Wanneer Pat Van Den Hauwe, zoon van een Belgische vader en een Engelse moeder, in 1977 naar Birmingham FC vertrekt, fluistert zijn vader hem een wens in de oren. ‘Ooit wil ik je de finale van de FA Cup op Wembley zien spelen.’ Van Den Hauwe speelde vier finales, maar zijn leven naast het veld leidde hem tot aan de poorten van de hel.

Minstens een keer per maand word ik schreeuwend wakker. In mijn nachtmerrie schiet ik Steven Penkridge met mijn .38 door het hoofd. Ik héb mij in die situatie bevonden, met dat verschil dat ik de trekker níét overgehaald heb. Een beslissing die mijn en vooral zíjn leven gered heeft. Elke morgen denk ik nog aan die nacht en besef ik: Pat, je bent nog altijd een vrij man, wapens en drugs leiden alleen maar tot dood en wanhoop.”

Beklijvende woorden van Pat Van Den Hauwe in zijn autobiografie Psycho Pat. Legend or Madman? Zijn ex-ploegmaat bij Everton FC, Graeme Sharp, beantwoordt de vraag. “Gek, honderd procent gek!” Maar de toenmalige manager van The Blues, Howard Kendall, noemt Van Den Hauwe een van zijn beste transfers ooit. “Een kleurrijke figuur die graag op stap ging, maar tijdens wedstrijden heeft hij me nooit teleurgesteld.” Om Kendalls uitspraak te kaderen: Everton pakte tussen 1984 en 1989 twee Engelse titels, speelde drie keer de finale van de FA Cup en won de Europabeker voor bekerwinnaars in 1985. Kendall: “Pat was op dat moment een van mijn belangrijkste spelers.” Maar naast het veld leefde hij als rock-‘n-rollster. Mooie auto’s, riante huizen, seks en drugs.

De weg van Patrick William Roger Van Den Hauwe begint op 16 december 1960 in Dendermonde, als zoon van een Belgische vader en een Engelse moeder. Het gezin, gezegend met nog een zoon Rudy, verhuist vijf jaar later naar Bermondsey, een voorstadje van Londen. Voetbal, judo, boksen, gewichtheffen, squash … Alle redenen zijn voor de jonge Pat Van Den Hauwe goed om niet naar school te gaan. Elke morgen trekt hij zijn schooluniform aan, vertrekt stipt op tijd, maar slechts bij hoge uitzondering stapt hij door de schoolpoort.

Bij een lokaal voetbalploegje, Kestrel Rangers, speelt hij zich in de kijker van Arsenal. Twee keer per week brengt zijn oom hem van Zuid- naar Noord-Londen, drie uur heen en terug. De pret is er snel af, de veertienjarige Van Den Hauwe voetbalt liever bij zijn Kestrels. Hij leert Susan Cross kennen, die later zijn vrouw zal worden, of zoals hij haar zelf noemt: Mrs Van Den Hauwe Number One. Net voor hij afstudeert, werpt hij ook op school de handdoek en kan hij bij Chelsea gaan voetballen. Wanneer hij er met een onvoldoende doorgestuurd wordt, krijgen Van Den Hauwe en nog vier afdankertjes in juni 1977 een aspirantencontract voor achttien maanden bij Birmingham City. De start van een indrukwekkende reis. “Mijn ouders stopten me nog een tiental pond ( ongeveer twaalf euro, nvdr) toe. Toen ik meer dan vijftien jaar later naar Londen terugkeerde, had ik minder geld op zak.”

Het leven van een apprentice is hard. Schoenen poetsen van de spelers van het eerste elftal, kleedkamers schoonmaken, trainen. De schamele zestien pond vult de Crazy Gang – de jongeren – aan met dartsweddenschappen in de pubs rond Saint Andrew’s Stadium, de kroegtijger is geboren. Op zijn zeventiende zijn drank en vettig eten Van Den Hauwes trouwe bondgenoten. Zijn debuut in de hoogste afdeling wordt een afgang. Peter Barnes, international, dolt met de jonge verdediger, die voortijdig uit zijn lijden verlost wordt. Jim Smith, de manager, snauwt hem toe dat hij nooit meer in de eerste ploeg zal spelen. “Je was waardeloos.” Smith schenkt Van Den Hauwe pas na zes maanden vergiffenis, waarna de verdediger met een zware rugblessure opnieuw twintig maanden aan de kant moet blijven. Hij revalideert voorbeeldig – het schrikbeeld dat hij nooit meer zal kunnen voetballen, dwingt hem naar een sober(der) leven – en wordt op zijn 21e basisspeler. En toch, de scherpe kantjes blijven. Wanneer hij in de wedstrijd tegen Tottenham zwaar doorgaat op Osvaldo Ardiles en de sierlijke middenvelder kermend van de pijn over het gras rolt, noemt hij Ossie een “Argentijnse bastaard”, een uitspraak die hem jaren later zuur zal opbreken.

Degradatie en transfer

Zomer 1984. Net voor de training roept manager Ron Saunders de spelers bij elkaar. Birmingham City FC, net gedegradeerd naar tweede, kampt met financiële problemen en heeft spelers verkocht. Hij wijst naar Van Den Hauwe, de schrik slaat toe. “Toen ik mijn naam hoorde, dacht ik aan Notts County of Luton, maar plots kon ik naar een van de grootste clubs van het land. Everton FC! Een totale verrassing …” De eerste ontmoeting met zijn nieuwe manager, Howard Kendall, in een restaurant is legendarisch. Hij zal het dubbele van in Birmingham verdienen en krijgt ook nog eens 25.000 pond tekengeld. Wanneer Kendall vertrekt, bestelt Van Den Hauwe champagne, cognac en een dikke sigaar, de barman moet hem later die avond dronken in een taxi duwen. Wanneer de halve Belg een paar dagen later een thuiswedstrijd bijwoont en na de wedstrijd een fruitsapje wil bestellen, stapt de manager op hem af. “Ben je zeker dat je geen champagne, cognac of een Cubaanse sigaar wil?” Waar hij ook gaat of staat, Kendall zal op de hoogte zijn. De rechtsvoetige Van Den Hauwe traint als een bezetene op zijn mindere linkervoet en wordt na enkele wedstrijden de vaste linksback en een publiekslieveling, wanneer hij tijdens een match op Queens Park Rangers voor zijn ploegmaats opkomt, een tegenstander neerslaat en vervolgens met rood van het veld gestuurd wordt. ” Psycho, Psycho!“, galmt minutenlang door het stadion.

Everton is in het voorjaar van 1985 op weg naar de landstitel en de Europabeker voor bekerwinnaars. In Goodison Park verpletteren The Blues in de halve finale favoriet Bayern München – met onder anderen Klaus Augenthaler, Lothar Matthäus, Dieter Hoeness en Karl-Heinz Rummenigge – en in de finale in Rotterdam wordt Rapid Wien van het terrein geveegd (3-1). Manchester United houdt Everton in de finale van de FA Cup met 1-0 van een unieke treble. “Ongelofelijk. Acht maanden ervoor vocht ik nog tegen de degradatie, nu winnen we bijna álles.”

Dat ziet ook Guy Thys, die zich op dat moment op het WK in Mexico voorbereidt. Het telefoongesprek met de Antwerpse bondscoach maakt geen indruk op de 26-jarige verdediger. “Ik had nog veel te leren, klonk het. Ik dacht dat Thys me zou overtuigen om voor België te spelen, niet om te zeggen hoe slecht ik wel was. Toen hij zei dat Enzo Scifo de bepalende speler was en ik antwoordde dat ik nog nooit van hem gehoord had, dacht ik dat Thys flauwgevallen was, zo lang bleef het stil aan de andere kant. Een vervelend gesprek. En ik zou bovendien nog negen maanden legerdienst moeten doen.”

Vader wil dat Pat voor de Rode Duivels kiest, moeder hoopt dat hij het Engelse shirt zal aantrekken, maar de eeuwige dwarsligger kiest voor Wales, een van de home countries. Die beslissing kost Van Den Hauwe twee jaar erna bijna zijn voetbalcarrière, wanneer hij met The Dragons een interland in Malta moet spelen en na een seksavontuurtje een geslachtsziekte én bloedinfectie oploopt. Hij ligt een maand in het ziekenhuis, kan niet meer op zijn enkel staan en blijft meer dan vier maanden weg van het trainingsveld. “Gelukkig kreeg ik van Everton een verpleegster toegewezen die mij met de beste zorgen omringde. En ja, ook met haar ben ik het bed ingedoken. Ik was toen al volledig out of control.”

Mrs Van Den Hauwe Number Two

Levensgenieter Van Den Hauwe verdeelt zijn aandacht tussen het trainingscomplex op Bellefield en bezoeken aan pubs, nachtclubs en hoerententen. In de zomer van 1989 beseft de nachtbraker dat hij Everton moet verlaten. “Ik raakte steeds meer in moeilijkheden. Alleen door te vertrekken kon ik mijn huwelijk met Susan, de moeder van mijn dochter Gemma, redden.”

Een verkeerde inschatting. Zijn transfer naar Tottenham Hotspur zal een nachtmerrie worden. De verleidingen in Londen zijn nóg groter dan aan de boorden van de Mersey. Terry Venables bouwt in Noord-Londen aan een nieuw topteam en betaalt 575.000 pond voor de verdediger, die op White Hart Lane beste maatjes wordt met Paul Gascoigne, nog een enfant terrible. Ook in Londen is het business as usual. Overgewicht verraadt een alcoholverslaving, de financiële problemen stapelen zich op. De verdediger mist al eens een wedstrijd, om de dag erna gewoon weer op het trainingsveld te verschijnen. “Ik moest er af en toe eens voor een paar dagen tussenuit. Nu klinkt dat misschien gek, toen was het de norm.” En toch is de polyvalente verdediger in Tottenham untouchable, tot Venables met de FA Cup van 1991 op zak chief executive van de club wordt. Zijn opvolger, Peter Shreeves, zet Van Den Hauwe meer dan hem lief is op de bank, onder het duo Doug LivermoreRay Clemence speelt hij het seizoen erna nog slechts een handvol wedstrijden. Drank wordt nóg meer zijn beste vriend.

In een wijnbar ontmoet hij het model/zangeresje Amanda Louise Smith, een gebeurtenis die zijn leven zal markeren. “Had ik toen moeten weten wat ik nu weet, dan was ik uit het venster gesprongen nog voor ik ‘hallo’ gezegd had.” Mandy is op dat ogenblik een celeb met een stormachtig verleden. In 1983, amper dertien jaar jong, begon ze een relatie met Bill Wyman, de 47-jarige bassist van The Rolling Stones, met wie ze zes jaar later trouwde. Na twee jaar was de fun eraf. Het koppel scheidde, het bloedmooie fotomodel ging op zoek naar een nieuwe liefde en belandt in 1992 in de armen van Pat Van Den Hauwe, die zijn vrouw verlaat. “Het beeld van een wenende Susan, die in de zetel onze dochter vasthoudt, achtervolgt me ook vandaag nog.”

Hij verhuist naar The House of Dolls, waar Mandy samenwoont met haar zus Nicola en haar bazige moeder Patsy. Het jetsetkoppel wordt dagelijks achtervolgd door de Engelse tabloids, maar de glimlachen zijn slechts schijn. Na een eerste (tegenvallend) seksueel contact duurt het maanden vooraleer ze nog eens met elkaar naar bed gaan. “Het was alsof je naar een driesterrenrestaurant ging, een kaart met schitterende gerechten voor je neus kreeg en dan hoorde dat de keuken gesloten was. Pas toen ik haar een ring van 35.000 pond ( 43.000 euro, nvdr) cadeau gaf, kreeg ik mijn tweede ‘kans’. Zes maanden loon voor een wip …”

Ook de huwelijksnacht, 19 juni 1993, en de daaropvolgende reis worden een flop, geen moment wijkt Patsy van haar dochters zijde. Van Den Hauwe beseft dan al dat hij met Mandy’s famílie getrouwd is. Toch stopt hij op verzoek van Mandy met roken en drinken, de enige manier om zijn relatie en voetbalcarrière op het goede spoor te krijgen. Maar wanneer hij na twee mislukte voetbalseizoenen bij Tottenham hoort dat Osvaldo Ardiles de nieuwe manager wordt, is Pat de wanhoop nabij. “Ik ken je nog”, zegt Ossie in hun eerste gesprek, terwijl hij hem het litteken van zijn doodschop toont. “En bovendien heb je mij en mijn land beledigd.”

Zijn dagen in Tottenham zijn geteld. Terwijl de reserven aan de ene kant van het oefencomplex trainen en de jongens van de A-kern aan de andere helft, mag Van Den Hauwe een uurtje rondjes lopen. Na weken van vernedering stampt hij de deur van Ardiles’ kantoor open en zegt dat hij hem moet laten gaan. Zo niet, dan mag hij een pak rammel verwachten. De dag erna wordt de verdediger gebeld door Mick McCarthy, de manager van Millwall Football Club. Of hij zin heeft om in Division One, de Engelse tweede klasse, te spelen? Heel graag.

Aan de poorten van de hel

In zijn debuut, op het veld van Charlton, geeft Van Den Hauwe een tegenstander al na veertien seconden een elleboogstoot en verovert hij daarmee de harten van The Lions, de gevreesde Milwallsupporters. In de kranten verschijnen vette koppen over ‘de aanslag’ – Sort out Psycho! – maar McCarthy verdedigt hem. Van Den Hauwe, die sneller denkt en speelt dan de gemiddelde voetballer uit tweede klasse, behoort wekelijks tot de uitblinkers, tot hij na een zware knieblessure wekenlang aan de kant staat. Wéér een domper.

En dat terwijl het leven in The House of Dolls ondertussen een hel geworden is. De Smiths zijn drie dolgedraaide vrouwen met zware mentale en seksuele issues. “In de drie jaar dat we elkaar gekend hebben, zijn Mandy en ik slechts vier keer met elkaar naar bed geweest, waarvan dan nog twee keer nadat we al beslist hadden om uit elkaar te gaan.”

Het koppel scheidt in 1995, Van Den Hauwe trekt na achttien jaar weer in bij zijn ouders. Zijn leven is een puinhoop, een mix van Guinness en cocaïne. Hij voelt zich geen voetballer meer en stopt. McCarthy, aan wie hij ooit toevertrouwde dat hij met zelfmoordgedachten speelde, betaalt hem nog een afscheidspremie van 25.000 pond. Drinkgeld. Letterlijk. In duistere bars raakt hij bevriend met Londense onderwereldfiguren, die hem op een bepaald moment zeggen dat ze het probleem Tony Merriman – een jongen die hem op school pestte en die hij onlangs opnieuw tegen het lijf liep – voorgoed zullen oplossen. “Ik haatte hem, nog meer dan Ardiles en Patsy Smith, maar niet genoeg om op een dag te moeten lezen dat zijn lijk in de Theems gevonden was.” Ergens, tussen de bedwelmende nevels van drank en drugs, een besef van moraliteit.

Een jeugdvriend, die ziet dat Van Den Hauwe op weg is naar de dood, lokt hem met een smoes naar Zuid-Afrika. Een trip voor een week, denkt hij, tot hij op de tweede dag aan de trainer van Hellenic FC voorgesteld wordt en er een contract voor drie maanden tekent. “Ik was zo dronken dat ik die dag zelfs een kerstkaartje naar Patsy of Ossie geschreven zou hebben.”

De Griekse eigenaars van de Zuid-Afrikaanse club zijn echter niet opgezet met zijn levensstijl en na een paar maanden wordt hij uitbetaald. Met 60.000 pond op zak houdt hij er een levensstijl op na die zijn verblijven in Birmingham, Liverpool en Londen op schooluitstapjes doen lijken. Hij gebruikt meer coke dan goed voor hem – en voor iedereen – is, wordt steeds meer paranoïde en dreigt er zelfs mee een vriend, aan wie hij honderd pond geleend heeft, met zijn .38 door het hoofd te schieten. Berouw voor de zonde, de poorten van de hel blijven gesloten.

De geboren Dendermondenaar voetbalt nog even bij Wynberg Saint Johns, een clubje uit de Zuid-Afrikaanse tweede klasse. Geen succes, maar wanneer Carolyn de la Cruz zijn pad kruist, wordt hij opnieuw verliefd. In december 1997 wordt ze Mrs Van Den Hauwe Number Three, de vrouw die hem van drank en drugs af helpt. Voorgoed. Met de opbrengst van de verkoop van zijn memorabilia – truitjes en medailles – investeert het echtpaar in vastgoed en leidt het nu een rustig leven in Kaapstad. De demonen in het hoofd zijn bezworen. Eindelijk. “Mijn advies aan jonge voetballers: geniet van elk moment, maar blijf van de vuiligheid af, spaar je geld en zoek jezelf een leuke girl next door, liever dan eentje die in het voetlicht staat. Alleen dan kun je van het pad blijven dat ik genomen heb.”

DOOR CHRIS TETAERT

“Een kleurrijke figuur die graag op stap ging, maar tijdens wedstrijden heeft hij me nooit teleurgesteld.” Howard Kendall over Van Den Hauwe

“Het beeld van een wenende Susan, die in de zetel onze dochter vasthoudt, achtervolgt me ook vandaag nog.”

Zijn leven is een puinhoop, een mix van Guinness en cocaïne.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier