van het veldrijden was hier nog nooit zo groot. Elk weekend wonen zowat 10.000 mensen een cross bij. Maar ja, de internationale appreciatie ontbreekt jammer genoeg. Ik zou het ook liever anders zien, maar in het motorcrossen is het toch ook zo met Smets, Everts en Bervoets, niet ?

Een heikel thema momenteel in het veldrijden is de startorde die de UCI invoerde, waarbij er maar één renner per land op de eerste rij mag starten. Wat vind jij daarvan ?

Een regelrechte schande, want de kans op valpartijen wordt daarbij een stuk groter. Een Spanjaard of een Amerikaan die vooraan staat, mist ervaring en stuurvaardigheid en betekent een gevaar voor de jongens die ook op de eerste rij van start mogen gaan. En de jongens die meer achteraan staan, moeten dan weer risico’s nemen om vooraan te geraken. Het heeft ook geen enkele zin. Aan de uitslag zal het weinig of niets veranderen. Daar ga je de dominantie van de Belgen geen halt mee toeroepen.

Sven Nijs lijkt, zoals al verscheidene jaren in de maanden oktober en november, te sterk voor de concurrentie. Waarom is het verschil wanneer de kampioenschappen eraan komen zoveel kleiner of, meer zelfs, komt hij op die momenten zelfs iets te kort ?

Volgens mij heeft het gewoon te maken met het bioritme van de mens. Iedere bloem heeft zijn eigen periode om te bloeien. Maar ik geloof wel dat SvenNijs zijn jaar ooit zal kunnen vol maken. De meeste renners zijn toch op hun sterkste op hun dertigste.

Je hoort vaak dat Sven Nijs de meest talentvolle renner is. Volgens Marc Janssens is dat niet zo, maar leeft hij meer dan wie ook voor zijn sport. Hoe zie jij dat ?

Iemand met talent die niets voor zijn sport over heeft, zal er niet komen. Met veel karakter kan je soms een veel grotere carrière uitbouwen dan met veel talent. Nijs leeft tweehonderd procent voor zijn vak en dat is ook zijn sterkste punt. Kijk je enkel en alleen naar talent, kan je misschien wel zeggen dat Bart Wellens meer mogelijkheden heeft dan Nijs. Maar daarom is of wordt hij nog geen betere crosser.

Jouw carrière als crosser begon pas in 1996. Heeft jouw ontslag bij Lotto als gevolg van je opgave in de tourrit naar La Plagne – waar je net als Sammie Moreels, Herman Frison, Rudy Verdonck en Peter De Clercq, om het zacht uit te drukken, niet tot het uiterste bent gegaan – jou in zekere zin gedwongen om voor het veld te kiezen ?

In april, ruim twee maanden voor de tour, had ik voor mezelf al uitgemaakt dat ik aan het Belgisch kampioenschap cross in Overijse wilde deelnemen, mét de ambitie om op het podium te staan. Ik wou wel de weg en het veld combineren. La Plagne heeft er wel enigszins voor gezorgd dat ik fulltime crosser ben geworden. Roger De Vlaeminck heeft mij dan nog meer in die richting geduwd, waardoor alles in een stroomversnelling kwam.

Ooit zei je : ‘Als wegrenner was ik Peter Van Petegem waard, zeker weten.’ Waaraan ligt het dan dat je niet die carrière gemaakt hebt op de weg ?

Ik zeg niet dat ik evenveel zou gewonnen hebben als Peter Van Petegem, die onder meer drie keer de Omloop het Volk en de Ronde van Vlaanderen op zijn palmares heeft staan. Maar mocht ik op mijn vier-, vijfentwintigste geweten hebben hoe een topsporter moet leven voor zijn vak – want ik moet zeggen dat ik vroeger toch min of meer een flierefluiter was – dan denk ik wel dat ik het verder zou gebracht hebben op de weg. Het ontbrak me op dat moment ook aan zelfzekerheid. Hoe meer je wint, hoe zelfverzekerder je wordt en hoe meer de concurrentie er zich bij neerlegt : hij is toch te sterk. Zo gaat dat nu eenmaal, ook op de weg.

Je behaalde in je relatief korte crosscarrière drie wereldtitels, twee Belgische titels, een eindzege in de wereldbeker en verscheidene wereldbeker- en Superprestigewedstrijden. Geen spijt dat je niet vroeger fulltime crosser bent geworden ?

Ik had de twee al veel vroeger moeten combineren, dat wel. Maar ik werd door Raas en bij Lotto betaald om op de weg te rijden en miste persoonlijkheid om mijn wil door te drukken om in de winter ook in het veld te rijden. Bovendien had ik ook een gezin, twee kinderen, en verdiende ik goed mijn boterham op de weg. Daar doe je het dan uiteindelijk toch voor. Achteraf denk je wel eens : wat heb ik allemaal laten liggen…

Nog een uitspraak van jou : ‘Elke goede crosser kan een goed wegrenner worden, omgekeerd geldt dat niet.’ Leg uit.

Een goeie crosser beschikt over voldoende explosiviteit om de snelheid aan te kunnen op de weg. Dan moet je wel het karakter bezitten om tweehonderd kilometer te trainen – dat moet ik er wel bij vermelden. Maar een goeie wegrenner heeft wel de snelheid, maar daarom niet de stuurvaardigheid om het als veldrijder te maken.

Je vertelde net al hoe Roger De Vlaeminck je in de richting van het veldrijden duwde. Hoe belangrijk was/is hij voor jou ?

Hij is heel belangrijk geweest voor mij, precies omdat hij mij de beslissing heeft doen nemen om voor het veld te kiezen. Hij heeft mij het vertrouwen geschonken én, niet te vergeten, ook de sponsors overtuigd. Nu heb ik meer aan Eric De Vlaeminck, waarmee ik samen op de Kluisberg trainingen organiseer. Zijn raad sla ik niet zomaar in de wind.

Erwin Vervecken vertelde vorig seizoen hoe jij toen in Berlijn gewonnen had door een stuk van het parcours af te snijden. Typeert het de linke Mario De Clercq ?

Ik bleef in Berlijn wel degelijk op het parcours. Er was een zigzag gemaakt met linten, waarbij je rond een struik kon, maar ook ertussen, zónder dat je van het parcours afging. Het jaar voordien had Groenendaal mij zo al proberen te verschalken. Die was er nu niet, maar ik wist het nog. Ik heb gewacht tot de laatste ronde om daar gebruik van te maken. ( met pretoogjes) Ik noem dat niet link, maar gewoon aandachtig zijn. Veel renners rijden vooraf op het parcours als opwarming. Ze verkennen het parcours niet. Want wat betekent dat, het parcours verkennen ? Kijken waar er een steen of een put ligt, of het links of rechts wat beter berijdbaar is. Je moet aandachtig zijn.

Erwin Vervecken zei ook : ‘Het verschil tussen Mario De Clercq en mezelf is dat hij veel minder normbesef heeft. Iedereen heeft al wel iets meegemaakt met hem.’ Hoe reageer je daar op ?

( denkt na) De Mario in de wedstrijd is niet de Mario van na de wedstrijd. Op de fiets kijk ik naar niets of niemand om. Crossen is een individuele sport. Je moet zo zijn, want met te braaf te zijn, bereik je niets.

Het valt wel op dat als er ‘hommeles’ is, jij vaak niet ver uit de buurt bent. Het meest recente voorbeeld daarvan is het Belgisch kampioenschap vorig seizoen in Koksijde. Je kan daar gediskwalificeerd worden, niet ?

Ik blijf erbij dat ik daar een slimme sprint gereden heb. Ik heb Vervecken niet gehinderd, ik heb hem gewoon vastgezet. Dat vormt een wezenlijk verschil. Hij moest langs de andere kant komen, maar deed dat niet.

Heeft jouw ‘grillige karakter’ in de koers ook te maken met het feit dat je in het begin van je crosscarrière niet aanvaard werd door de andere crossers ?

Toch wel. Ik moest vechten voor mijn plaats. In België is er maar plaats voor vijf renners die behoorlijk goed verdienen. Ik wilde daar bij horen en dus moest er wel iemand uit. Ik kwam ertussen als vreemde eend in de bijt en dan maak je niet echt vrienden.

Je hebt zes jaar als onderhoudsmecanicien in de fabriek gewerkt. Ligt daar de basis van je vastberadenheid, verbetenheid en karakter in de koers ? Want, zeggen de andere renners in koor, Mario De Clercq lossen, is verdomd moeilijk.

Het vormt in elk geval een van de belangrijkste redenen waarom ik het zo lang volhoud. Ik weet wat het is om te gaan werken : voor 45.000 frank in de maand moet je in de fabriek veertig uur in de week in de weer zijn. Ik bewonder de mensen die dat van hun twintigste tot hun vijfenvijftigste, of nog langer, volhouden.

Eén ekster zien op de dag van de cross brengt ongeluk, twee geluk. Waarin uit zich jouw bijgeloof nog ?

Iemand die bijgelovig is, is ook een beetje gelovig, zeker ? Als ik tijd heb, ga ik wel eens naar de kerk. Ik zeg niet dat ik naar de mis ga, maar ik zal de kerk binnenstappen ( lacht). Ik heb ook altijd een medaille bij me voor de wedstrijd. Waar je je goed bij voelt, moet je je aan houden.

Eric De Vlaeminck zag jou als zijn ideale opvolger als bondscoach. Ambieer je die job nog in de toekomst ?

Eric De Vlaeminck zag dat zo, omdat wij zowat dezelfde visie hebben op een parcours en op crossen en voorbereiding op de weg. Of dat ooit zal komen, weet ik niet. Daarover zal de Belgische wielrijdersbond moeten beslissen. Rudy De Bie is nu bondscoach… We zullen zien. Ik heb nog een contract tot februari 2004 bij Palmans en kan daar terecht. En hoe lang ga ik zelf nog rijden ? Dat kan nog twee jaar zijn, nog een jaar, nog twee maanden. Twee jaar geleden plakte ik er een datum op : na Zolder stop ik, maar toen het bijna zover was, kon ik het niet. Toen heb ik gezegd : ik ga door zolang ik zin heb en stel geen datum meer voorop.

Ben je bang voor het ‘zwarte gat’ ?

Nee. Met een gezin en twee kinderen hoeft dat niet. Dan kan ik meer tijd aan hen besteden.

Je zoon Angelo voetbalt niet alleen, hij is ook geïnteresseerd in het wielrennen. Krijgen we, na René en Mario, een driegeslacht De Clercq ?

Ik hoop het en hij zou het zelf ook wel willen. Ik vind trouwens niet dat jongens van negen of tien jaar lessen moeten volgen om dan pas een vergunning te krijgen om te crossen. Die idee kan ik niet volgen.

door Roel Van den broeck

‘De enige reden waarom ik nog cross, is om nog een keer wereldkampioen te worden.’

‘Op de fiets kijk ik naar niets of niemand om. Crossen is een individuele sport.’