De Spelen van 1920 moesten het 'festival van de vrede' worden, met alle naties en alle volkeren bij elkaar. In theorie kwam dat slechts neer op 29 voornamelijk blanke landen en waren zwarte of gekleurde atleten niet welkom.

Verrassend is dat niet. In 1920 was het grootste deel van Afrika nog gekoloniseerd, werd Zuid-Afrika geregeerd door blanke mannen, hadden Afro-Amerikanen nog geen burgerrechten en werd het zwarte of gekleurde ras gezien als inferieur. Er was geen plaats voor die 'andere' mensen uit de kolonies of de sloppenwijken. De Spelen waren dan ook een feest van en voor de blanke man.

Sport is altijd al het toneel geweest van de segregatie in de maatschappij. Dat was namelijk een voorrecht voor de (rijke) blanken, want aan sport doen kostte wel wat en was ook een belangrijk statussymbool. Je meten met een 'inferieure' kleurling, was dan ook not done. En zo deden er nauwelijks tot geen gekleurde atleten mee aan de Spelen van 1920 in Antwerpen.

Atletiek als uitzondering

Maar er waren toch een paar uitzonderingen. Zo was er Sol Butler, die als zwarte Amerikaan meedeed in het verspringen. En hij was niet zomaar een verdwaalde sporter die zijn geluk eens mocht beproeven op de Spelen. Neen, hij was dé topfavoriet voor het goud. Een jaar eerder strandde hij in de Intergeallieerde Spelen in Parijs op een paar centimeters van het wereldrecord. Maar in Antwerpen sloeg het noodlot toe. In zijn eerste sprong bij de kwalificaties verrekte Butler een pees en moest opgeven.

Als ons onderzoek volledig is, is Butler echter de enige Afro-Amerikaan die meedeed aan de Spelen van 1920. Bij Team USA had je ook nog wel 10.000 meter-loper Amisoli Patasoni, een indiaan van de Zunistam in het zuidwesten van de Staten, maar hij was slechts een voetnoot op de Spelen.

Sol Butler na zijn blessure op de Spelen van Antwerpen, GETTY
Sol Butler na zijn blessure op de Spelen van Antwerpen © GETTY

Butler was wel niet de eerste zwarte atleet die deelnam aan de Spelen. Dat was George Poage, de Afro-Amerikaanse sprinter die meedeed in 1904. En John Baxter Taylor won als eerste zwarte atleet een medaille in 1908 (zilver op de 4x400 meter).

Dat de uitzonderingen op de 'blankenregel' enkel te vinden waren in de atletiek, had twee redenen. Het was, ten eerste, een individuele sport waardoor blanken en zwarten niet gemengd moesten worden. Ten tweede bleef atletiek lang ronddwalen in het amateurwereldje en had het nauwelijks economische belangen voor atleten, die niet betaald werden, of sponsors.

The Duke

Één Amerikaan, echter, kende als kleurling een luizenleventje: Duke Paoa Kahanamoku. De Hawaïaanse zwemmer was een van de sterren van de Spelen in Antwerpen. Hij won er tweemaal goud, op de 100 meter vrije slag en met de Amerikaanse ploeg op de 4x200 meter vrije slag, en was in Amerika immens populair, ondanks zijn bruine huid. Hij mocht pronken op sportbladen met blanke meisjes, had een eigen blanke nachtclub en had zelfs toegang tot de all white clubs van de VS.

Dat had iets met zijn naam te maken. Volgens velen was de Hawaïaanse zwemmer immers een nakomeling van een koninklijk geslacht, want een 'duke' is een hertog. Maar dat was een verkeerde redenering. 'Duke' is namelijk geen titel maar gewoon zijn voornaam, die hij erfde van zijn vader, die het op zijn beurt kreeg van prinses Bernice van Hawaii. Bernice was een enorme anglofiel en toen de Duke van Edinburgh (de tweede zoon van de Britse koningin Victoria) langskwam, noemde ze een van de pasgeboren kinderen in de stad Duke, als herinnering aan het bezoek

Ook Kahanamoku was trouwens vaak slachtoffer van racisme in de Verenigde Staten. Het was niet omdat hij overal in de boekjes stond, dat hij ineens evenwaardig zou zijn aan blanke atleten. Zo werd openlijk de vraag gesteld of hij als kleurling wel mee mocht met het Amerikaanse olympische team, want opeens werd hij gezien als een buitenlander van Hawaii. En ook in veel restaurants mocht hij niet binnen. Maar dat Kahanamoku net iets meer mocht dan de andere zwarte atleten, was wel een feit.

Duke Kahanamoku was een van de sterren van de Spelen in 1920, GETTY
Duke Kahanamoku was een van de sterren van de Spelen in 1920 © GETTY

Wildeman vs. exotisch

Andere zwarte sporters, zoals bokser Jack Johnson of American footballspeler Fritz Pollard, kenden die luxe helemaal niet. Johnson mocht zelfs als wereldkampioen bij de zwaargewichten nergens in de krant vermeld worden, uit angst voor opstanden.

In tegenstelling tot Kahanamoku had Johnson zijn reputatie niet mee. Hij werd vaak afgeschilderd als een wildeman die niet goed was opgevoed. Zo had hij bijvoorbeeld twee blanke vrouwen, die hij geregeld sloeg, en reageerde hij op iedere vorm van racisme. En dat laatste werkte in die periode als een rode lap op een stier bij de blanke toeschouwers.

Kahanamoku, daarentegen, werd beschouwd als een welopgevoede, slimme en rustige jongen. Hij reageerde nooit op racistische uitlatingen maar antwoordde steeds met prestaties in het zwembad. Mensen, zelfs blanken, keken naar hem op om zijn charme en uiterlijk. Dat 'exotische' van Hawaï trok veel mensen aan.

Hij was het tegenovergestelde van het wilde van Jack Johnson en werd meer op handen gedragen door de mensen en de andere atleten. Onderweg naar Antwerpen leidde hij zelfs een staking van louter blanke atleten. Maar eigenlijk was hij al een bescheiden activist tegen het racisme in Amerika, nog voor er sprake was van Joe Louis, Jesse Owens of tegenwoordig LeBron James.

Enkel blanke atleten

Buiten de Verenigde Staten moeten we niet echt zoeken naar andere kleurlingen. Enkel India, dat voor de eerste keer mocht deelnemen van de Britse kolonisator, vaardigde enkele gekleurde atleten af, maar die behaalden geen enkele roem. Uit Afrika deden twee landen mee, Egypte en Zuid-Afrika, maar zij stuurden in 1920 geen enkele kleurling.

In Afrika waren er buiten Ethiopië en Liberia ook geen andere onafhankelijke landen. De rest werd mooi verdeeld onder Frankrijk, Groot-Brittannië, Portugal en de Congo-Vrijstaat van België. Maar ook uit die kolonies mochten er nauwelijks atleten meedoen aan de Spelen of ook daar waren ze enkel te vinden in de atletiek.

Nordicisme

De grote gedachtegang achter dat racisme in de sportwereld werd aangewakkerd door het nordicisme, een 'wetenschappelijk onderbouwd' racisme, dat zijn oorsprong al kende voor de Groote Oorlog. Het idee: atleten uit noordelijke landen zijn veel energetischer, sterker en beter dan atleten uit warme, Afrikaanse landen. Als die laatsten zouden meedoen aan sportwedstrijden, zouden ze gewoonweg belachelijk gemaakt worden door de blanke tegenstanders.

De stelling werd gestaafd met de resultaten op de Spelen zelf, met 1920 als eerste bewijs. De Argentijnse wetenschapper Guillermo Hoxmark bedacht namelijk een tabel waarin hij olympische punten toekende aan de verschillende landen op basis van hun medailles. Die punten legde hij dan naast de bevolking om te berekenen hoeveel mensen van dat land nodig waren voor een punt en tot slot stak hij er ook nog de gemiddelde jaartemperatuur bij om zijn zaak kracht bij te zetten.

PuntenAantal 10.000 mensen per puntGemiddelde jaartemperatuur
1.Noorwegen66403,8°C
2. Finland74463,1°C
3. Zweden121,5495,1°C
4. Denemarken281177,2°C
5. Luxemburg21358,9°C
6. België401929,1°C
7. Zwitserland 172298,6°C
8. Estland 72504,4°C
12. VK875449,6°C
13. USA201,558510,6°C
19. Brazilië6510621,7°C

Uit Hoxmarks tabel valt heel duidelijk te concluderen dat de Scandinavische landen ook de grootste sportlanden zijn. Scandinavische atleten werden ideaalbeelden voor onder meer Amerika dat bijna zo blank mogelijke mensen wilde uitsturen naar de Spelen.

Maar nog voor de theorie van Hoxmark was dat al de gedachtegang bij veel sportbonden. Zwarte sporters werden dus lange tijd thuis gelaten, want zij konden toch niet op tegen het superieure blanke ras. En zo was er op het 'festival van de vrede', waar alle naties en volkeren welkom waren, nauwelijks sprake van niet-blanke sporters.

De Spelen van 1920 moesten het 'festival van de vrede' worden, met alle naties en alle volkeren bij elkaar. In theorie kwam dat slechts neer op 29 voornamelijk blanke landen en waren zwarte of gekleurde atleten niet welkom.Verrassend is dat niet. In 1920 was het grootste deel van Afrika nog gekoloniseerd, werd Zuid-Afrika geregeerd door blanke mannen, hadden Afro-Amerikanen nog geen burgerrechten en werd het zwarte of gekleurde ras gezien als inferieur. Er was geen plaats voor die 'andere' mensen uit de kolonies of de sloppenwijken. De Spelen waren dan ook een feest van en voor de blanke man.Sport is altijd al het toneel geweest van de segregatie in de maatschappij. Dat was namelijk een voorrecht voor de (rijke) blanken, want aan sport doen kostte wel wat en was ook een belangrijk statussymbool. Je meten met een 'inferieure' kleurling, was dan ook not done. En zo deden er nauwelijks tot geen gekleurde atleten mee aan de Spelen van 1920 in Antwerpen.Maar er waren toch een paar uitzonderingen. Zo was er Sol Butler, die als zwarte Amerikaan meedeed in het verspringen. En hij was niet zomaar een verdwaalde sporter die zijn geluk eens mocht beproeven op de Spelen. Neen, hij was dé topfavoriet voor het goud. Een jaar eerder strandde hij in de Intergeallieerde Spelen in Parijs op een paar centimeters van het wereldrecord. Maar in Antwerpen sloeg het noodlot toe. In zijn eerste sprong bij de kwalificaties verrekte Butler een pees en moest opgeven.Als ons onderzoek volledig is, is Butler echter de enige Afro-Amerikaan die meedeed aan de Spelen van 1920. Bij Team USA had je ook nog wel 10.000 meter-loper Amisoli Patasoni, een indiaan van de Zunistam in het zuidwesten van de Staten, maar hij was slechts een voetnoot op de Spelen.Butler was wel niet de eerste zwarte atleet die deelnam aan de Spelen. Dat was George Poage, de Afro-Amerikaanse sprinter die meedeed in 1904. En John Baxter Taylor won als eerste zwarte atleet een medaille in 1908 (zilver op de 4x400 meter).Dat de uitzonderingen op de 'blankenregel' enkel te vinden waren in de atletiek, had twee redenen. Het was, ten eerste, een individuele sport waardoor blanken en zwarten niet gemengd moesten worden. Ten tweede bleef atletiek lang ronddwalen in het amateurwereldje en had het nauwelijks economische belangen voor atleten, die niet betaald werden, of sponsors.Één Amerikaan, echter, kende als kleurling een luizenleventje: Duke Paoa Kahanamoku. De Hawaïaanse zwemmer was een van de sterren van de Spelen in Antwerpen. Hij won er tweemaal goud, op de 100 meter vrije slag en met de Amerikaanse ploeg op de 4x200 meter vrije slag, en was in Amerika immens populair, ondanks zijn bruine huid. Hij mocht pronken op sportbladen met blanke meisjes, had een eigen blanke nachtclub en had zelfs toegang tot de all white clubs van de VS.Dat had iets met zijn naam te maken. Volgens velen was de Hawaïaanse zwemmer immers een nakomeling van een koninklijk geslacht, want een 'duke' is een hertog. Maar dat was een verkeerde redenering. 'Duke' is namelijk geen titel maar gewoon zijn voornaam, die hij erfde van zijn vader, die het op zijn beurt kreeg van prinses Bernice van Hawaii. Bernice was een enorme anglofiel en toen de Duke van Edinburgh (de tweede zoon van de Britse koningin Victoria) langskwam, noemde ze een van de pasgeboren kinderen in de stad Duke, als herinnering aan het bezoekOok Kahanamoku was trouwens vaak slachtoffer van racisme in de Verenigde Staten. Het was niet omdat hij overal in de boekjes stond, dat hij ineens evenwaardig zou zijn aan blanke atleten. Zo werd openlijk de vraag gesteld of hij als kleurling wel mee mocht met het Amerikaanse olympische team, want opeens werd hij gezien als een buitenlander van Hawaii. En ook in veel restaurants mocht hij niet binnen. Maar dat Kahanamoku net iets meer mocht dan de andere zwarte atleten, was wel een feit.Andere zwarte sporters, zoals bokser Jack Johnson of American footballspeler Fritz Pollard, kenden die luxe helemaal niet. Johnson mocht zelfs als wereldkampioen bij de zwaargewichten nergens in de krant vermeld worden, uit angst voor opstanden.In tegenstelling tot Kahanamoku had Johnson zijn reputatie niet mee. Hij werd vaak afgeschilderd als een wildeman die niet goed was opgevoed. Zo had hij bijvoorbeeld twee blanke vrouwen, die hij geregeld sloeg, en reageerde hij op iedere vorm van racisme. En dat laatste werkte in die periode als een rode lap op een stier bij de blanke toeschouwers.Kahanamoku, daarentegen, werd beschouwd als een welopgevoede, slimme en rustige jongen. Hij reageerde nooit op racistische uitlatingen maar antwoordde steeds met prestaties in het zwembad. Mensen, zelfs blanken, keken naar hem op om zijn charme en uiterlijk. Dat 'exotische' van Hawaï trok veel mensen aan. Hij was het tegenovergestelde van het wilde van Jack Johnson en werd meer op handen gedragen door de mensen en de andere atleten. Onderweg naar Antwerpen leidde hij zelfs een staking van louter blanke atleten. Maar eigenlijk was hij al een bescheiden activist tegen het racisme in Amerika, nog voor er sprake was van Joe Louis, Jesse Owens of tegenwoordig LeBron James.Buiten de Verenigde Staten moeten we niet echt zoeken naar andere kleurlingen. Enkel India, dat voor de eerste keer mocht deelnemen van de Britse kolonisator, vaardigde enkele gekleurde atleten af, maar die behaalden geen enkele roem. Uit Afrika deden twee landen mee, Egypte en Zuid-Afrika, maar zij stuurden in 1920 geen enkele kleurling. In Afrika waren er buiten Ethiopië en Liberia ook geen andere onafhankelijke landen. De rest werd mooi verdeeld onder Frankrijk, Groot-Brittannië, Portugal en de Congo-Vrijstaat van België. Maar ook uit die kolonies mochten er nauwelijks atleten meedoen aan de Spelen of ook daar waren ze enkel te vinden in de atletiek.De grote gedachtegang achter dat racisme in de sportwereld werd aangewakkerd door het nordicisme, een 'wetenschappelijk onderbouwd' racisme, dat zijn oorsprong al kende voor de Groote Oorlog. Het idee: atleten uit noordelijke landen zijn veel energetischer, sterker en beter dan atleten uit warme, Afrikaanse landen. Als die laatsten zouden meedoen aan sportwedstrijden, zouden ze gewoonweg belachelijk gemaakt worden door de blanke tegenstanders.De stelling werd gestaafd met de resultaten op de Spelen zelf, met 1920 als eerste bewijs. De Argentijnse wetenschapper Guillermo Hoxmark bedacht namelijk een tabel waarin hij olympische punten toekende aan de verschillende landen op basis van hun medailles. Die punten legde hij dan naast de bevolking om te berekenen hoeveel mensen van dat land nodig waren voor een punt en tot slot stak hij er ook nog de gemiddelde jaartemperatuur bij om zijn zaak kracht bij te zetten.Uit Hoxmarks tabel valt heel duidelijk te concluderen dat de Scandinavische landen ook de grootste sportlanden zijn. Scandinavische atleten werden ideaalbeelden voor onder meer Amerika dat bijna zo blank mogelijke mensen wilde uitsturen naar de Spelen.Maar nog voor de theorie van Hoxmark was dat al de gedachtegang bij veel sportbonden. Zwarte sporters werden dus lange tijd thuis gelaten, want zij konden toch niet op tegen het superieure blanke ras. En zo was er op het 'festival van de vrede', waar alle naties en volkeren welkom waren, nauwelijks sprake van niet-blanke sporters.