Na observatie is het tijd voor actie. Steven Martens wil geld uitgeven om het Belgische voetbal beter te maken.

Neen, Griekenland-België van vanavond, ziet Steven Martens, de CEO van de Belgische voetbalbond, niet als een nieuwe start voor de Rode Duivels. Martens noemt het eerder een voorstart, een tussenstap. “Als je het bekijkt vanuit ons standpunt, communicatie, klantenbinding, dan begint onze campagne voor Brazilië eerder vanaf deze zomer.”

Maar tegelijk doet de voetbalbond er wel alles aan om de belangstelling voor de nationale ploeg gaande te houden. Vorige week werd een abonnementsformule gelanceerd, inclusief vriendschappelijke wedstrijden. Die kalender oogt mooi, met duels tegen Engeland (uit), Nederland (thuis) en Frankrijk (ook thuis). De bond is van wat lopende contracten af en heeft nu een grotere keuzevrijheid. Bovendien is de ploeg stilaan een iets meer begeerde sparringpartner dan voorheen. Gevolg: aantrekkelijke oefenduels.

We zitten drie hoog in zijn bureau. Maanden hield Steven Martens hier gesprekken, met heel veel mensen. Hier en elders, op het terrein, in de provincie. Die gesprekken goot Martens in een visietekst, die toen nog vrij algemeen was. Stilaan voel je wel dat de dingen concreter worden, bewegen, resulteren in vernieuwingen, niet alleen rond de nationale ploeg, ook in de interne structuur. Was 2011 het jaar van de observatie, dan worden 2012 en vooral 2013 de jaren van de evolutie. Hier en daar wordt zelfs al een eerste keer gegromd, door oude krokodillen. Martens is de eerste die erin slaagt het uitvoerend comité buitenspel te zetten, hoor je.

De CEO vindt dat een te zware woordkeuze: “Als ze bedoelen dat ik hen minder betrek bij de dagelijkse operationele beslissingen, is dat waar. Maar buitenspel zetten doe ik hen niet, integendeel. Recent heb ik het dossier Tubeke op hun tafel gelegd. Het uitgangspunt was: hoe kunnen we dat centrum een actief voetbalgelaat geven? In dit gebouw kan je wel wat foto’s tegen de muren hangen, maar het blijft een administratief gebouw. Als sportorganisatie heb je evenwel een actief centrum nodig. Het staat er voor een stuk, het hotel is niet klaar, je moet daar iets mee doen. De investeringsrisico’s zijn weloverwogen en verschillende scenario’s liggen op tafel. Veel hangt ervan af hoever we willen gaan om dit centrum gefaseerd af te werken ten dienste van het Belgisch voetbal.”

Al te vaak, vindt hij, ziet de buitenwereld de bond nog te veel als de “scheidsrechter van het Belgische voetbal”, de instantie die organiseert en bestraft. Martens: “Dat is het minder sexy verhaal en meestal krijg je er nog voor op je kop ook, als het minder is voor die club en beter voor de ander.” Om de perceptie te verbeteren heeft hij al een aantal wijzigingen doorgevoerd. Maar het is slechts een deel van zijn taak. Hij wil dat de KBVB ook de “coach van het Belgisch voetbal is”. Martens:”Clubs en trainers helpen, scheidsrechters beter opleiden. Vandaar is zo’n sportcentrum zo belangrijk. Wij hebben nu geen plaats om seminaries te organiseren én geen staf om dat te doen. Onze sporttechnische staf is volgens mij beperkt, daarin moeten we investeren. Veel meer in proactieve richting, mensen moeten naar de clubs gaan en daarvoor opgeleid zijn. Voltijds, niet vrijwillig.”

Voetbal anno 2020

Het Belgisch voetbal aantrekkelijker maken, dat wil hij. Vandaar de plannen om de beker te hervormen (zie kader), vandaar het experiment om met Nederland een vrouwencompetitie op te zetten. Een experiment waarbij niemand zich bedreigd moet voelen, want in het vrouwenvoetbal gaat nog niet veel geld om. Martens: “Binnen de UEFA wordt wel degelijk nagedacht over hoever we daarin kunnen gaan. De markten zijn zo gepolariseerd in de vijf grote landen, dat die zeker weerstand gaan bieden. Daarom is het goed om dit te beginnen in loco non suspecto, in een niche.”

Hij wil ook het financieel kerkhof dat tweede klasse is, veranderen. Martens: “Op dit moment is er qua competitieorganisatie een gebrek aan visie. Die willen wij brengen, ook al hebben we daar geen eindbeslissing, die ligt bij de liga’s. Een belangrijke speler in deze discussie is de Pro League, die daarover een duidelijk standpunt moet innemen.” Met spanning wacht hij op de nieuwe voorzitter. Minder om een naam gaat het hem om de bevoegdheden die de man zal krijgen. Martens: “En wat de vrijheidsgraden zullen zijn van het management tegenover de raad van bestuur. Een beetje zoals hier in onze relatie met het uitvoerend comité, met dien verstande dat die daar zo mogelijk nog complexer is. In dat comité zitten mensen die van overal komen, maar meestal niet zichzelf vertegenwoordigen, wel hun liga, of provincie. In de Pro League zijn er 16 clubs en die vertegenwoordigen altijd zichzelf.”

Daarom zal eerder 2013 een jaar van verandering zijn. “Een bredere visie op competitiestructuur kan je niet direct op korte termijn oplossen, je moet zoeken naar iets dat een impact kan hebben als het nieuwe tv-contract ingaat. Heel volgend seizoen moet je spenderen aan het ontwikkelen van die visie, zodat het seizoen erop voor iedereen duidelijk is wat het format is voor eerste klasse, het gevolg voor tweede en wat het format daar is. En wat dat betekent voor de amateurs, de sluis van een naar twee en twee naar drie en wat de link is tussen de beloftecompetities van de profploegen en de betere amateurliga’s.”

Gezien de problemen met de licenties lijkt profvoetbal wel voor steeds minder clubs mogelijk. Martens: “Ik denk dat het duidelijk wordt dat er geen markt is voor het aantal profclubs dat er nu is. Dat moet ook een onderdeel van de gesprekken zijn. Een groot gevaar is dat we vooral steunen op tv-rechten, terwijl niemand weet hoe het tv-landschap er over tien jaar gaat uitzien. Mijn zoon kijkt op zijn tablet, of kijkt tv met een laptop op de schoot, de second screen generation. Wat zijn de consequenties van Apple of Google TV? Misschien moeten we straks juist door joint ventures sterker voor de dag komen.”

Of door betere stadions? Lijkt dat nog realistisch, gezien de crisis?

Martens: “Daar lopen we zwaar achter. Ik denk dat we daar naar een gestructureerde lobby moeten gaan, met mensen die zich in die dossiers kunnen bijten. Een gesprekje met de minister is goed en wel, maar het is de administratie … Het is een grote bekommernis, ook vanwege de eisen van de UEFA. We krijgen steeds lastiger gesprekken. Onze topploegen moeten vanaf volgend seizoen 5000 zitjes hebben met rugleuningen, die moeten investeren. Op dit moment is er geen enkele club in orde en uitzonderingen worden er niet gemaakt.”

Bankrekening

Steven Martens, hoor je, geeft makkelijker geld uit dan zijn voorgangers. Gaan we dat wel kunnen blijven betalen?, vragen bondsmensen zich af. Hij begrijpt hun bekommernis: “Daarom breng ik iedere keer open de cijfers, straks ook op de algemene vergadering. Ik moet opletten dat ik niet het imago krijg van een big spender. Ik wil wel het imago van iemand die in het voetbal investeerde. Wij hebben reserves nodig, absoluut, maar het kan niet de bedoeling zijn om de winsten die de Rode Duivels maken omdat ze beter spelen, op onze bankrekening te zetten. Daar heeft alleen de kas van de KBVB iets aan, niet het Belgisch voetbal.”

Hij voert een andere politiek, geholpen door een betere conjunctuur. “Er is meer ruimte, de UEFA en de FIFA zijn meer welgesteld en weten dat ze voor hun leden wat meer moeten doen. Ik heb een financieel plan voor de komende vijf jaar neergelegd, omdat we onze middelen voor de komende vier jaar duidelijk kennen. Tot 2014 is alles verlengd, sommige contracten zijn dat zelfs tot 2016. De UEFA is begonnen met een centralisatieproject en tv-gelden liggen vast. Vroeger waren we afhankelijk van de loting, vanaf 2014 stappen alle Europese landen sowieso in dat verhaal, ook de toplanden. Naar het voorbeeld van de Europa League, met een deel centrale boarding, en een deel eigen sponsors. Wij zitten nu al in een pilootproject. Daardoor zitten we vrij safe. Vanuit managementstandpunt zou het fantastisch zijn, mochten we ons straks kwalificeren voor Brazilië, financieel geeft dat extra middelen, maar als we dat niet halen, zal niks dat we nu hebben gepland niet kunnen doorgaan. Dat lijkt mij een goedehuisvaderprincipe, anders ga je met je paar centen van nu naar het casino en dat ben ik niet van plan.”

En wat als de politieke overheid subsidies schrapt? Komt de bond dan in de problemen? De splitsing kost geld.

Martens: “De splitsing heeft er juist toe geleid dat er meer in de sport is geïnvesteerd. Dat er meer geld is. We moeten er wel iets mee doen, we mogen het niet op de bankrekening zetten.”

Neen, zegt hij, hij is niet bang voor een chronisch tekort bij de Vlaamse voetbalfederatie. Martens: “Op dat vlak zijn wij een andere organisatie dan de andere sportbonden. Andere bonden leven bijna hoofdzakelijk van ledencontributies, subsidies van de overheid en een beetje sponsoring. In het voetbal is dat helemaal anders, voetbal heeft een veel bredere, sterkere koepel. Wij investeren in Vlaanderen, net als in Wallonië, met geld van de koepel. Nu Vlaanderen een eigen koepel heeft, zijn ook alle provinciale secretariaten ‘service-hubs’ van de Vlaamse vleugel geworden. En alle sporttechnische mensen die we moeten aanwerven vanuit het decreet ook. Bijgevolg lijkt het totaalbeeld deficitair, maar in feite is er alleen maar meer in het Vlaamse voetbal geïnvesteerd. De vleugel is voor mij een partner die niet kan zonder de moederholding. Subsidies zijn belangrijke middelen, maar ze maken geen tien procent uit van onze totale middelen. We zijn er niet afhankelijk van. Al maken ze wel een groot verschil voor de clubs en trainers aan de basis.”

DOOR PETER T’KINT

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier