Drie en een half jaar geleden verliet Cheikhou Kouyaté zijn thuis in Khar Yalla, een volksbuurt in de Senegalese hoofdstad Dakar, om in Europa zijn kans als profvoetballer te wagen. Op zijn schouders rust sindsdien grote hoop van familie en vrienden.

Na de rijstschotel met gegrilde vis en rode saus worden Youssou N’Dour en Salif Keita gedraaid. Jeugdvrienden van Cheikhou sijpelen binnen, er wordt gelachen en geroepen, de heupen komen los, de volumeknop krijgt een snok en de guada, la nouvelle danse du Sénégal, een bijzondere uitvoering. Op het piekmoment is de ruimte van hooguit veertien vierkante meter gevuld met elf jongeren, een peuter met een zonnebril en twee kleuters, alsook een ladekast, een televisiemeubel, een salontafel, een poef, twee fauteuils, een driezitsbank en een ventilator op een standaard.

Rustige geest

Aan de andere kant van de met wasgoed overspannen binnenkoer zit vader Bandiougou in zijn kamertje op zijn bed naar de kwartinalewedstrijd van de Afrika Cup in Angola tussen Egypte en Kameroen te kijken. De tussenstand is 1-1 en Ahmed Hassan maakte beide doelpunten, vernemen we. Aan de muur hangen twee kadertjes met foto’s van Cheikhou en in een wandkastje ligt het shirt van Anderlecht dat zijn oudste zoon in december droeg in de Europa Leaguewedstrijd in de Amsterdam Arena tegen Ajax. Al jaren sukkelt Bandiougou met zijn gezondheid. Het succes van Cheikhou doet hem deugd. “De Belgische competitie kan ik op tv niet volgen,” zegt hij, “maar het Franse kanaal Sport+ toont wel de Europa League en de Champions League.

“Ik hou enorm van voetbal, ik voetbalde hier zelf 25 jaar, ik kwam mijn vrouw tegen in de voetbalwereld, nu voetballen mijn zonen en als ik zie dat ze het goed doen, ben ik tevreden. Elke keer als Cheikhou telefoneert, zeg ik: ‘Blijven werken! Als je werkt, zal je slagen.’ Het voetbal kent geen geheimen: wie werkt, gaat vooruit; wie niet werkt, blijft achter.

“Zijn talent was altijd al onmiskenbaar”, vertelt Bandiougou. “Toen hij een jaar of tien was, noemden ze hem in onze wijk ‘ Del Piero‘. Er waren er zelfs die vonden dat hij op Adebayor geleek. ‘Neen,’ zei hij dan, ‘ik ben beter dan hij.’ Hij is een nummer tien, maar … eh … nu speelt hij wat defensiever. Tja, Yaya Touré was vroeger ook een tien maar langzaamaan is hij een zes geworden. Mijn zoon verdedigt prima en is snel. Zijn retour is buitengewoon.”

Hij wijst op een actiefoto aan de wand: Cheikhou draagt een trui van KV Kortrijk en gaat een kopduel aan. “Kijk naar die detente: formidabel! Dat is het resultaat van arbeid. Maar tegen hem zei ik: ‘Dat is niet normaal, want je kan hoger springen. Je werkt niet genoeg.’ In het voetbal kan je altijd meer doen. Als je fysiek sterk bent, kan je in de wereld aan eender welke deur kloppen.

“Ook mentaal is Cheikhou geëvolueerd. Bij Brussels kreeg hij het in het begin kwaad. Vooral toen hij niet meer betaald werd, zijn grootmoeder overleed en hij niet naar hier kon komen, voelde ik aan de telefoon dat het niet meer ging. Mijn moeder was heel belangrijk voor hem. Zij voedde hem op en zij was het die droomde dat hij ooit de trui van de nationale ploeg zou dragen. In haar slaap zag ze de vlag van de republiek Senegal voor zijn deur. Twee maanden later werd hij opgeroepen voor de dubbele junioresinterland tegen Ghana en veertien dagen daarna zat hij bij Brussels. De Griekse scout die hem meenam naar Europa kwam eigenlijk kijken naar het nummer negen, maar Cheikhou speelde een geweldige wedstrijd en die man veranderde van mening.

“Sindsdien kende hij al heel moeilijke momenten, maar zo is het leven. Als het hard is, mag je niet vergeten dat het vroeg of laat zal renderen. Dan moet je als een goede gelovige de pagina draaien en Cheikhou ís een goede gelovige. Wij zijn allemaal moslims, dus we geloven in God. Mijn vader was imam in de grote moskee van La Médina, de wijk waar ik geboren ben in dezelfde straat als Youssou N’Dour. La Rue 22. Ook Mbaye Dieye Faye ( een bekende Senegalese zanger en percussionist, nvdr) groeide er op.

“We bidden veel. Het geeft je kracht, het beschermt je en helpt je om zonder zonden te leven. God leert ons in de Koran: als je bij mij bent, ben ik ook bij jou. Waarom dan bang zijn? Na zijn miserie bij Brussels zei Cheikhou: ‘Ik zal alles doen om bij Arsenal te raken.’ Ik verkies Barcelona, want het Engelse voetbal is te ruw, vind ik. We zullen zien wat God in petto heeft. Misschien wel tien jaar Anderlecht. Insjallah ( als God het belieft, nvdr).

“Na een jaar bij Kortrijk vond Cheikhou dan toch zijn plaats bij Anderlecht. Hij liet zien dat hij sterk is en de ploeg sterker kan maken. Toen hij eerst zijn jukbeen en daarna zijn neus brak en geopereerd moest worden, belde hij mij. Hij was niet content. Ik zei: ‘ Le foot, c’est comme ça. Kijk naar Robin van Persie, die kan zes máánden niet meer voetballen.’ Als je dan uit blessure terugkeert, ben je fris in de groep en dat kan je helpen om te exploderen in grote matchen. Nu Cheikhou ondanks alles een basisplaats afdwong bij de beste club van België, realiseert hij zich dat hij zich uit elke situatie kan redden. Toen hij bij jullie aankwam, was hij niet aangepast en als je geest niet rustig is, ben je tot niets goeds in staat. Nu is hij ingewijd, hij is er zich bewust van geworden dat álles mogelijk is.

“Wij bidden voor hem, geven hem raad en op elk moment kan hij mijn jongere broer in de Verenigde Staten bellen. Mijn zoon is ernstig en gedisciplineerd en weet dat er hier van wie een kans krijgt in Europa prestaties worden verwacht.”

Bittere tranen

Het huis van de Kouyatés bevindt zich in een zandstraat in Khar Yalla, een levendige en kleurrijke volkswijk in het stadsdeel Grand-Yoff. De naam ‘Khar Yalla’ betekent ‘wachten op God’ en dateert van de tijd toen veel mensen van het platteland zich aan de toenmalige rand van Dakar kwamen vestigen in afwachting dat er zich in de hoofdstad werkgelegenheid en daardoor een beter leven zou aanbieden. Mamadou Lamine, de broer van Cheikhou, voetbalt er in het centre de forma-tion Sydi Foot. Hij is zeventien en wacht op … Cheikhou.

“Hij is een negen,” zegt Bandiougou, “een die snel is en scoort. Mamadou was altijd al de grootste supporter van Cheikhou, hij droeg vaak zijn tas en ging ver te voet om hem te zien spelen. Als hij wint, is ook hij gelukkig. Cheikhou brengt schoenen en truitjes mee voor hem. Hij krijgt alles, hij moet zelf alleen maar werken.

“Telkens als Cheikhou naar huis komt, zeg ik: ‘Denk je nog aan je kleine broer?’

“Dan antwoordt hij: ‘Jaja, ik denk aan hem.’

“En dan zeg ik: ‘Oké.’

“Mamadou weet dat hij elk moment uitgenodigd kan worden voor een test. Wanneer dat zal zijn, hangt af van Cheikhou en zijn manager ( Bekir Tedik, nvdr), maar hij moet zorgen dat hij er eender wanneer klaar voor is.”

Zijn broer is niet de enige die op hem wacht. Ook zijn vrienden in Khar Yalla doen dat. Volgens Cheikhou zijn ze minstens even getalenteerd als hijzelf. “Hij belt mij soms voor en na een match, ik wil ook naar Europa en hij geeft mij hoop dat het zal gebeuren”, bekent Cheikh Tidi-ane Gaye.

“Ik ben een vijf. We zijn van hetzelfde geboortejaar, speelden als kind samen op straat en later ook bij de cadetten en de juniores van ASC Yeggo. Hij was timide, maar wel een leeuw op het veld. Je zult hier alleen positiefs over hem horen.”

“Cheikhou is een sympathieke jongen, maar als hij hard moet zijn, kan hij dat ook”, getuigt Matar Kanté. “Hij teert niet op zijn talent. Als ik hem vroeg om te gaan dansen, zei hij doorgaans: ‘Neen, morgen moet ik trainen.’ Bij hem is het altijd: eerst het werk. Ik herinner mij wel dat we ooit eens naar een feestje van vrienden zijn geweest in de school hier wat verderop en dat toen we ’s ochtends om een uur of vier terugkeerden en hij de deur opendeed er plots een kat uitsprong en ik mij een bult schrok.

“We maakten veel lol, maar ik zag ook geregeld bittere tranen. Want hij wil altijd winnen en dat is onmogelijk. Ik weet nog dat hij eens voor de rest van de dag ontroostbaar was nadat we een finale verloren met de strafschoppen. Ik vind het geen slechte eigenschap. Hij wil het hoogste bereiken en is voorbestemd om ooit in de nationale ploeg te spelen. Insjallah. Dan ga ik zeker kijken. Ondertussen hoop ik dat ik de volgende word die een kans krijgt in Europa.”

“Cheikhou is al zijn hele leven bezeten van voetbal”, merkt Auguste Da Costa op.

“Je ziet het nu nog aan hem op het veld: hij lacht terwijl hij speelt. Hij is dankbaar voor zijn geluk. Ik ging ooit na een wedstrijd van ASC Yeggo tegen AS Douanes zijn shirt vragen en hij gaf het mij met veel plezier.”

“Hij is modest, respecteert oudere personen en vergeet zijn jeugdvrienden niet”, benadrukt Badara A. Keita. “Soms brengt hij cadeautjes mee voor ons en organiseert hij een toernooitje met een kleine som geld als inzet. Hij weet wat hij wil, hij bleef van school weg om te voetballen en nu hij eindelijk als voetballer aan de kost komt, is hij van dank vervuld.”

“Ik vergeet nooit meer dat we eens in een boom klommen om mango’s te plukken en dat hij plots viel en boven op een kip belandde”, vertelt Mbaye Faye. “Sindsdien is Cheikhou niet veranderd, zijn vrienden zijn dezelfden gebleven en hij gedraagt zich niet anders dan toen. Mensen die hem niet kennen, geloven niet dat hij profvoetballer is. Je ziet het niet aan hem en dat is een goed teken. Als hij in Dakar verblijft, dan zit hij heel de tijd bij ons en dan merk je dat hij gelukkig is. Hij schenkt ons truien en als hij kan, zal hij onze problemen oplossen.

“Er zijn er hier wel meer met het talent om prof te worden, maar hij doet er het meest voor. Het zit echt in hem, als kind was hij al zo. Hij verdraagt geen nederlaag, daarom weent hij als hij verliest.”

“Cheikhou is een vechter,” werpt Mohamed Yade op, “we wisten dat hij een grote speler zou worden.”

“Als ik hem op televisie zie, denk ik: hij maakte veel vooruitgang”, concludeert Salif Bebe Diallo. “Hier speelde hij alleen in de lucht, hij was snel en sterk met het hoofd. Toen hij naar Europa vertrok, dacht ik: hij zal slagen. Zijn wilskracht kent geen grenzen. Als hij thuis is en nog eens meedoet met ons, zeg ik soms: ‘Let op dat je je niet blesseert!’

“Zelf ben ik zeventien en een aanvaller. Sinds enkele maanden zit ik hier in een Scandinavisch opleidingscentrum. Binnenkort mag ik een maand testen in Noorwegen en daarna even lang in IJsland. Ik bereid mij voor, ik ben al vermagerd.”

“Cheikhou en ik speelden elk met onze klas nog tegen elkaar voor 5000 en zelfs voor 10.000 CFA ( omgerekend ongeveer 15 euro, nvdr)”, zegt Mamadou Konaté. “We kenden elkaars talent en wisten: als er hier iemand uit raakt, zal hij groot worden. Hij was een aanvaller met veel sprongkracht en in zijn hoofd zat alleen winnen. Als we eens weggingen tot elf uur, dan was hij nooit op zijn gemak. Waar hij absoluut niet tegen kan, is dat er achter zijn rug wordt gepraat.

“Als je hem ziet, denk je dat hij nonchalant is en niets kan. Hij laat zijn lichaam hangen als hij wandelt, hij stapt niet als een leeuw. Ook op training geeft hij de indruk zwak te zijn, alleen in wedstrijden toont hij zijn kwaliteiten. Zodra hij dan opkomt, denk je: nee, dat is hij niet. Met zijn snelheid, beweeglijkheid en winnersmentaliteit verandert hij compleet. Iedereen van ons weet: als hij verliest, begint hij te wenen, gaat hij op het veld zitten en moet je hem met rust laten.

“We dromen van een kans zoals hij er een kreeg en doen er alles voor omdat het mogelijk zou kunnen worden. Nog drie, vier, misschien vijf jongens van ons zouden hier toch uit moeten raken.” In zijn ogen ligt twijfel en hoop.

Bij het afscheid drukt Bandiougou ons stevig de hand. “En als je nog eens komt,” voegt hij eraan toe, “breng je dan mijn vliegtickets mee?” Insjallah. Hij lacht hartelijk.

Witte tanden

Bandiougou is gescheiden. Aminata Diatta, de moeder van Cheikhou en Mamadou, ontmoeten we op het terras van het restaurant Histoires de Gourmandises in Point E, de chique buurt van Dakar waar residentiële wijken bevolkt worden door consuls, ambassadeurs en buitenlandse zakenlui. Zij spreekt Wolof, de meest gesproken taal in Senegal; Mariama Sow, sinds vorige zomer de vriendin van haar oudste zoon, vertaalt voor ons haar woorden in het Frans.

“Van jongs af aan was Cheikhou iemand die zelf zijn weg maakte”, zegt ze. “Soms gaf ik hem klappen omdat ik wou dat hij ophield met voetballen, maar dat was tevergeefs. Met het geld dat hij van zijn grootmoeder kreeg om op school te eten, schreef hij zich zelfs stiekem in bij een voetbalschool.

“Toen het niet meer boterde tussen zijn vader en mij en we uiteindelijk uit elkaar gingen, wisten de kinderen dat niet. We zegden dat ik er niet was omdat ik werk vond in Casamance, waar ik in werkelijkheid weer bij mijn moeder ging wonen. De dag dat we Cheikhou uiteindelijk vertelden dat we gescheiden waren, reageerde hij daar rustig op. Hij toonde zijn verdriet niet.

“Hun grootmoeder zorgde voor hem en zijn broer en hield met heel haar hart van hen. Dat Cheikhou niet op haar begrafenis aanwezig kon zijn, tekent hem nog altijd. Ik dank God dat het goed met hem gaat. Enerzijds verrast zijn succes in Europa mij wel wat, maar anderzijds weer niet. Als kind al overwon hij alle obstakels om te kunnen voetballen. Een klap meer of minder kon hem niet deren. Cheikhou leerde zichzelf op te voeden. In de vakanties verbleef hij bij mij en dan zei hij altijd: ‘Laat mij maar doen en werken en iemand worden voor jou.’

“Nu zegt hij: ‘Mama, als ik een paleis bezit en jij niet, dan bezit ik er eigenlijk géén, want mijn paleis is jouw paleis.’ Merci Cheikhou. Hij is gul, hij is puur, hij is liefdevol en hij lacht vaak. Mijn moeder zegt: ‘Je ziet zijn 32 tanden al van voor hij is aangekomen.'” ( lacht) S

door christian vandenabeele

Ik vergeet nooit meer dat we eens in een boom klommen om mango’s te plukken en dat hij plots viel en boven op een kip belandde.

Met het geld dat hij van zijn grootmoeder kreeg om op school te eten, schreef hij zich stiekem in bij een voetbalschool.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier