Een doortocht door de Pyreneeën, die volgende zondag worden aangesneden, zorgt in de Ronde van Frankrijk altijd voor animo: het gloriemoment van Willy In’t Ven in 1966, het duel Ocaña-Merckx in 1971, de zegetocht van Javier Otxoa in 2000,… Een greep uit de mooie verhalen.

We schreven 1971 en Eddy Merckx was gestart met de vaste wil zijn derde Rondesucces op zijn palmares te schrijven. Die ambitie kreeg op de hoogten van Orcières-Merlette een flinke dreun, door de gewaagde en nog altijd besproken actie van Luis Ocaña (Ocaña ging van heel ver in de aanval en finishte met minuten voorsprong op Merckx). Het deed wijlen Louis Clicteur, destijds een van mijn journalistieke mentors, pijn aan het hart. Ondanks alle drukke werkzaamheden vond de man die eerder mijn vriend dan mijn chef was, alsnog de tijd om moeder Merckx te bellen en haar ervan te overtuigen dat alles nog niet verloren was. Dat ‘ons Eddyke’, zoals de Brusselaars hem noemden, de zaken wel zou rechtzetten. Wat gebeurde, maar niet op de manier die zijn supporters verwacht hadden.

’s Anderendaags was het, hoog in Orcières-Merlette, rustdag en daar werd, zonder rekening te houden met het drama Merckx, een groots tuinfeest opgezet. Onder een brandende zon werd heerlijk gekoelde rode wijn geschonken en dat bleek voor Clicteur een uitgelezen manier om zijn verdriet te verdrinken. In zoverre dat hij, in de vooravond, in bedenkelijke toestand in de wagen stapte, wagen die ons naar het hotel, beneden in Gap, moest voeren. Tot verbijstering van zijn kompanen bleek Louis een zwaar houweel, meegepikt van op een werf, mee te sleuren. Aandringen om het tuig toch maar achter te laten (‘de arbeiders zullen daar moeten voor opdraaien, chef’) gaf geen resultaat en Clicteur verdween met zijn houweel het hotel en zijn kamer in. ’s Anderendaags zette hij het ding opvallend tegen de gevel van het hotel (‘iemand zal dat toch wel terug naar boven brengen’) en zweeg in alle talen over zijn wel zonderlinge daad. Tot we door de Pyreneeën trokken, waar Luis Ocaña zijn gele trui verspeelde in een bijzonder spectaculaire val, net in het begin van de afdaling van de col de Menté. Het gebeurde in een waar noodweer, Ocaña slipte toen hij Merckx in de afdaling probeerde te volgen, kwam in de kant terecht, krabbelde recht, maar kreeg dan Joop Zoetemelk, die de bocht eveneens miste, pal op zijn lijf. Clicteur ging er net niet bij juichen. Merckx mocht nu zo goed als zeker zijn van die derde overwinning. Maar daar was (en is nog altijd) heel veel om te doen. De kranten brachten verschillende versies van het incident. De strafste was die, komend van de Eddyfans, die zonder schaamte poneerden dat de Spanjaard zich moedwillig had laten vallen omdat hij wist dat hij het toch zou moeten afleggen tegen ‘die andere’, zoals Luis Merckx altijd noemde. Armand Bertrand, die toen voor Het Laatste Nieuws de fotograaf op de motor vervoerde, sprak dat met klem tegen. Hij was er als eerste bij om Ocaña te helpen en verklaarde met de hand op het hart:

“Ik had de schrik van mijn leven. Luis kon niet eens meer ademen. Hij stikte, zo fel was de klap geweest. Ik dacht heel even dat hij ging sterven!”

Nu, de stemming in de karavaan was, onbegrijpelijk toch na de schitterende prestatie richting Orcières-Merlette, meer pro-Merckx dan pro-Ocaña. Kort na zijn opgave en tijdens de volgende rustdag gaf Ocaña bij hem thuis in Mont-de-Marsan een drink voor de journalisten. Het was niet eens zo ver rijden, maar alles samen kwam er maar… één reporter bij hem langs: wijlen Victor Larcher, de geestige Luikenaar, werkzaam voor de krant La Meuse. Hij had het niet zo in Merckx gezien en als hij over hem sprak, zei hij nooit Eddy, maar altijd Edouard.

Maar ik dwaal af. Het bleef grijs en grauw weer in de ritten volgend op die over de col de Menté. De bergen leken nog dreigender dan anders en in dat angstaanjagende decor galmde plots de zware stem van Clicteur door de wagen:

“Nu weet ik het weer!”

Wát, daar hadden wij, zijn collega’s, het raden naar.

Na een korte stilte en een beetje geïrriteerd omdat er niet direct gereageerd werd, knorde hij:

“Ja, dat van dat houweel.”

Weer een stilte. Dan vervolgde hij: “Ik dacht zo bij mezelf: ons Eddyke gaat die Ocaña binnen de kortste keren in de vernieling rijden en als we dan door de Pyreneeën trekken, zullen de Spanjaarden, die daar altijd massaal aanwezig zijn, ons zeker aanvallen. Met dat houweel hadden we ons op zijn minst kunnen verdedigen.” Die Spanjaarden hebben overigens geen vinger naar ons uitgestoken.

Oranje truien en molotovcocktails

In de Pyreneeën is het in juli ofwel te warm, ofwel te koud en alles lijkt er stroef te verlopen, inbegrepen de plaatselijke organisatie van de Tourritten. De Pyreneeën hebben ook altijd aanleiding gegeven tot verhalen die, achteraf bekeken, nergens op gebaseerd waren. Ik heb er bijvoorbeeld nooit beren gezien en evenmin veel last gehad van terroristische dreiging van de Baskische separatisten. Dat van die beren is een oud verhaal. Toen de Aubisque, de Tourmalet, de Peyresourde en de Aspin in 1910 in het parcours van de Tour opgenomen werden, kondigde iedereen een heuse dodentocht aan. Als de renners de beklimmingen al zouden overleven, stond het vast dat zij toch nog door… beren verscheurd konden worden. Nu nog wordt er al eens gewag gemaakt van zulke dieren in de omgeving van grote cols, maar op het moment van de Ronde heeft niemand er ooit maar één gezien. Het gerucht over de beren was niet de reden waarom, in 1910 en voor die eerste echte bergrit, stichter en grote ‘patron’ Henri Desgrange in zijn hotel achterbleef. Hij meldde zich ziek, gewoon omdat hij vreesde dat het experiment op een heuse catastrofe zou uitdraaien.

En wat de Baskische separatisten betreft, heb ik persoonlijk maar weet gehad van één aanslag. Ik wandelde in een klein plaatsje aan de Frans-Spaanse grens in gezelschap van een Zwitserse confrater van het restaurant naar het hotel toen een enorme knal alle ruiten uit de omgeving bijna deed barsten. Toch vond de man het nodig mij te vragen of ik het wel gehoord had. Wat was er dan gebeurd? Enkele heethoofden hadden de garage, waarin de Tourauto’s ondergebracht waren, laten ontploffen.

Maar voor de rest was er altijd meer dreiging dan gevaar.

Jean-Marie Leblanc heeft het erover in zijn memoires, verschenen bij Roularta Books. Hij ontmoette bij verschillende gelegenheden hoogwaardigheidsbekleders uit de Baskische regio en hield daar één enkele nare ervaring aan over. Bij een van de vergaderingen werd hij geconfronteerd met enkele ‘hardleerse militanten’ en kwam hij niet verder dan een akkoord over de communicatie tijdens de wedstrijden. Al de mededelingen zouden in het Frans en ook in het Baskisch gedaan worden. Later bleek dat die ‘hardleerse militanten’ aanhangers waren van ETA-leider Henri Batasuna, wat bijna een diplomatieke rel ontketende. De Tourorganisator zou immers, zonder dat hij het wist, toegegeven hebben aan de eisen van een separatist. Later zag Leblanc een van de barse kerels met wie hij onderhandeld had, terug. Die vertelde hem dat hij het was die de wagen van de Rondedirecteur in de afdaling van de Gave de Larrau van de weg had proberen te rijden. Eens dat gemeld, moesten beide mannen eens hartelijk lachen en werd het incident met een stevige handdruk afgesloten.

Behalve een stevige mobilisatie van de politie zijn er nog twee redenen waarom de passage door de Pyreneeën, waar vaak duizenden dolle Basken aan de kant van de weg staan, over het algemeen zonder incidenten verloopt. De eerste reden heet Miguel Indurain. Hij komt uit Navarra, is dus een gewaardeerde buurman van de Basken en zo’n man leggen zelfs separatisten geen strobreed in de weg. De tweede reden ligt bij de uitzonderlijk aantrekkelijke Euskadi-Euskaltelploeg, opgezet door het Baskische gewest. En voor die jongetjes in oranje truien en met zonderlinge namen (wat gedacht van Aperribay en Txurruka?) laten de Basken graag de molotovcocktails thuis.

De rush van Riis

De aanwezigheid van dat hele leger toeschouwers uit het Baskenland maakt van de doortocht van de Pyreneeën altijd weer een bijzonder spektakel. Duizenden opgewonden Basken, gestimuleerd door bier en txakouli (plaatselijke witte wijn), schreeuwen hun streekgenoten als het ware vooruit. Dat leverde de Baskische renners overigens amper wat op.

Zelden immers kwamen de Basken zegevierend over de streep, behalve dan Javier Otxoa, die in 2000 als primus boven in Hautacam (nu het einde van de tiende rit) aankwam (in 2001 was er ook nog Roberto Laiseka die de veertiende etappe in de Pyreneeën won). Vooral de wild bejubelde tocht van Otxoa over de Marie-Blanque, de Aubisque en de Soulor herinner ik me nog goed. Zoals ik ook nog weet dat zijn succes in zekere mate te danken was aan de goodwill van ene Lance Amstrong, de man die nu niet direct bekend stond als gulle bedeler van geschenken. Maar hier maakte de Amerikaan wel een uitzondering. Had hij onbewust een voorgevoel van wat enkele maanden later zou gebeuren? Het is moeilijk te zeggen, maar het blijft een feit dat Armstrong in de slotklim richting Hautacam Otxoa makkelijk had kunnen pakken. Hij deed het niet en enig respect voor wat die jongen die dag presteerde, zal er wel bij geweest zijn. Door die rush eindigde Otxoa ook als tweede in de bergprijs (na de Colombiaan Santiago Botero) en dat maakte van hem in Spanje (en vooral in Baskenland) een heuse vedette. Maar lang kon de arme jongen niet genieten van die pas geoogste roem. In de aanloop naar het seizoen 2001 werd hij, samen met zijn tweelingbroer Ricardo, op training aangereden door een wagen. Ricardo overleefde de klap niet, Javier bleef maanden in coma. Na een revalidatie van twee jaar wilde hij opnieuw gaan fietsen, kreeg alsnog een profcontract, maar bleek te zeer gehavend om verder te presteren. Met de moed der wanhoop stortte Otxoa zich dan maar in het wielrennen voor gehandicapten en behaalde in 2004, op de Paralympics, een gouden en een zilveren medaille. Die ene prestatie richting Hautacam laat mij nog altijd vermoeden dat de arme Javier wel de man kon geworden zijn die heel zijn gewest in vuur en vlam zou gezet hebben. En dan niet met molotovcocktails.

Veel minder medeleven had Bjarne Riis, steeds op de weg naar Hautacam, vier jaar eerder betoond. Ik zie het nog altijd voor mij, op die (alweer) grauwe dag in juli. Een klein pelotonnetje klimt gestaag naar de eindstreep. Riis komt van de kop af en laat zich een voor een door zijn tegenstanders voorbijrijden. Hij gaat vlotjes recht op de pedalen lopen en monstert de rivalen. Hij kijkt hen pal in het gezicht en het onderzoek naar de frisheid (of het gebrek daaraan) van de anderen stemt hem duidelijk tevreden. Hij zet zich, helemaal achteraan het groepje, even in het zadel en haalt dan onweerstaanbaar uit. Hij fietst niet meer, hij vliegt en lijkt amper te voelen dat de weg behoorlijk steil omhoog gaat. Om zo achter de bocht te verdwijnen, alleen. Dit was een prestatie die door alle journalisten ingekaderd werd als een groots nummer uit de wielergeschiedenis. De stevige, brute coureur bleek plots een gevleugelde klimmer te zijn. Niemand stelde zich vragen, behalve dan fluisterend, over dat ‘iets’ dat in het peloton circuleerde. Twaalf jaar later zou Riis zelf de waarheid bevestigen. Op Hautacam had hij alle voordeel gepuurd uit een zware epokuur. En dat doet mij er nu aan denken dat met het geval Riis op zijn minst een ‘aanwijzing van onschuld’ op het conto van Walter Godefroot mag geschreven worden. Hij werd, samen met alles wat rond Telekom draaide, verdacht gemaakt, maar ik herinner mij nog een ontmoeting die mij doet vermoeden dat Walter amper op de hoogte was van de praktijken die in zijn ploeg heersten, of tenminste niet kon raden welk effect die epo op het lichaam van de atleet heeft. De film van die scène rolt weer door mijn geheugen. We zijn aan het begin van die Tour 1996 en ik maak, voor de bus van Telekom, een praatje met Godefroot. Riis stapt voorbij, nukkig, en gunt Walter amper een blik. De ploegleider ziet verwondering in mijn ogen en verklaart prompt: “Hij is slecht gezind omdat ik er aan houd enkele mensen in dienst van Erik Zabel te laten rijden. Hij roept telkens weer dat hij de Tour gaat winnen. Ik heb hem gezegd dat hij al blij mag zijn als hij het podium haalt.”

Godefroot geloofde er niet in, wist duidelijk niet wat er met het lijf van Riis in korte tijd allemaal gebeurde.

De mannen van één dag

Bergen maken kampioenen, cols vernietigen, verpulveren zelfs, ambities, beklimmingen creëren illusies. Aan dat laatste laat de journalist zich al eens vangen, vooral als hij jong en onervaren is, zoals ik, in 1966. Het was een heerlijke tijd voor de verslaggevers. Je kon letterlijk ín de koers rijden, een tijdje achter de vluchters plaats nemen of in de bergen een bocht hoger gaan staan om zo een overzicht van de gebeurtenissen te krijgen. Zo gebeurde in die Pyreneeënrit naar Pau, dit jaar startplaats van de etappe naar Hautacam. Ik was getuige van een indrukwekkende vlucht, geleid door de slanke Italiaan met blonde krullen (zo herinner ik mij de man in kwestie) die Tommaso De Pra heette. In zijn spoor volgde zowaar een Belg, Willy In ’t Ven. Ik kon mijn professioneel geluk niet op. Was ik niet getuige van de doorbraak van een Italiaanse belofte? Zag ik daar geen Belgische neoprof, die het ver kon schoppen in de Tour? De Pra won en werd geletruidrager. In’t Ven finishte als tweede op amper één seconde van zijn gezel. Kon ik weten dat die kerels alleen maar voorop geraakten omdat in het peloton Jacques Anquetil en Raymond Poulidor een robbertje pesten uitvochten. Tot op de rand van het toelaatbare. Beide mannen geraakten er een dag later over akkoord dat zoiets niet meer mocht gebeuren. Maar Anquetil had teamgenoot Lucien Aimar toch maar netjes in de vuurlinie geplaatst en bedacht een plannetje (waarvan Jan Janssen, derde in Pau, het grootste slachtoffer werd) om zijn ploegmaat verder naar de eindzege te jagen. Ten koste uiteraard van topfavoriet en aartsvijand Raymond Poulidor. En De Pra? En In ’t Ven? De Italiaan werd een dag later al onttroond door Jean-Claude Lebaube en haalde niet eens het einde. De Belg deed dat wel, maar dan op een bescheiden 74ste plaats. S

door robert janssens

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier