Op 2 januari 2010 was het exact een halve eeuw geleden dat Fausto Coppi overleed. In wielerkringen kampt de te vroeg gestorven campionissimo met Eddy Merckx om de titel van ‘beste wielrenner aller tijden’.

2 januari 1960, 8.45 uur in de ochtend. Stilaan sijpelt het nieuws door: Fausto Coppi is overleden. Italië is in shock. Hun campionissimo, kampioen der kampioenen, is niet meer. De wereldkampioen op de weg in 1953, vijfvoudig winnaar van de Giro d’Italia, Tourwinnaar in 1949 en 1952 en winnaar van de allergrootste klassiekers: geveld door een Burkinese malariamug. Drie weken eerder was Coppi immers nog aan de slag geweest in Ouagadougou, hoofdstad van wat nu Burkina Faso is. Coppi werd er tweede in een criterium, na Jacques Anquetil. Terug in Italië voelde Coppi zich zo slap als een vod. Zijn toestand verergerde en hij werd opgenomen in het ziekenhuis. De Italiaanse artsen behandelden Coppi voor een bronchitis en dat zou een fatale inschatting blijken.

“De Grote Reiger heeft zijn vleugels gesloten”, blokletterde een van de grote Italiaanse kranten op 3 januari. ‘De Grote Reiger’ was een koosnaampje dat hem was bedacht na een van zijn talrijke raids in de Italiaanse of Franse cols, op weg naar een overwinning die hem net weer dat tikkeltje meer onsterfelijk zou maken.

De doorbraak van Coppi kwam er al heel vroeg. In 1939 met name, toen hij als Giroknecht van Gino Bartali in de etappe tussen Firenze en Modena zijn eigen kans ging en de roze trui bemachtigde. Die putsch zou de kiem herbergen van de latere tweestrijd met Bartali, een naam die voor eeuwig en drie dagen met Coppi is gerelateerd. In 1942, in volle wereldbrand, schreef Coppi het werelduurrecord op zijn naam. En dan moest hij als infanterist naar Noord-Afrika waar hij krijgsgevangen werd genomen door de troepen van de Britse veldmaarschalk Bernard Montgomery. Op het einde van de oorlog keerde hij terug naar huis … met de fiets.

3041 vluchtkilometers

Van 1946 tot en met 1953 fietste Coppi op eenzame hoogte. Vaak letterlijk maar vooral figuurlijk. Het begon met Milaan-Sanremo 1946 waar hij de tweede op veertien minuten fietste. En dat na een solotocht die al begon op de Passo del Turchino, met nog 145 (!) km voor de boeg. Een scenario dat onvatbaar is voor de huidige toppers die de Primavera willen winnen. Een aanval op de Poggio is voor hen het hoogst haalbare. Nummers van een dergelijk kaliber voerde Coppi de daaropvolgende jaren wel vaker op. Meer nog, ze werden zijn handelsmerk. Van de 118 wedstrijden die Coppi op de weg won, won hij er 58 na een solovlucht. 3041 vluchtkilometers staan geregistreerd op zijn naam. Had hij een goede dag en hij kreeg tien meter, dan was hij onhoudbaar. Hij was de Cancellara van de jaren veertig en vijftig. Maar dan nog straffer. In de Ronde van Italië van 1949 reed hij in de etappe tussen Cuneo en Pinerolo 192 km alleen in de aanval. Een monstervlucht over loodzware Alpencols als Madeleine, Vars, Izoard, Montgenèvre en Sestriere. Gino Bartali werd tweede. Op 11’52”.

Coppi voerde de vooroorlogse tijdverschillen weer in. Ook in de Tour van 1952 die hij zo hard wurgde, dat de organisatie een extra premie in het leven riep voor de tweede, Stan Ockers. Coppi was hors catégorie, het zout en de peper in die gouden wielertijden.

Coppi versus Bartali

Niet alleen zijn vroege, mysterieuze dood maakten Coppi tot een legende. Ook niet alleen die tot de verbeelding sprekende sportieve stunts. Of zijn enorme inzinkingen, want die waren er ook. De rivaliteit met Gino Bartali was een belangrijk ingrediënt. Na de Tweede Wereldoorlog bikkelden de heren om de wielertroon, in Italië en daarbuiten. Aan de vooravond van de Tour 1949 werd duidelijk dat Italië het met Bartali én Coppi in één ploeg zou gaan doen. Bartali had met twee eindzeges al een mooi Tourpalmares opgebouwd. Coppi was Tourdebutant maar wel the coming man. Het zag er door een val aanvankelijk slecht uit voor Coppi maar in de Pyreneeën herpakte hij zich. En in de Alpen en de tijdritten nam hij definitief afstand van Bartali. Maar niet nadat hij zijn ‘oude’ rivaal eerst nog een verjaardagsgescenk had gegund: een ritzege in Briançon, een stad waar alleen kampioenen mogen winnen. De tweestrijd Coppi-Bartali verdeelde en intrigeerde Italië. De Italiaanse romanschrijver Curzio Malaparte verwoordde het ooit zo: “In de aderen van Gino stroomt bloed, in die van Coppi benzine.” Coppi was de machine, de atleet die één was met zijn fiets, in staat was om tot de verbeelding sprekende dingen te doen met die trappers, die leefde voor zijn vak en ver vooruit was op zijn tijd. Bartali was de mens van vlees en bloed, de paffende coureur die koerste op het gevoel. In het echte leven waren ze vrienden. Maar in de perceptie van de tifosi waren ze elkaars tegenpolen. Coppi was de moderniteit, Bartali de traditie.

Kannibaal versus aartsengel

Wie was nu de allergrootste: Coppi of Merckx? Tijdvakken kun je niet vergelijken, is dan het vlakke antwoord dat je doorgaans krijgt. Merckx was met zijn 525 overwinningen een ‘Kannibaal’. Daar kan Coppi niet aan tippen. Maar Coppi’s leven en werk waren een aaneenschakeling van roem en tragiek. Laten we de romantiek even terzijde, dan mag je Coppi minstens een zo complete renner als Merckx noemen. De in 2000 overleden oud-Tourdirecteur Jacques Goddet zei ooit het volgende over de vergelijking Coppi-Merckx. “Ooit heb ik getiteld:Merckxissimo. Die superlatief heb ik nooit voor iemand anders gebruikt, al had ik het kunnen doen voor Coppi, want samen met Merckx steekt hij erboven uit. Qua palmares is Eddy Merckx de beste, maar mij heeft Fausto Coppi het meest aangegrepen. Het was de meest buitengewone, de meest verbazingwekkende. Qua romantische waarde is Coppi voor mij dé aartsengel.”

door frederik backelandtbeelden: belga/stf

Had hij een goede dag en hij kreeg tien meter, dan was hij onhoudbaar.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier