Op 1 juli 1988 smolten Waterschei en Winterslag samen tot Racing Genk. Ook al duurde het jaren eer de groeipijnen verteerd waren, Genk geldt nu als voorbeeld van een geslaagde fusie. Een terugblik.

Aan de wand van het Themacafé in de Cristal Arena getuigen oude krantenknipsels van de exploten van Winterslag en Waterschei, tot 1988 de voetbalvaandeldragers van Genk. Twintig jaar geleden, op vrijdag 8 juli 1988, daagde in het stadion van Thor Waterschei behoorlijk wat volk op voor de allereerste training van KRC Genk, gepland om vier uur. Op 1 juli 1988 ontstond fusieclub Racing Genk uit een samengaan van FC Winterslag en Thor Waterschei.

De eerste twee jaar werd op het veld van Winterslag gespeeld en in Waterschei getraind. Dat Waterschei de eindbestemming zou worden, lag voor de hand: het stadion van Winterslag lag niet alleen ingesloten, de terreinen waren als bouwgrond te duur om op te voetballen. Rond het stadion van Waterschei was ruimte zat: een troef die de fusieclub bij de verdere uitbouw van de accommodatie een flinke voorsprong gaf op de andere eersteklassers.

Over een fusie was al eerder gepraat, zegt Albert Bijnens, beheerder van Genk en toen voorzitter van Waterschei. “Het punt was: Winterslag wilde niet hier, op Waterschei, spelen. Zij gingen ervan uit dat de gemeente aan de sporthal een nieuw stadion zou bouwen. Ik wist dat dat nooit zou gebeuren, als voorzitter van de partij (toen CVP, nu CD&V) die de burgemeester leverde. De gemeente Genk – toen was Genk nog geen stad – had daar geen geld voor.”

Op een dag belde Thyl Gheyselinck (de Nederlandse crisismanager van de Kempense Steenkoolmijnen (KS), belast met de mijnsluitingen en reconversie in Limburg) Albert Bijnens en Jan Vandermeulen, voorzitter van Winterslag, voor een afspraak. Bijnens: “Hij stelde drie vragen: hoeveel kost een nieuw stadion, hoeveel kost een ploeg voor eerste klasse en hoeveel kost het om die een paar jaar op niveau te houden? Negenhonderd miljoen frank (22,5 miljoen euro, nvdr) rekenden wij vlug uit. ‘Als ik u dat aanbied, fusioneren jullie dan?’, vroeg Gheyselinck. We zouden gek geweest zijn om dat niet te doen. In de auto zei ik nog tegen Jan: ‘Die gaat dat nooit betalen. Als dat bedrag uitlekt, gaat iedereen in Limburg op zijn achterste poten staan.’ Dat was ook zo. Gheyselinck krabbelde terug, maar hij kon het niet maken om ons niets te geven. Uiteindelijk kregen we de hoofdtribune van dit stadion, ongeveer 175 miljoen frank (4,3 miljoen euro, nvdr).”

Naar Hasselt

Op zichzelf hadden Waterschei en Winterslag geen toekomst als profclub, wist Bijnens: “We hadden niets. Toen we Europees tegen PSG speelden, belde publiciteitsagentschap Verhulst me op. Voor die ene wedstrijd konden zij ons voor 1,7 miljoen frank (42.000 euro, nvdr) aan publiciteitspanelen leveren. Ik schrok: voor dat seizoen leverden onze publiciteitsborden ons 600.000 frank op (15.000 euro). Van de firma die dat beheerde, mocht Verhulst die ene match niet overnemen. Dankzij de steenkoolmijn konden we nog een tijd wedijveren met de betere ploegen. We betaalden onze spelers 30.000 frank (750 euro) per maand en bezorgden hen een job in de mijn. Zo kon ik Pierre Janssen jarenlang hier houden. Toen de mijn sloot, hadden we de spelers niets meer te bieden. Lei Clijsters voor 30.000 frank per maand, dat ging niet. Uiteindelijk rekten we het nog een paar jaar met uitgaande transfers. Voor Heinz Gründel gaf Standard ons tien miljoen frank (250.000 euro) plus Eddy Voordeckers. Die verkochten we na onze Europese campagne voor 21,5 miljoen frank (533.000 euro) aan Rennes.”

Toen Gheyselinck beide clubs contacteerde, stond het water hen al tot aan de lippen. Winterslag was net terug in de hoogste klasse. Winst op de slotdag thuis tegen Lokeren zorgde ervoor dat Gent samen met Racing Jet zakte en de fusieclub in eerste klasse mocht starten.

Waterschei, vijf jaar voordien nog in de halve finale van de Europabeker voor Bekerwinnaars tegen Aberdeen, was in 1986 uit eerste klasse gezakt en degradeerde in 1987/88 ook uit tweede klasse. Zonder de fusie was het zeker in tweede gebleven, zegt Bijnens: “Op de laatste speeldag staan we bij Hasselt bij de rust 0-1 voor, een goal van Ronny Van Geneugden. Wie won, bleef in tweede. ‘Dat kunt ge ons toch niet aandoen’, zei een beheerder van Hasselt tijdens de pauze. ‘Voor jullie maakt het toch niet meer uit.’ Ik zei dat ik daar niet aan meedeed. Maar in de tweede helft wist ik niet wat ik zag. We verloren kansloos. Ze hadden mij niet nodig om Hasselt een plezier te doen.”

30.000 frank

Een van de eersten op de allereerste training van Genk was Gerard Plessers, het uithangbord van de nieuwe club, die een professionele topclub wilde worden. Limburger Plessers kwam van Hamburger SV en tekende voor vier jaar. “Een topclub in Limburg kan, want Limburgers zijn gewoon de beste voetballers in België”, zegt Plessers bij zijn komst. Hij heeft wel een clausule in zijn contract dat de verbintenis vervalt wanneer de fusieclub degradeert. “Ik zie mezelf niet in tweede voetballen.”

Twintig jaar later herinnert Plessers zich nog hoe hij op een dag opgebeld werd door Jan Vandermeulen: “Die zei dat Waterschei en Winterslag zouden fusioneren. Ik had net bijgetekend bij Hamburg, maar daar kwam een nieuwe trainer die het niet zag zitten met mij. Dat, plus het feit dat de kinderen schoolplichtig werden, gaf de doorslag. Ik hoorde ook dat de nieuwe club zich op alle vlakken zou versterken. Maar dat gebeurde uiteindelijk niet.”

Naast Plessers haalde Genk enkel Berto Bosch bij Charleroi en de Hongaar Laszlo Gyimesi van Honved Boedapest. Dat Winterslag pas op de laatste speeldag van 1987/88 zekerheid had over het behoud in eerste was een handicap op de transfermarkt. “Veel spelers waren geïnteresseerd, maar wilden absoluut niet in tweede klasse spelen”, legde trainer Ernst Künnecke uit, die van Winterslag overkwam maar voorheen al eens trainer was van Waterschei.

Tot grote ontgoocheling van de talrijk opgekomen fans wordt de eerste training van de fusieclub geschrapt: de uitrustingen in het blauw met de sterren van de Europese Gemeenschap waren nog niet klaar, de logo’s van sponsor Generale Bank evenmin. Voor de foto reiken de voormalige kapiteins van Waterschei en Winterslag elkaar de hand: namens Waterschei Tony Bialousz, de laatste overlevende die vijf jaar eerder de fameuze Europese campagne meemaakte, en voor Winterslag Rudy Vossen, een van de weinige spelers die niet opteerden voor een profcontract bij de nieuwe club.

Achteraf, vindt Bijnens, was de club beter gestart in tweede klasse: “Wij hadden goeie jongeren, maar niet rijp voor eerste. Winterslag had er ook een paar. Voor Genk mocht ik Dirk Medved maximaal 30.000 frank (750 euro, nvdr) per maand betalen. Toen ik protesteerde, zei een beheerder: ‘We praten toch over voetballers, hé Bijnens?’ Ook aan Ronny Van Geneugden mocht ik maar 30.000 frank geven. Zijn vader zei: ‘Ik betaal zeven miljoen frank (175.000 euro) als je Ronny één jaar lang 80.000 frank (2000 euro) per maand betaalt. Als hij niet voldoet, geef je hem na één jaar vrij en je houdt het geld. Voldoet hij wél, dan geef je die zeven miljoen terug.’ Ik vond dat een billijk voorstel, de anderen lachten dat weg. Zo is Ronny naar KRC gegaan.”

Degradatie

Op trainingskamp, herinnert Gerard Plessers zich, werd er meteen de pees opgelegd: “Voetbaltechnisch en tactisch werd er amper gewerkt. We dachten dat we het met hard labeur wel zouden kunnen rooien, maar dat lukte niet.” De eerste thuiswedstrijd, tegen Anderlecht, was al meteen een afknapper. Er zakten wel 13.400 toeschouwers naar het Winterslagstadion af, maar Genk verloor met 0-2: twee goals van Luc Nilis, ex-Winterslag.

‘De ploeg is vergeleken met het Winterslag van vorig jaar maar weinig versterkt’, schreef Mick Michels na Genks eerste wedstrijd in dit blad. Hij zag ‘spelers van een ploeg die moet spelen om zich in eerste te handhaven. Het zou geweldig jammer zijn mocht de Limburgse fusieclub in zijn eerste jaar mislukken en het nieuwe Eurostadion inhuldigen met een tweedeklasseploeg.’

Gerard Plessers, twintig jaar later: “We hadden veel te weinig kwaliteit op het veld, terwijl men achter de schermen ruziede om de ploeg op te stellen. Na een wedstrijd of vijf had ik al door dat we niet goed genoeg waren voor eerste. We hadden maar een speler of vijf die eerste klasse aankon.”

Tijdens het seizoen dwarrelen nog versterkingen binnen. De Maltees Carmel Busuttil bijvoorbeeld, en de Joegoslavische doelman Tomislav Ivkovic. Zonder succes. Genk wint slechts twee wedstrijden en eindigt het seizoen als hekkensluiter met 15 punten. Sinds 1976, wanneer de competitie met achttien eersteklassers wordt gespeeld, deed alleen Hasselt slechter, met tien punten in 1979/80.

Na één jaar (“het moeilijkste uit mijn voetballoopbaan”) hield Plessers het bij Genk voor bekeken. “Genk is uitgegroeid tot een topclub, maar voor mijn carrière was het een slechte zet. Eigenlijk had ik in Hamburg moeten blijven.” Hij gaat ook niet meer naar Genk kijken. “Je had twee clans. Met sommige toenmalige bestuursmensen had ik een goed contact, voor andere kon ik niets goed doen en verdiende ik te veel. Voor mij was het geen happy end, voor Genk wel. Gelukkig voor de regio.”

Keeper dat eerste jaar was de toen achttienjarige Ronny Gaspercic, die afgelopen seizoen zijn carrière afsloot bij Westerlo. Gaspercic kreeg in het laatste jaar van Winterslag zijn kans toen titularis Jean-Paul De Bruyne geblesseerd uitviel. “Die fusie was niet zo simpel”, vertelt hij. “Als club moet je eensgezind zijn, maar dat was in die beginjaren niet zo evident, ook al omdat de resultaten tegenvielen terwijl de verwachtingen hooggespannen waren. Ik weet nog dat de druk heel erg groot werd. Met Nieuwjaar kocht men een nieuwe keeper, Ivkovic, maar na de degradatie vertrok die en kwam ik weer in de goal.

“Nu voel je dat Genk één club is, maar toen was dat niet zo. Trouwens: hoeveel fusies zijn echt geslaagd? Genk was geen gemakkelijke club, dat heeft jaren geduurd, met vallen en opstaan. We speelden evenveel jaren in tweede als in eerste klasse. Toen ik bij Genk vertrok naar aanleiding van kritische uitspraken over de club, had Genk meer uitstraling dan Harelbeke, maar qua sportief niveau was die transfer op dat moment geen stap achteruit. Genk moest toen nog ontploffen.”

Het aantrekken van Ivkovic was voor ex-Waterscheivoorzitter Albert Bijnens de aanleiding om op te stappen. “Bij de gesprekken in de beheerraad werd beslist om Ivkovic niet te halen omdat hij veel te duur was. Bovendien was hij niet beter dan Gaspercic, dus konden we die even goed laten staan. Maar plots stond Ivkovic daar toch.”

Aimé

Pas in 1994 keerde Bijnens terug, op verzoek van de vertegenwoordigers van KS die na een woelig jaar met veel ruzie bijna de hele beheerraad buiten zetten: “Toenmalig trainer Enver Alisic had tegen mijn zoon gezegd: ‘Uw vader moet terugkeren, dan wordt jij sportief directeur en zal ik ervoor zorgen dat je op een paar jaar binnen bent.’ Ik heb tegen mijn zoon gezegd: dat soort uitspraken bevalt me niet. Alisic was geen slechte trainer, haalde goeie spelers, maar zijn aanpak van de dingen, dat ging niet meer.”

Eerst haalde Bijnens Domenico Olivieri terug uit Seraing. Olivieri, tegenwoordig jeugdtrainer bij Genk en straks verantwoordelijk voor de beloften, startte in het eerste jaar bij de fusieploeg enkele keren in de basis: “We waren plots Racing Genk, maar eigenlijk waren we nog Winterslag. Wij, jongeren, waren al blij dat we erbij mochten zijn aan een minimumcontract.” Na de degradatie speelde Olivieri een jaar in de basis, maar met de promotie kiest hij voor een goed contract bij Seraing: “Omdat ik voelde dat ik van de nieuwe trainer van Genk, Paul Theunis, weinig vertrouwen zou krijgen.”

Wanneer Olivieri vier jaar later terugkeert, is de sfeer veranderd: “De eerste keer liep alles stroef, vocht iedereen voor zijn eigen plek. Ineens had je een ploeg op en één naast het veld.”

Alisics opvolger, Aimé Anthuenis, bracht Genk definitief naar eerste, won de beker, zorgde voor een geslaagde eerste Europese campagne en werd landskampioen. Albert Bijnens: “Een beheerder van KS had een akkoord met een Nederlandse trainer, maar mijn vriend Nol Hendrikx, net als ik duivenmelker, kende die man en raadde dat af. Toen zei voorzitter Remi Fagard dat Anthuenis, de trainer van Waregem, zijn kandidatuur had gesteld. Ik kende hem alleen van naam, maar we moesten een trainer hebben.”

Bijnens herinnert zich nog dat Aimé absoluut Souleymane Oulare moest hebben. “Hij zei: ‘Als je die haalt, staan de supporters volgend jaar op de banken.’ Anthuenis was een heel joviale typ, erg gedreven, een kenner ook, die de spelers uitspeelde op hun beste positie en de bestuurders de indruk gaf dat zij mee de ploeg mochten opstellen. Op vrijdag ging hij met ons een pint drinken, iedereen zei zijn mening en Aimé luisterde. Hij wist, zoals Sef Vergoossen, elf vrienden op het veld bijeen te brengen. Sef nodigde de hele spelersgroep, trainer en bestuur met vrouwen bij hem uit op de barbecue. De hele dag deden we spelletjes, ’s avonds reikte hij prijzen uit. Toen we ’s avonds laat naar huis reden, had hij een familie. Met Aimé was er een goeie band tussen spelers, trainer en bestuur. Zo hebben we de beker gewonnen en zijn we kampioen geworden.”

Domenico Olivieri: “Anthuenis had veel impact op het bestuur. Hij liet ons heel hard werken, maar we gingen daar in mee. Uiteindelijk hebben we ons allemaal van anonieme voetballers opgewerkt. Ook de spelers die kwamen, waren onbekend – daar waren nooit gevestigde waarden of namen bij. We moesten ons nog allemaal bewijzen, maar we gunden elkaar wat. Als we op maandag iets gingen eten, gingen er daarna maar een paar naar huis. De rest ging mee op café. Aan de toog zijn veel problemen voorkomen of opgelost. We woonden ook allemaal in mekaars buurt, ik denk niet dat iemand verder dan 25 kilometer moest rijden om thuis te zijn.”

In die tijd heeft KRC Genk ook zijn eerste echte vedette. Voordien werden Carmel Busuttil, Laszlo Gyimesi en Frane Bucan gekoesterd, maar de eerste ster was Branko Strupar. Strupar werd, samen met Besnik Hasi, in 1994 aangebracht door een Duitse makelaar. Hasi maakte meteen indruk in een (verloren) oefenmatch op Bree. “Maar met Strupar werd gelachen”, zegt Albert Bijnens. “‘Wat gaat ge met die houten klaas doen?’, vroegen de mensen. Toen ben ik raad gaan vragen aan Thieu Bollen, die toch met Ernst Happel had gewerkt. Die zei: ‘Albert, ik geloof dat die houten klaas het kan.’ Toen was ik overtuigd.”

Domenico Olivieri moet lachen als hem naar de eerste indrukken van Strupar op training wordt gevraagd. “Wat hij liet zien, was niet meteen indrukwekkend. In het begin geloofden wij ook niet in hem, maar we zijn samen beter geworden. Hij had met Alisic ook een trainer die hem honderd procent steunde.”

Het succesmoment dat Olivieri het meest is bijgebleven, is niet de eerste landstitel of de eerste Europese campagne tegen Duisburg en Mallorca, maar wel de eerste bekerwinst in 1998 toen Genk in het Koning Boudewijnstadion Club Brugge aftroefde met 4-1. “Toen was alles nieuw. Het eerste jaar na de promotie eindigden we zevende en speelden we Intertoto. Dat vonden we allemaal al een fantastisch avontuur. Het volgende seizoen wonnen we de beker. Alleen al de eerste training op de Heizel, met die kleedkamers, het oefenveld, de dug-out, dat vergeet je nooit meer. En dan die match op een warme zondag, het feest na de terugrit naar Genk. We waren een beetje aangeschoten, maar ik herinner me er nog heel veel van.”

De fanfare

Het plotse succes brak Genk, in tegenstelling tot andere provincieclubs als KV Mechelen en Lierse, niet zuur op. “Het geluk van Genk”, zegt Bijnens, “is dat het begon te bouwen met de opbrengst van de spelers. Zo verkochten we Bart Goor aan Anderlecht voor 60 miljoen frank (1,5 miljoen euro, nvdr), al wilde Michel Verschueren maar 50 miljoen frank (1,25 miljoen euro) geven. Met het geld van Goor betaalden we een lening van 35 miljoen frank (870.000 euro) aan KS terug. Davy Oyen, die ik weghaalde bij de reserven van STVV, verkochten we voor 100 miljoen frank (2,5 miljoen euro) aan PSV. Later kregen we voor Jacky Peeters van Bielefeld 42,5 miljoen frank (ruim 1 miljoen euro). Ik had Jacky in ’94 nog gekocht. Ik mocht vijf miljoen frank (125.000 euro) geven. Omdat ik wachtte tot de laatste dag van de transfermarkt, kreeg ik hem voor 3,25 miljoen frank (ruim 80.000 euro).”

Toen de investeringen in de bouw toch de inkomsten overtroffen, ging de club op aanraden van een beheerder geld lenen bij Jos Vaessen. Het zou hem een paar maanden later terugbetaald worden. Toen dat niet gebeurde, werd Vaessen bestuurslid. Bijnens: “Zonder Vaessen hadden we op sportief vlak de tering naar de nering moeten zetten. Wij hadden een overeenkomst met Bernd Thijs die een jaar later transfervrij van Standard kon komen. Boskamp wilde die meteen. Kostprijs: 50 miljoen frank (1,25 miljoen euro). Omdat Vaessen er was, had Genk het geld om dat te doen.”

Vijftien jaar geleden trad voormalig Winterslagsupporter Erik Gerits in dienst. Als directeur organisatie maakt hij al jaren elke thuismatch tot een happening. “Toen ik hier begon,” vertelt Gerits, “kwam voor de match de fanfare op het plein, zoals dat nog bij Antwerp gebeurt. De prehistorie, kortom. In het oude stadion kon maximaal 13.000 man binnen. Bij toppers zat alles al om zes uur ’s avonds vol, voor een wedstrijd die om acht uur begon. Daar kon je qua sfeerschepping iets mee doen. Wij brengen elk weekend vreugde in de levens van vele families, geven betekenis aan het leven van veel mensen. Dat geeft een enorme drive.”

“Mijn motto is: beter één goed gepikt idee dan tien slechte eigen ideeën. Als je zag hoe ver men in het buitenland al stond qua sfeerschepping, dat was een wereld van verschil. Op onze eerste Europese verplaatsingen heb ik veel geleerd. Je stadion de naam van een sponsor geven bijvoorbeeld. In België waren we de eersten, in Duitsland doet iedereen dat. Het bestuur dacht met ons mee en gaf altijd de mogelijkheden om ideeën in de praktijk om te zetten.”

Over zes jaar is het stadion helemaal afbetaald. “Dan kunnen we nog extra middelen inbrengen voor de sportieve uitbouw”, kijkt de directeur organisatie al vooruit. “Zolang het stadion moest verbouwd worden, konden we geen winst maken. Nu het stadion quasi af is en onze schulden aan Jos Vaessen zijn afbetaald, sluiten we elk jaar met winst af. Die bonus kan integraal in transfers gestopt worden. Dit jaar kochten we al drie spelers die elk meer dan één miljoen euro kostten. Dat konden we vroeger niet. Het moet de club toelaten sportief aan te sluiten bij de top drie”, zegt Gerits. “Nu zijn we nog te wisselvallig.” S

door geert foutré – beelden reporters

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier