‘Ik ben iemand die nooit de handdoek gooit en geduldig blijft werken met het geloof dat het beter wordt.’ Een gesprek met Javier Portillo, over Real Madrid en Club Brugge.

Javier García Portillo, zo luidt zijn naam officieel, “maar mijn voetbalnaam is Portillo, dus laat die García maar weg.” Portillo, dus, geboren op dezelfde dag als Vincent van Gogh (op 30 maart, zij het 129 jaar later). Hij wist het niet, schilderkunst interesseert hem niet. Voetbal domineert al 23 jaar zijn leven. “Zoals mijn vader ben ook ik een beetje voetbalgek”, zal hij tijdens het interview zeggen. Een interview waarvoor Portillo naar goede Spaanse gewoonte te laat komt opdagen.

Terwijl passagier en vader Julian in de auto blijft wachten, is chauffeur en zoon Javier tijdens het vraaggesprek op zijn hoede, bang voor uitspraken die wel eens in het verkeerde keelgat zouden kunnen schieten ? Met twee doelpunten tegen AA Gent leek voor de met veel tromgeroffel van het grote Real Madrid gehuurde aanvaller de ban definitief gebroken. Portillo was de held van de avond en Club Brugge werd opnieuw een serieuze titelkandidaat genoemd. Een week later werden er alweer vraagtekens bij geplaatst. Een mat Club Brugge verloor van Zulte Waregem en de enige Bruggeling die kon scoren, was de ingevallen Rune Lange.

Rune Lange, een concurrent voor Portillo ? “Hij kan ook naast me spelen, want 4-4-2, 4-3-3, het maakt geen verschil uit.” Meer heeft hij er niet aan toe te voegen. Spelen, dat wil hij wel, en daarvoor heeft hij het vertrouwen van trainer Jan Ceulemans nodig. Dan kan hij ontploffen, “explotar”.

Om te openen, Javier, wat zijn na twee maanden je eerste indrukken van het Belgische voetbal ?

“Het niveau van het Belgische voetbal heeft me positief verrast. Dat ploegen zich in Brugge komen ingraven, is normaal, maar het is wel jammer dat de meeste teams behoorlijk defensief ingesteld zijn.”

Moeilijk voor een aanvaller ?

“Voetbal is nergens gemakkelijk. Als je de bal hebt, het spel maakt en kansen creëert, is het aangenamer. Weet je, van een speler die in een volledig nieuwe omgeving terechtkomt, kan je niet meteen het beste verwachten. Toen Ronaldo in Madrid toekwam, duurde het acht speeldagen vooraleer hij zijn eerste doelpunt aantekende. Het vergt altijd wat tijd om je aan te passen aan nieuwe ploegmaats. Vier wedstrijden had ik het wat moeilijk, maar sindsdien ondervind ik hoe langer hoe minder aanpassingsmoeilijkheden.”

Net op tijd, want met jou leek ook Club Brugge op dreef te raken. En dan kwam er die nederlaag op Zulte Waregem.

“In die wedstrijd speelden we niet goed, maar voordien – denk maar aan Gent of Rapid Wenen – brachten we wél goed voetbal. Dit is geen ploeg die de bal met grote halen naar voren moet trappen. We hebben de kwaliteiten om mooi voetbal over de grond te brengen. Ik geloof alvast dat we weer op het niveau raken dat een ploeg als Club Brugge moét halen.”

Waaraan lag die slechte start van Club Brugge volgens jou ?

“Dat zijn zaken die gewoon gebeuren, zonder dat je er veel over kan zeggen. Gewoon hard blijven werken en dan komt het weer in orde. Het klinkt eenvoudig, maar zo is het wel. Ruim een maand geleden zat de trainer van Real Madrid op de wip, maar ondertussen doen ze weer helemaal mee.”

Het matige voetbal en de mindere resultaten leidden tot kritiek, ook op de aanvallers die niet scoorden.

“Een aanvaller wordt terecht in vraag gesteld of krijgt terecht kritiek als hij doelkansen míst, maar we creëerden op dat moment nauwelijks kansen. Waaraan dat lag ? Dat zei ik al : es el fútbol, dat is voetbal. Ik heb nooit getwijfeld, ik ben iemand die nooit de handdoek gooit en geduldig blijft werken met het geloof dat het beter wordt.”

Een vraag die altijd terugkomt bij Club Brugge : wat is het beste systeem, 4-4-2 of 4-3-3 ?

“Beide systemen liggen ons en beide liggen ook mij. Voor mij maakt het écht geen verschil uit.”

Voor de wedstrijd op Bayern München werd je naar de bank verwezen. Hoe verteerde je dat ?

“De trainer koos daar voor een andere opstelling en daar had ik me bij neer te leggen. Problemen maakte ik daar niet van, want hij bleef me vertrouwen geven door aan te geven dat ik rustig moest blijven, niet moest panikeren. Hij besefte heel goed dat ik mij als nieuwkomer nog moest aanpassen. Het is voor elke speler belangrijk om vertrouwen te krijgen van de trainer. Dat is het belangrijkste. Als een speler na twee mindere wedstrijden naar de bank verwezen wordt, is dat volgens mij geen goede zaak. Ik ken geen enkele aanvaller die elke wedstrijd scoort. Dat is onmogelijk.”

Scoren was nochtans altijd jouw specialiteit. Wat is het geheim van de topscorer aller tijden in de jeugd van Real Madrid ?

“Hard werken en vertrouwen hebben, simpel. Een ander geheim bestaat er niet in.”

“Scoren is beter dan een orgasme”, liet je drie jaar geleden nog optekenen in het Spaanse magazine ‘Don Balón’. Je vreugde na een doelpunt spreekt ook al boekdelen : scoren geeft je een kick. Of waren je eerste Brugse goals vooral een opluchting ?

“Die uitspraak in Don Balón was eerder bedoeld als grapje, hoor (lacht), maar een spits leeft van doelpunten. Hoewel het ook weer niet het enige is wat telt. In hetzelfde Spaanse magazine dat je net noemt, vergeleken ze me ooit met Hugo Sánchez. Op zich heb ik daar uiteraard geen probleem mee, maar ze schreven er wel bij dat ik weinig aan het spel deelneem en mij enkel bekommer om het maken van doelpunten. Misschien was dat toen zo – uiteindelijk spreek ik hier over vier jaar geleden, maar nu klopt het alvast niet. Hier kreeg ik zelfs al te horen dat ik me te ver laat terugzakken.

“Maar goed, opluchting of kick ? Opluchting was het niet, want ik heb – zoals ik al zei – nooit getwijfeld. Het doelpunt tegen Rapid Wenen deed in de eerste plaats deugd omdat de supporters het verdienen dat we Europees overwinteren. Die overwinning was belangrijk voor de club én de fans.”

Iets anders : je ouders en je broer volgden je naar Brugge. Hoe belangrijk is hun aanwezigheid voor jou ?

“Je familie bij je hebben is voor iederéén belangrijk, ook voor mij. Of het nu je ouders zijn, je vrouw of je vriendin, je hebt nu eenmaal nood aan iemand op wie je kan terugvallen. Overigens : ook door de spelersgroep word ik goed opgevangen : jongens als Leko en Victor spreken Spaans – Gert Verheyen trouwens ook een beetje – en dat vergemakkelijkte de zaak. Ondertussen krijg ik ook wat privé-les Nederlands en Engels, hoofdzakelijk voetbaltermen.”

Uit wat voor ‘nest’ kom je ?

“Mijn ouders zijn altijd harde werkers geweest, in de horeca. Mijn vader is bezeten door het voetbal, kent het spelletje ook heel goed. Hij miste nog maar zelden een training van me. De mannen bij ons in huis hebben allemaal de voetbalmicrobe te pakken. Elke dag kijken we naar wedstrijden, al dan niet opgenomen op video – door te kijken probeer ik ook te leren, trouwens. Alleen mijn moeder vindt het niet altijd even fijn (lachje).

“Mijn vader voetbalde net als mijn broer Julio (Javier is de jongste van drie, hij heeft ook nog een zus, nvdr) bij Aranjuez. Een echt hoog niveau haalde hij zelf niet, ik ben de enige in de familie die het tot profvoetballer schopte.”

En dan nog wel bij Real Madrid. Hoe moeilijk is het om van de jeugd van Real door te stromen naar de A-kern, waar alleen maar ‘wereldsterren’ een plaatsje krijgen ?

“De jeugdopleiding van Real Madrid is volgens mij een van de allerbeste in Europa, maar het is uiteraard niet gemakkelijk om uiteindelijk het eerste elftal te halen. De politiek van Ajax, om maar het bekendste voorbeeld te geven, bestaat niet in Spanje. Bij Ajax dúrven ze jongeren een kans te geven, ze mogen er ook fouten maken. Bij Real Madrid krijg je meteen een grote verantwoordelijkheid als jeugdspeler. Vicente Del Bosque vormde wat dat betreft een uitzondering. Hij durfde het wel aan om jongeren in de A-kern te droppen, zoals Raúl Bravo, Pavón, Iker Casillas of ikzelf. Aan Del Bosque heb ik dan ook veel te danken. Hij was het die me op mijn elfde kwam scouten en naar Real Madrid haalde. Hij gaf me vertrouwen, bleef me volgen en liet me uiteindelijk ook debuteren in het eerste elftal.”

Je bleef wel altijd in Aranjuez wonen, toch zo’n 50 kilometer van Madrid, uitzonderlijk voor een club als Real, niet ?

“Misschien wel, maar ze maakten er nooit een probleem van, als ik maar tijdig op de trainingen was (lachje). Toen ik zelf nog niet met de auto kon rijden, moest mijn vader wel telkens een chauffeur betalen, want zelf heeft hij geen rijbewijs.”

Was het mogelijk om het voetballen bij de jeugd en het tweede elftal van Real Madrid te combineren met studies ?

“Ik ging tot mijn zeventiende naar school, maar het lag moeilijk, moet ik toegeven. Als je je te veel op het voetbal concentreert, gaat het minder op school, investeer je veel tijd in studeren, dan vlot het voetballen minder. Ik koos voor het voetbal.”

In een tv-interview noemde je Zinédine Zidane de beste speler met wie je ooit samenspeelde. Wat maakt hem zo bijzonder ?

“Wat hij met een bal kan, heb ik nog nooit anderen zien doen. Het lijkt wel of hij van een andere planeet komt. Ik denk dan ook niet dat we nog snel zo’n speler zullen zien. Ronaldo is dan weer fenomenaal door zijn trefzekerheid. Indruk- wekkend hoe hij telkens weer de weg naar de netten vindt.”

Heb je nog veel contact met spelers in Madrid ?

“Ja. Met Raúl of Iker Casillas, bijvoorbeeld, bel ik nog geregeld. Of ze sturen me een sms’je om te vragen hoe het hier in Brugge is. Volgevreten vedetten kan je ze dus zeker niet noemen. De integratie verliep vlekkeloos, ik werd er altijd goed ontvangen. Raúl en Morientes behoorden bij de spelers die me het meest steunden en raad gaven, ook aanvallers, dus de collegialiteit won het duidelijk van de concurrentie. Na vier jaar ontwikkel je toch een soort voetbalvriendschap.”

Hoe denk je nu terug aan de vier jaren dat je in de A-kern van Real Madrid zat ?

“Ik kende er heel mooie momenten, maar ook mindere. De Champions League winnen blijft een prachtige herinnering, ook al ben je geen basisspeler. Het seizoen met Del Bosque, waarin we de Spaanse titel pakten, maakte ik zeventien doelpunten : tien in de competitie, twee in de Champions League en vijf voor de beker.”

Denk je dan niet : nu moet ik doorbreken en mijn kans grijpen in de basis van Real Madrid ?

“Tja, bij Real Madrid zijn de plaatsjes heel duur. Toen de club besliste om Michael Owen van de hand te doen, werd er nog op mij gerekend. Maar ik wilde absoluut spelen, daarom week ik uit. Ik heb nog een contract tot 2007 in Madrid, dus… We zullen wel zien of ik ooit nog een kans krijg om er daadwerkelijk te spelen.”

Speelkansen kreeg je ook niet wekelijks bij Fiorentina. Wat liep er daar fout ?

“Ik begon er in de basis, maar wel op een positie die niet te mijne is, namelijk op de flank. Nadien was het een beetje afwisselend : spelen, niet spelen. Het Italiaanse voetbal is bovendien heel anders dan het Spaanse. Vreemd, helemaal niet mooi, defensief : zo zou ik het omschrijven. Net als in Spanje moet je er technisch onderlegd zijn, maar ruimte krijg je er nauwelijks.”

Bij de jeugd tot en met de beloften was je Spaans international. Hoop je stiekem op een plaatsje bij de Spaanse selectie voor het WK ?

“Daar blijf ik toch van dromen, ja. Ook al staan er met Raúl en Fernando Torres twee klasbakken in de aanval, toch weet je maar nooit. Een kern bestaat uiteindelijk uit 25 spelers. De bondscoach kent me, weet dat ik hier in Brugge speelt. Hij is altijd welkom om te komen kijken (lachje).”

Je draagt tatoeages op je armen. Met een bepaalde betekenis ?

“Nee, ik vind tatoeages gewoon mooi. Misschien dat ik ooit de namen van mijn kinderen laat zetten, wie weet ? Maar dat is nog niet aan de orde (lachje) : soy soltero y sin hijos (vrijgezel en zonder kinderen).”

De Belgische vrouwen bevallen je niet, dan ?

“Toch wel, hoor (lachje). Belgische of Spaanse : het maakt me niet zoveel uit, als ze maar sympathiek zijn en mooi (lacht). Op dit moment wil ik me honderd procent concentreren op het voetbal. De rest komt later wel.” l

ROEL VAN DEN BROECK

‘Ik ken geen enkele aanvaller die elke wedstrijd scoort. Dat is onmogelijk.’

‘Raúl en casillas sturen me nog geregeld een sms’je om te vragen hoe het hier in Brugge is.’