Rond de tafel met Anderlecht, een nieuw contractvoorstel in Utrecht, maar uiteindelijk getekend bij KV Mechelen. Giuseppe ‘Pino’ Rossini weet wat hij wil: dicht bij huis speelminuten sprokkelen.

Hoe goed is Giuseppe Rossini? De meningen daarover zijn nogal verdeeld. Voetbal International noemt hem een speler die vooral veel dingen niet kan, maar ex-trainer Foeke Booy is wel een fan. Hij typeert ‘Pino’ als “groot en sterk met een uitstekend kopspel, een goed gevoel in de linkervoet én scorend vermogen.”

Anderzijds: Booy spreekt niet altijd de waarheid over Rossini, dat wordt later in het interview duidelijk. Zo beweerde de Friese coach ooit dat Rossini zijn bijnaam ‘Pino’ dankte aan de fysieke gelijkenissen met de rijzige blauwe vogel uit Sesamstraat. Maar dat blijkt dus niet te kloppen. Rossini: “Neen (lacht), daar klopt helemaal niets van. Het is gewoon een Italiaanse gewoonte. Alle Giuseppes gaan als Pino door het leven. Het is een kortere vorm van het verkleinwoord van Giuseppe. Daarom heten Filippo’s bijvoorbeeld ook ‘Pippo’. Met Sesamstraat heb ik echt niks te maken. Maar ooit stond die verklaring wel op Wikipedia.”

Heeft Booy het wat je voetbalkwaliteiten betreft wel bij het rechte eind?

Giuseppe Rossini: “Ik weet het niet, ik spreek niet graag over mezelf. Laat ons zeggen dat ik wel een heel goede band had met Foeke. Hij bracht me in de A-kern en gunde me mijn eerste speelminuten. Ik leerde erg veel van hem: agressiever spelen, mentaal sterker worden,… Hij gaf me ook specifieke oefeningen om mijn kopspel en mijn rechtervoet te verbeteren.”

Toen Booy vertrok, kwam Van Hanegem. Klikte het met hem minder?

“Neen, absoluut niet. Ook Van Hanegem had het voor mij. Hij zei: ‘Elke ploeg zoekt een speler zoals jij. ‘ Hij wilde daarom ook graag dat ik zou bijtekenen. Van Hanegem schoolde me voetbaltactisch bij: hij verbeterde mijn positiespel en voetbalinzicht. Hoe? Door me tijdens positiespelletjes bijvoorbeeld te verplichten om na te denken. Door me heel bewust te maken van de bewegingen van mijn ploegmaats.

“Er is één groot verschil: Booy is iemand die je constant op de huid zit, Van Hanegem is rustiger. Maar ik voelde me bij alle twee goed.”

Van Hanegem viel wel minstens één keer uit die rustige rol. Tegen Heracles stond je klaar om in te vallen, maar je shirt bleek nog in de kleedkamer te liggen.

“Ja, dat is een slechte herinnering natuurlijk. Maar ik heb uit dat voorval veel geleerd.”

Wat dan?

(droog) Dat ik mijn truitje niet mag vergeten in de kleedkamer.”

Precies. Vond je de reactie van Van Hanegem – ‘We zijn toch geen caféploeg?’ – daarom niet een beetje overdreven?

“Op het moment zelf wel. Toen was ik heel erg kwaad. Want uiteindelijk mocht Gianluca Nijholt invallen en niet ik. Maar later ben ik gaan beseffen dat hij gewoon gelijk had. Dat heb ik hem ook gezegd. Er is niets blijven hangen van dat incidentje.”

Typeert het jou?

“Neen, absoluut niet. Ik ben helemaal geen verstrooide professor. Ik ben iemand die altijd heel nuchter blijft. Met beide voeten op de grond.”

Oorlog maken

Hoe dicht stond je bij Anderlecht?

“Ik zat met Herman Van Holsbeeck rond de tafel, maar uiteindelijk kwamen we niet tot een akkoord. Om financiële redenen. Van Holsbeeck beweerde later in Studio 1 dat het te maken had met speelkansen, maar dat klopt dus niet.”

Als je financieel geen akkoord vindt met Anderlecht en later tekent bij Mechelen, betekent dat dan dat je hier een beter voorstel kreeg?

“Daar wil ik liever niet over praten, sorry.”

Ook Zulte Waregem en Germinal Beerschot toonden interesse. Waarom Mechelen?

“Ik had een goed gevoel bij de club. Het is een jonge groep, met een uitstekende mentaliteit. Een hechte vriendengroep ook, iedereen praat met iedereen. Zo heb ik het graag. Al trek ik natuurlijk het meest op met de Franstalige ploegmaats. Joachim Mununga, David Grondin en Aloys Nong.”

Jouw targetmankwaliteiten lijken erg complementair met de snelheid van Nong.

“Ik hoop het. (luid) Dat ik het hoop! ( Nong is even verderop volledig in de ban van de televisie in het spelershome en geeft geen krimp, nvdr) Op training klikt het in ieder geval. Ik speelde nooit eerder samen met iemand met zijn profiel. Bij Utrecht speelden we steeds 4-3-3, met Loïc Loval en Leroy George als flankaanvallers. Andere types dan Aloys. Hier spelen we bovendien 4-4-2, dat is dus sowieso nieuw.

“Ik houd van 4-4-2, ik speel het liever dan de 4-3-3. Bij Utrecht kon ik soms echt geïsoleerd staan. Dan leek het alsof we 4-5-1 speelden. Nu, ik kan wel een bal bijhouden – dat is zeker een van mijn kwaliteiten – maar als je geen oplossingen hebt, heeft elke spits het moeilijk.”

In de eerste oefenwedstrijd tegen KGR Katelijne scoorde je meteen twee keer. Wat zijn je eerste indrukken bij Mechelen?

“Die twee goals waren natuurlijk heel goed voor het vertrouwen. Ik scoorde met het hoofd en op vrije trap. Ik heb het gevoel dat Mechelen niet zo veel verschilt van Utrecht. Het stadion is natuurlijk wat minder groot, maar het oefencomplex kan perfect de vergelijking doorstaan met dat van Utrecht. Wat de trainingsinhoud betreft: ik denk dat hier vaker met de bal wordt gewerkt dan in Nederland. Leuk natuurlijk.

“Maar mijn allereerste indrukken deed ik vorig seizoen al op. Ik zat toen in de tribune tegen Standard en tegen STVV. Daarbij vielen vooral de hevige supporters op. Een kolkend stadion, daar hou ik van. Dat motiveert.”

Bij Utrecht zat je wat dat betreft wel goed. De befaamde Bunnikside schreeuwde bij een achterstand steevast om supersub ‘Pino’.

“Ja, de supporters hielden van me omdat ze wisten dat ik bij een invalbeurt keihard zou werken. Bovendien scoorde ik wel eens in zo’n invalbeurt ook. Maar iemand die oorlog maakt, daar houden ze van in Utrecht.”

Populair bij de fans en een goeie band met je trainer. Waarom wilde je dan weg uit Utrecht?

“Ik wilde vooral meer spelen en ook graag naar België terugkeren. Ik zat vier jaar in Utrecht en ik heb er nooit vast in de ploeg gestaan. Mentaal was dat heel erg moeilijk. Je speelt niet en dat geeft je een slecht gevoel. Als je dan thuiskomt en er met niemand kunt over praten, dan raak je dat gevoel ook niet zomaar kwijt. Ik zat maar op mijn appartement. Wat tv kijken, een beetje PlayStation spelen, dat was alles. Dat ik nu wat dichter bij mijn vrienden en familie ben, speelt zeker ook mee.

“Het eerste jaar in Nederland bleven mijn ouders wel bij me. Ik had nog geen rijbewijs, praktisch kon dat toen dus gewoon niet anders. Hun steun was op dat moment belangrijk, want ik sprak geen woord Nederlands. Op de club moesten we twee keer per week verplicht Nederlands les volgen, maar het duurt even voor je dat onder de knie hebt.”

Een van je weinige Franstalige ploegmaats, David Di Tommaso, stierf tijdens jouw eerste seizoen plots aan een hartaanval. Jij kende hem naar verluidt erg goed.

“Ja, hij was de ploegmaat waar ik op dat moment de beste band mee had. Ik was nieuw en hij was inderdaad een van de weinige jongens die Frans sprak. We leerden elkaar kennen in de Nederlandse les. David ontfermde zich wat over mij. Hij nodigde me soms uit om ’s avonds bij hem te komen eten. Op die manier kende ik zijn vrouw ook een beetje. Hij was zo, een heel open, sociaal iemand. Schitterende kerel.”

Hoe hoorde je dat hij was overleden?

“Gewoon aan de telefoon, iemand van de club belde me. Ik kon het niet geloven. Het was een nachtmerrie. Zoiets kan je niet vatten. De eerste week was ik helemaal van de kaart, daarna kon ik het beter plaatsen. Met z’n familie heb ik nadien niet erg veel contact meer gehad. Ik heb, denk ik, nog een keertje gebeld. Het is een delicate situatie. Je wil hen natuurlijk steunen, maar aan de andere kant wil je je ook niet opdringen.

“De ‘memorial match’ ter nagedachtenis van David vorig jaar tegen zijn vroegere club Monaco was een heel intens moment. Maar het was goed dat die wedstrijd er was. Op het eind viel zijn zoon Yohan nog in, dat was magnifiek.”

Wel grappig, niet gek

Je zit in de voorselectie van de belofteploeg voor Peking.

“Ja, plezant want we vormen echt een goeie groep. De stage in Malta was schitterend. Bedoeling was vooral om de banden aan te halen en dat is perfect gelukt. Vooral Laurent Ciman en Anthony Vanden Borre zijn m’n maatjes.”

Is Vanden Borre echt een beetje gek of denken wij dat alleen maar?

(zucht) Hij is helemaal niet gek. Grappig is hij dan weer wel. Maar hij kan net zo goed serieus zijn, hoor. Hij was al een uitstekende voetballer en in Italië is hij nog sterker geworden.”

Hoop je op de Spelen?

“Het is natuurlijk moeilijk. Ik heb de keuze tussen de competitieopener tegen Club Brugge en de Olympische Spelen, die je natuurlijk maar één keer meemaakt. Echt een verscheurende keuze. Maar momenteel weet ik zelfs niet of ik in de definitieve selectie zit. Op 15 juli maakt Jean-François de Sart de 22 namen bekend. Dus voorlopig heb ik nog geen kopzorgen.”

Kiezen tussen de Spelen of de Jupiler League is natuurlijk een luxeprobleem voor iemand die ooit niet goed genoeg was voor Sporting Charleroi.

“Ja, dat was een moeilijk moment. Profvoetballer worden, was natuurlijk mijn droom. En toen Charleroi me aan de deur zette, viel die droom even in duigen. Ik begreep niet dat ik niet in Charleroi kon blijven. Zelf vond ik wel dat ik de kwaliteiten had. Ik bleef daarom geloven in mezelf. Ik keerde terug naar Houdain, mijn allereerste clubje, en daar plukte Bergen me dan weg. Zo zat ik weer op het goede spoor. Halverwege het seizoen had ik zestien keer gescoord bij de juniors. Ik mocht overstappen naar de beloften en toen kwam Utrecht. Soms kan het snel gaan.” S

door jan-pieter de vlieger – beelden didier mossiat (reporters)

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier