Terwijl Genoa, de nieuwe club van Dániel Tözsér, knokt voor het behoud in de Italiaanse Serie A, blikt de Hongaarse middenvelder tevreden terug op zijn vier jaar in de Cristal Arena. ‘Maar ik vertrek wel met het idee dat Genk niet wil proberen om naast Anderlecht te gaan staan.’

D ániel Tözsér weet nog goed hoe hij zich medio 2008 voelde, tijdens zijn eerste maanden op Limburgse bodem. “Ik had twee geweldige seizoenen achter de rug bij AEK Athene,” vertelt hij, “op dat moment een grote club. Ik was gewend geraakt aan een stadion met 70.000 plaatsen. Daarnaast vond ik ook het dagelijkse leven in Griekenland fantastisch; het was er altijd heet. Geen wonder dus dat ik tijdens mijn eerste halfjaar in Genk hier niet bepaald gelukkig door de regen liep. Maar gaandeweg realiseerde ik mij dat ik niet mocht blijven hangen in die mooie herinneringen aan Griekenland. I had to fight the war in my head. Ik wist maar al te goed waarom ik naar hier was gekomen; omdat de grote Europese clubs komen vissen in België en Nederland, en niet in Griekenland. Na een tijdje slaagde ik erin mijn gevoel te keren. Ik kan nu heel voldaan terugblikken op mijn Genkse periode. Toen ik onlangs Harry Lemmens ( ex-voorzitter, nvdr) nog eens tegen het lijf liep, vertelde die me dat hij zich nog goed herinnerde wat ik gezegd heb tijdens een van mijn eerste gesprekken met hem; dat ik met deze club prijzen wilde pakken en vervolgens een transfer wilde versieren naar een club in een goede competitie. Alles wat toen in mijn hoofd zat, is uitgekomen.”

Kleine bluts

Maar er zit ook een donker randje aan het vertrek van Tözsér, voor wie RC Genk gezien zijn aflopende contract geen transfersom opstrijkt. Nadat de Hongaar medio februari officieel bekendmaakte dat hij de komende seizoenen bij Genoa zou spelen, viel hij plots naast de basiself van Genk, terwijl hij vanaf het begin van het seizoen tot dan maar één keer niet aan de aftrap van een competitiematch had gestaan. Negen wedstrijden lang kwam de centrale middenvelder niet aan spelen toe. Toen Khaleem Hyland, de centrale middenvelder die ineens wel speelminuten kreeg, in play-off 1 geschorst was voor de thuismatch tegen Anderlecht, destabiliseerde trainer Mario Been nog liever zijn verdediging door Jeroen Simaeys een rij naar voren te schuiven dan een beroep te doen op Tözsér. En toen in diezelfde wedstrijd Kevin De Bruyne vroeg geblesseerd raakte, werd in eerste instantie Jordy Croux ingebracht en op de linkerflank geposteerd en werd flankspeler Thomas Buffel naar het centrum geschoven. Pas vanaf de tweede helft tegen Anderlecht liet Been Tözsér weer opdraven.

“Wat gebeurd is, is gebeurd,” probeert Tözsér zijn ontgoocheling over dat alles eerst nog wat weg te stoppen, “ik ben het al vergeten.” Maar eventjes later noemt hij die twee maanden toch de moeilijkste periode van de afgelopen vier jaar. “Ja, Genk heeft me pijn gedaan”, geeft hij uiteindelijk toe. “Ik was aanvankelijk van plan er niet te zwaar aan te tillen, maar ik ben ook maar een mens, iemand met emoties. ( stilte) De tijd zal die kleine bluts wel uitvlakken, de mooie herinneringen zullen wel weer de bovenhand halen.”

Het kunst- en vliegwerk om hem in play-off 1 niet te hoeven opstellen, verbaasde Tözsér op het eind niet eens meer, vertelt hij. “Toen ik na de thuismatch tegen Lokeren uit de ploeg vloog, had ik twee zaken snel door: ik werd niet zomaar voor eventjes aan de kant geschoven én het had niets te maken met mijn prestaties.” Dat De Bruyne tijdens de rust van de match tegen Lokeren boos had geroepen dat enkele Genkspelers het nalieten om hun truitje nat te maken, staat volgens Tözsér ook los van zijn verwijdering uit de basiself. “Dat ging niet over mij”, zegt hij. “En mocht Kevin toch mij geviseerd hebben, dan zou ik zeker niet vanwege zijn uitspraak uit de ploeg gehaald zijn, Kevin staat niet boven de andere spelers.”

Bij het geschuif met Simaeys haalde Been als argument aan dat centraal op het middenveld de combinatie van een defensief denkende speler (Simaeys) en een offensief denkende speler (De Bruyne) de voorkeur genoot op twee offensief denkende spelers (Tözsér-De Bruyne). Maar ook dat veegt de Hongaar van tafel. “Ik speelde zo vaak naast Fabien Camus ( ook een offensief denkende speler, nvdr),” zegt hij, “al geef ik toe dat dat niet ideaal was; ik kon dan niet het beste van mezelf geven.”

Gebrek aan ambitie

Als hem gevraagd wordt eens de werkelijke uitleg te geven voor wat er de laatste maanden gebeurde, antwoordt Tözsér eerst met een zucht. “Zo’n jaar geleden”, zegt hij, “waren enkele clubs in mij geïnteresseerd. Ik overlegde toen met mijn manager. Op dat moment was ík diegene die aangaf dat er misschien eens gepraat moest worden over mijn contract bij Genk. Maar de club wilde daar in die periode geen gesprek over voeren. En weg mocht ik niet, want er was een transferstop. Toen Genk mij een tijdje geleden dan een nieuw contract aanbood, zei ik neen. Naar mijn aanvoelen heeft de club dat als kwetsend ervaren.”

Dat hij niet langer in de Cristal Arena wou blijven, linkt Tözsér aan verschillende factoren. “Vooreerst bereikte ik met Genk alles wat er te bereiken viel. Ten tweede wilde ik altijd al eens zien wat ik waard ben op een hoger niveau; in Duitsland, Spanje, Engeland of Italië. Gezien mijn leeftijd – ik ben net 27 geworden – is het moment aangebroken om dat te doen. En ten slotte is Genoa ook op financieel vlak een veel betere optie.” Op financieel vlak gaapte er een bijzonder diepe kloof tussen wat RC Genk in zijn nieuwe contract bood en wat Tözsér in zijn hoofd had, aldus de Hongaar. “Genk werkt met een bepaald budget en wil voor geen enkele speler een uitzondering maken – zo zouden ze de deur op een kier zetten. Nochtans is de club op dit moment wel bijzonder sterk op financieel vlak, dankzij de titel, de Champions League en de transfers van Thibaut Courtois en Kevin De Bruyne. Al dat geld bood Genk de kans om van de titelstrijd de komende vijf jaar een tweestrijd tussen Anderlecht en Genk te maken. Maar terwijl Anderlecht onder anderen Dieumerci Mbokani en Milan Jovanovic haalde, trok Genk vorige zomer geen extra topspelers aan. Genk liet een schakelmoment passeren. Ik vertrek hier met het idee dat deze club niet wil proberen om naast Anderlecht te gaan staan, omdat dat te riskant is. Misschien vindt de clubleiding alles goed zoals het nu is – Genk is dé club van Limburg, het stadion zit altijd vol en om de vijf à tien jaar rijft de ploeg eens een titel binnen – en misschien zou ik dat ook vinden, mocht ik daar in de directiekamer zitten, maar in de kleedkamer kregen ik en alle andere spelers het gevoel dat Genk met een gebrek aan ambitie kampt. Alsof de club niet wil dromen van meer. Volgens mij werkte dat ook het vertrek van Frank Vercauteren in de hand.

“Genk staat nu voor enkele moeilijke jaren, want de basis van de ploeg is weg: João Carlos, Eric Matoukou, Daniel Pudil, Thibaut Courtois, Kevin De Bruyne, ik en mogelijk ook nog Jelle Vossen. Zeven spelers, dat is veel.”

Geen tweede Biglia

Een tijdje zag het ernaar uit dat Tözsér Genk zou ruilen voor Anderlecht. “Als ik echt gewild had,” aldus de Hongaar, “zat ik nu bij Anderlecht. Maar ik zou het er moeilijk mee gehad hebben om voor een gelijkaardig loon de overstap naar Brussel te maken. Toen ik in Griekenland bij AEK speelde, kon ik me ook al niet voorstellen dat ik ooit een truitje van Panathinaikos zou aantrekken, omdat AEK mij na aan het hart lag. Dat was nu net zo. Als ik naar Anderlecht was gegaan, had ik Genk moeten vergeten en zouden de fans van Genk mij uitgefloten hebben als ze me terugzagen in een Anderlechttruitje. Ik vond dat ik te graag in Genk geweest ben om zoiets te ondergaan. En ik weet wel dat ik voor de fans van Genk gewoon een buitenlander ben, dat ik mezelf qua populariteit niet kan vergelijken met Jelle of Kevin, but they liked me enough. Op een manier heb ik het gevoel dat ik belangrijk geweest ben voor hen. Mocht Anderlecht mij het dubbele geboden hebben van wat ik bij Genk kreeg, dan hadden de kaarten anders gelegen. Maar dat was niet het geval.

“Aan de andere kant is het niet zo dat ik expliciet neen zei tegen Anderlecht. De ontmoetingen met Genoa werden gewoon zo serieus dat die met Anderlecht op een lager pitje kwamen te staan. Logisch, het budget van Genoa is twee keer zo groot als dat van Anderlecht. En Anderlecht is een mooie club, maar het blijft een club in de Belgische competitie.”

Bij Anderlecht was dé vraag of Tözsér een eventueel vertrek van Lucas Biglia kon opvangen. “De beste optie was volgens mij om samen met hem te spelen”, aldus Tözsér. “In balbezit zijn we gelijkaardige types – we don’t like that crazy running and hitting – maar we zijn ook verschillend; hij is iemand die voor de verdediging blijft terwijl ik iets vaker voor het doel verschijn.”

The place to be

De Tözsér die nu naar Genoa trekt, is sterker dan de Tözsér die vier jaar geleden in Genk aankwam, zegt de Hongaar zelf. “Onder Vercauteren groeide ik uit tot een box-to-boxspeler.” Dat hij in Genk leerde om meer vuil werk op te knappen bij balverlies, is een stelling die hem ook al ter ore gekomen is. “Het maakt me blij als mensen van buitenaf die conclusie trekken,” zegt hij, “maar het is niet zo dat ik vier jaar geleden niet hard wilde werken.”

Dat zijn verhuis naar Genua, een 600.000 inwoners tellende havenstad in het noorden van Italië, nu het toppunt van zijn carrière inluidt, wil Tözsér niet gezegd hebben. “Ik wil altijd meer. Maar ik ben ook een realist. Ik zit niet meer met Real Madrid of Barcelona in mijn hoofd. Om naar zulke clubs te kunnen moet je bepaalde stappen vroeger zetten. Maar als mijn contract bij Genoa op mijn 31e zal aflopen, zullen ze daar niet sowieso zeggen dat ik oud ben, zoals ze hier of in Duitsland zouden doen. Italiaanse clubs kopen ook nog spelers van 32. Als ik dus ooit nog een stap wil zetten, is Italië the place to be. Dat was een argument om opties in Duitsland en Engeland links te laten liggen.”

DOOR KRISTOF DE RYCK – BEELDEN: IMAGEGLOBE

“Ja, Genk heeft me pijn gedaan.”

“Als ik echt gewild had, zat ik nu bij Anderlecht.”

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier