door Jacques Sys

Eigenlijk is het vreemd dat een vakman als Laszlo Bölöni er dit seizoen op geen enkel moment in slaagde een oplossing te vinden voor de problemen waarmee Standard worstelde. Natuurlijk ging hij gebukt onder de blessurelast en een falende transferpolitiek waarvoor het bestuur de verantwoordelijkheid draagt. Maar van een trainer die de indruk gaf zich boven alles en iedereen verheven te voelen, mag worden verwacht dat hij een sleutel vindt om uit de impasse te raken, om het nog altijd aanwezige talent te laten renderen. In plaats daarvan raakte Bölöni met de dag verbitterder omdat hij niet overweg kan met middelmaat en al helemaal niet met de gebreken van een aantal spelers. Het deed hem gruwen van ergernis en dreef hem uiteindelijk in een isolement. Bölöni greep naar een slecht verdedigingsmechanisme om zijn onmacht te maskeren: het wapen van de arrogantie. Hij reageerde extreem geprikkeld op kritiek, brak geïrriteerd persconferenties af en zorgde voor een klimaat waarin spelers niet langer vertelden wat ze dachten, maar wel wat hun trainer graag hoorde. Een teken van machteloosheid en radeloosheid en uiteindelijk ook van defaitisme. Zo maakte Bölöni zich op den duur ongeloofwaardig.

Toptrainers moeten ook in de meest moeilijke momenten in staat zijn hun emoties uit te schakelen. Maar Bölöni draagt de sporen van het verleden met zich mee: hij groeide op in een verstarrend regime, als gevangene van een systeem waarin je geen kritiek gaf en waarin er ook geen kritiek werd gegeven. Toch lonkte hij naar de absolute top, genoot hij als hij voor een wedstrijd tegen Liverpool in de gangen mocht lopen met Rafael Benítez. Maar hij leek het beneden zijn niveau te vinden als hij het daaropvolgende weekend weer naast een coach uit de Belgische competitie moest zitten. En dat terwijl hij als trainer ver onder de internationale top werkte.

Laszlo Bölöni gaf de voorbije achttien maanden de Belgische competitie kleur. Vorig seizoen verfijnde en moderniseerde hij het spel van Standard. Hij legde op een soms botte manier de pijnpunten van de ploeg bloot. Dat was even slikken voor de spelers, die een harde en meedogenloze aanpak niet gewend zijn en zich onaantastbaar waanden na het binnenhalen van de luid omjubelde titel. Het blijkt nu als je na het vertrek van Bölöni sommigen – vooral meelopers – hoort klagen over de trainer. Het zegt alles over hun beperkte incasseringsvermogen. Dezelfde Bölöni maakte aanvankelijk spelers wel beter. Tot een aantal wapens hem werd ontnomen en zijn bijtend cynisme voor niemand nog te harden was.

Veel meer had Laszlo Bölöni verwacht van zijn passage bij Standard. Hij verkeek zich op het niveau van het Belgisch voetbal, schrok bij het constateren van een aantal technische mankementen en was ontgoocheld toen dit seizoen de gewenste versterking uitbleef en een aantal sterkhouders niet werden vervangen. Die mislukte transferpolitiek moet Luciano D’Onofrio zichzelf aanrekenen. Nog niet zo lang geleden werd de sterke man van Standard geprezen omwille van zijn koopmanskunst en strategie. Niets dat in de voetballerij sneller wegwaait dan dat soort loftuitingen.

Met de tijdelijke aanstelling van Dominique D’Onofrio kiest Standard voor een radicale ommezwaai: een warme man die de spelers schouderklopjes geeft en bijna amicaal met de media omgaat. Sommige spelers zullen zich bevrijd voelen zonder de dwingende aanwezigheid van Bölöni, alsof ze zijn ontsnapt uit een dwangbuis. Afgelopen zondag viel daar tegen Westerlo niets van te zien. Op termijn is Standard al helemaal geen stap verder geraakt. Sterker zelfs: het moet volgend seizoen herbeginnen met het metselen van nieuwe fundamenten. Terwijl die er eind vorig seizoen stonden en hier en daar de cement alleen wat steviger gemaakt moest worden.

Dat dit niet gebeurde, is niet de schuld van Laszlo Bölöni. Het werpt Standard ver terug in de tijd: een club met een kronkelend en ondoorzichtig beleid, niet bij machte om een koers van continuïteit te voeren.

Bölöni kon niet overweg met middelmaat.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier