Donderdagmiddag, halfdrie. De lezing van Arne Nilis in een school in Sint-Denijs-Westrem zit erop. Een meisje van zeventien komt naar hem toe.
...

Donderdagmiddag, halfdrie. De lezing van Arne Nilis in een school in Sint-Denijs-Westrem zit erop. Een meisje van zeventien komt naar hem toe. - 'Ik vond het eng toen je me naar voren liet komen.' - 'Oei, sorry. Maar het was enorm moedig van je.' - 'Ik zag er tegenop om te komen luisteren, omdat het twee lesuren was. Maar ik vond het heel boeiend.' Het meisje sluit achteraan aan bij 150 andere vijfde- en zesdejaars van het Don Bosco die terug klaswaarts keren. Straks komt een verse lading van 120 leerlingen. En vanavond doet Nilis hier nog een derde keer zijn verhaal, dan voor geïnteresseerde ouders. Zes dagen later staat Arne Nilis in het Jan Breydelstadion. Daar spreekt hij voor 80 jeugdspelers van Cercle Brugge. Met vijf lezingen op anderhalve week, doorheen heel Vlaanderen, werkt de 29-jarige Limburger een pittig programma af. Hij schrijft scholen en verenigingen aan met het aanbod om eens langs te komen. Daar komt behoorlijk wat respons op. 'Dat is fijn, ' zegt Nilis, 'maar ook slopend: telkens weer diezelfde getuigenis brengen. Ik probeer anderen te overtuigen om óók met hun verhaal naar buiten te komen. Maar niemand wil of durft.' Het taboe dat vele (ex-)gokverslaafden doet zwijgen, onderstreept de waarde van Nilis' werk. Terwijl bijna alle clubs in het Belgische profvoetbal de sponsorgelden van gokkantoren gretig binnenrijven, biedt Nilis een tegengewicht door de Vlaamse jeugd een niet zo fraai hoofdstuk uit zijn eigen leven te vertellen. Hij geeft de jongeren een vaak verzwegen maar cruciale boodschap mee: dat het met dat gokken ook lelijk kan mislopen.'Ik groeide op in een warm nest', begint Nilis zijn lezing. 'Mijn moeder was huisvrouw en mijn vader profvoetballer bij Anderlecht, PSV Eindhoven en Aston Villa. Voetbal was thuis gespreksonderwerp nummer één. Ook ik bleek veel voetbaltalent te hebben. Toen ik naar het middelbaar moest, kreeg ik de kans om bij KRC Genk te gaan voetballen en kon ik dat combineren met de topsportschool in Genk. Elke ochtend werd ik door een busje van KRC Genk opgepikt aan een krantenwinkel. Met dat busje reden ook jongens van 17 en 18 mee. Zij namen weleens deel aan sportweddenschappen. Omdat wij thuis zo vaak over voetbal spraken, had ik het gevoel dat ik daar wel wat van kende. Rond mijn dertiende vroeg ik voor het eerst aan een oudere jongen om eens geld voor mij in te zetten. Ik gebruikte de twee euro die ik thuis had meegekregen voor een broodje. Ik won direct twintig euro. 'Eerst bleef dat gokken nog onschuldig en speelde ik hooguit één keer per week, altijd via die oudere jongens, want inzetten op voetbalmatchen mag in België pas vanaf je achttiende. Naarmate ik ouder werd, wilde ik niet langer via een omweg gokken. Op mijn vijftiende probeerde ik eens zelf in te zetten. De meneer van de krantenwinkel zag het door de vingers. 'Op het eind van mijn vijfde middelbaar kon ik naar PSV en ging ik in Nederland alleen op een appartement wonen. We moesten bij PSV enkel van acht tot twee uur op de club zijn. Daarna zat ik alleen thuis. Al mijn vrienden waren in België. Ik had enkel nog sociaal contact met de jongens van de ploeg. Zij vertelden over het casino. Ik wou een keer mee. Toen ik daar aankwam, spraken al die flitsende lichtjes en dat rollende geld me meteen aan. 'Meestal keerden we rond elf uur 's avonds terug naar huis, want we moesten de volgende ochtend trainen. Maar toen ik na zo'n avond eens terug thuis zat, voelde ik plots de drang om terug te gaan. Ik was die avond vijftig euro kwijtgeraakt en wilde dat geld terugwinnen. Ik keerde op mijn eentje weer, zonder mijn vrienden erover te vertellen. Ik verloor nog meer geld. 'Intussen ging het op voetbalvlak niet goed meer. Omdat mijn vader ook bij PSV gespeeld had, waren er hoge verwachtingen rond mij. Ik kon daar niet aan voldoen. Toen ik ook nog eens geblesseerd raakte, werd ik nóg ongelukkiger. Dus ging ik almaar vaker naar het casino. Niet meer tot twaalf uur, maar tot drie, vier uur in de ochtend. Op het veld leken mijn voetbalprestaties nergens meer naar. 'Op mijn 21e werd mijn contract bij PSV niet verlengd. Ik keerde terug naar België. Maar mijn ouders zaten net in een scheiding. Ging ik naar mijn vader, dan had die veel te zeggen over mijn moeder en andersom. Ik zocht een appartement en begon me op te sluiten. Als iemand sms'te: Ga je vanavond mee naar de film?, antwoordde ik: Ik heb het te druk. Terwijl ik op mijn laptop zat te pokeren. 'Stilaan raakte mijn geld op. Dan zei ik tegen mijn moeder dat ik nog moest eten of tanken en stak zij me wat centen toe. Maar met dat geld ging ik niet eten of tanken. Het werd erger en erger. Mijn moeder kreeg het in de gaten. Ze kon mijn rekeningen nog inkijken en merkte hoe al mijn geld naar gokkantoren vloeide.' 'Eerst ontkende ik nog dat ik een probleem had. Uiteindelijk ging ik toch hulp zoeken. Ik vroeg de dokter een pilletje. Maar het pilletje dat ik zocht, bestond niet. Ook ging ik met een psycholoog spreken. Maar stoppen met gokken lukte niet. Ik verloor mijn vriendin, ik had geen werk meer en ook op voetbalvlak liep het slecht. Ik loog, manipuleerde en begon op den duur zelfs te stelen, van mijn grootmoeder. Als ik gokte, voelde ik me niet ongelukkig. Het was een vlucht. Maar op een bepaald moment zat ik in de zetel en dacht ik: zie me hier nu, Arne, de talentvolle voetballer, de zoon van, zo veel kwaliteiten. Ik voelde geen hoop meer. Ik had de bodem bereikt. Ik had zin om uit het leven te stappen. 'Samen met mijn moeder ging ik op zoek naar hulp. Toen ik hoorde dat ze me naar een verslavingskliniek in Zuid-Afrika konden sturen, wilde ik dat: zo ver mogelijk weg. Ik wist: als ik dit niet doe, zit ik over een halfjaar in de gevangenis of ben ik er dan niet eens meer. 'Op 7 februari 2016 vertrok ik. Je zult horen dat mijn stem nu verandert, want die dag veranderde ook mijn leven. Die Zuid-Afrikaanse kliniek zat vol alcohol- en drugsverslaafden. Eerst dacht ik nog: wat doe ik hier? Maar toen een van die mensen zijn verhaal deed, leek dat op het mijne. Ik besliste mijn verhaal ook te vertellen. De mensen daar begrepen me en aanvaardden hoe ik me voelde, zonder goed te keuren wat ik gedaan had. Voor het eerst voelde ik me niet veroordeeld. 'We moesten in Zuid-Afrika om acht uur opstaan. Dat zorgde weer voor structuur in mijn leven. Ook begon ik inzicht te krijgen in mijn gedrag. Het lukte om in die eerste vier weken daar niet te gokken, terwijl ik vroeger dacht dat me dat nooit nog een dag zou lukken. Mijn zelfvertrouwen groeide. Ik besloot wat langer te blijven. 'Toen ik na die eerste maand terug alleen naar buiten mocht, had ik twintig euro op zak. Vroeger zou ik dat geld automatisch vergokt hebben. Maar die keer voelde ik voor het eerst weer een keuze: ga ik met die twintig euro mijn leven opnieuw om zeep helpen of ga ik er een koffie mee drinken? Ik koos voor de koffie. Uiteindelijk bleef ik drie maanden in Zuid-Afrika. De laatste maand deed ik er vrijwilligerswerk. Ik ging spelen met kindjes die een arm of been waren. Ik werd dankbaar om de kleine dingen. 'Terug in België ging ik weer bij mijn moeder wonen, om mezelf te beveiligen. Ik had twee soorten vrienden. Zij die me 's morgens sms'ten: Op welke match zetten we vandaag in? En zij die stuurden: Hoe gaat het met je? De eerste groep liet ik weten dat ik met hen niet meer kon omgaan. Vreemd genoeg begrepen die jongens dat. En ook bij mijn moeder, die ondanks haar woede toch het beste met mij voorhad, voelde ik steun. Dat gaf hoop. 'De drang groeide om met mijn verhaal iets te doen. Ik ging terug studeren, als ervaringsdeskundige. En ik zocht een job. Ik ging werken aan de afwas in een restaurant. Had je mij dat zes jaar geleden voorspeld, dan had ik jullie zot verklaard. Voor zoiets voelde ik mij te goed. Maar ik vond in dat restaurant veel plezier en voldoening. 'Intussen ben ik vier jaar gokvrij. Ik vind het nog altijd heel speciaal om dat te mogen uitspreken. Het is me gelukt om iedere ochtend tegen mezelf te zeggen: vandaag gaat het je weer lukken. Zo raakte ik aan die vier jaar. 'Ik wil graag afsluiten met deze quote: Once you need less, you will have more. Toen ik opgroeide, had ik nooit iets tekort. Ik verdiende veel geld, reed met een mooie auto en had een mooie vriendin. Maar vanbinnen voelde ik me niet gelukkig. Vandaag heb ik veel minder, maar voel ik me veel rijker.' Een luid applaus weerklinkt. Zijn er vragen, wil Nilis weten. In Sint-Denijs-Westrem steekt een wiskundeleraar van wal. Daarna gaat de ene hand na de andere in de lucht, niet langer van leerkrachten, maar van de jongeren zelf: Heb je soms de drang om terug te beginnen gokken? Arne Nilis: 'De eerste zes maanden was dat gevoel sterk aanwezig. Naarmate ik langer gokvrij ben, is de drang veel minder. Ik denk af en toe: zou ik nog een keer? Maar die gedachte verdwijnt heel snel.' Zijn er bij een gokverslaving ook afkickverschijnselen? Nilis: 'Als je zo lang gegokt hebt en dan plots stopt, zijn die er inderdaad. In mijn geval waren dat depressieve klachten. Ik had ook maagpijn. Maar bij onderzoeken vonden de dokters niks. En dan waren er ook nog de nachtmerries waarin ik herviel.' Gaf je ook anderen de schuld van je verslaving? Nilis: 'In het begin kreeg iederéén de schuld, behalve ikzelf. De gokindustrie verweet ik dat ze mij had aangezet tot gokken en dat ze mij niét had aangesproken toen het uit de hand liep. Vandaag kijk ik kritisch naar wat de gokindustrie doet, maar zie ik een gedeelde verantwoordelijkheid. Woede gaat mij niet helpen. Ik begon meer verantwoordelijkheid te nemen voor het gedrag dat ik gesteld heb. Ik vind het nog altijd heel moeilijk om te spreken over bijvoorbeeld dat stelen, maar praten helpt wel. Hoe meer ik begon te praten over mijn problemen, hoe beter het begon te gaan met mij. Deel dus je emoties, zeker als je je ongelukkig of verdrietig voelt.' Heb je nu zelf geen schuldgevoel over alles wat gebeurd is? Nilis: 'Zeker en vast wel. Maar het is een beetje zoals met die woede: ook schuld en schaamte gaan me niet vooruit helpen. Er is veel geld weg. Dat zal ik in mijn hele leven nooit kunnen terugverdienen. Dat moet ik accepteren. Daarnaast spreek ik hier nu publiekelijk over. Ook dat helpt mij met mijn schuldgevoel.' De gokindustrie sponsort veel sportevenementen. Hoe sta jij daar tegenover? Nilis: 'Ik maak mij daar zorgen over. Mijn gevoel zegt me dat we de foute kant opgaan. Ik heb het gevoel dat mensen aangezet worden tot gokken. Ik pleit voor strengere regels. Het doel moet zijn: gokverslaving te voorkomen.' Vanaf wanneer voelde jij je ex-verslaafde? Nilis: 'Nooit. Ik heb het gevoel dat je zo'n verslaving een heel leven meedraagt. Als ik nog eens een gokje zou wagen, zou het mislopen. Dat is voor mij nu eenmaal niet weggelegd. Er zijn nóg mensen die zo'n kwetsbaarheid hebben. Maar als persoon ben je veel meer dan je kwetsbaarheid.' Om af te sluiten projecteert Nilis nog wat stellingen. Wie akkoord gaat, mag rechtstaan. Een van de stellingen luidt: Gokken is een amusante bezigheid. In Sint-Denijs-Westrem veert de helft van de zaal recht. 'Het cruciale woordje in deze zin is volgens mij: is', zegt Nilis zelf. 'Gokken kán een amusante bezigheid zijn.' Een volgende slide toont een heikeler ponering: Reclame voor kansspelen zou verboden moeten worden. In het Don Bosco gaat maar zo'n tien procent van de leerlingen akkoord. 'Gokken kan en mag amusement zijn', vindt een jongen achteraan in de zaal. 'Het is niet omdat één iemand er niet mee omkan dat het meteen moet verboden worden.' Nilis geeft hem gelijk. Vooraan antwoordt een andere leerling: 'Maar bij die reclame zou men ook de negatieve kant moeten tonen. Ook bij de reclame van de Nationale Loterij zie je alleen de mooie dingen.' Nilis knikt: 'Die reclame mag geen vertekend beeld geven. Weet iemand trouwens hoe groot de kans is dat je de Lotto wint?' Een leerling roept: 'Eén op honderd.' De wiskundeleerkracht verbetert: 'Eén op acht miljoen.' Ook in Brugge brengt de stelling rond het al dan niet verbieden van gokreclame een interessant moment, want ook op de shirts van de eerste ploeg van groen-zwart prijkt reclame van een gokkantoor. Bij de Cerclejeugd tonen maar negen spelertjes zich voorstander van een verbod op gokreclame. 'Het kan niet verboden worden', denkt een volwassene achter in de zaal. 'De grote ploegen draaien erin mee, het is een geldkwestie. Trouwens: als je dat verbiedt, moet je veel dingen verbieden die tot verslavingen kunnen leiden. Cruciaal is hoe je ermee omgaat.' Een jeugdtrainer repliceert: 'Vroeger was de Formule 1 ook zwaar gesponsord door tabaksfabrikanten. Toen dachten ze ook dat dat niet anders kon. Toch werken ze daar nu met dezelfde budgetten, maar met andere sponsors.' Een andere Cerclemedewerker werpt op: 'Maar wordt er minder gerookt omdat de tabaksreclame uit de Formule 1-wereld verdwenen is?' Arne: 'Ik vind alvast dat er ook iets tegenover die reclame moet staan: sensibilisering. Daarom ben ik blij dat ik hier ben. Want hoewel Cercle een goksponsor heeft, organiseert deze vereniging wel deze lezing.' Ter afronding geeft Nilis nog wat goede raad: 'Gokken moet fun zijn. Amusement. Je kan het leuk houden door vooraf een bedrag te bepalen en je daaraan te houden. Gokken is géén manier om snel geld te verdienen. Focus dus niet op het winnen van geld. En probeer je verlies niet na te jagen. Eigenlijk zit alles in deze quote: When the fun stops: STOP!' De laatste vraag komt van een Cerclejochie. Hij polst bij Arne naar zijn vader. In interviews gaf Arne al aan niet graag te praten over de rol van zijn vader in zijn gokverhaal, maar de vraag van dit jongetje van twaalf, dat hem met grote ogen aankijkt, gaat hij niet uit de weg: 'Toen ik jong was, heb ik heel vaak samen met mijn vader gegokt. Daardoor heb ik nu wat afstand van hem genomen. Ik maakte duidelijke afspraken met mijn vader. Als we nog eens samen weggaan, kunnen we het over heel veel dingen hebben: over voetbal, onze emoties, de familie. Maar niet meer over gokken.'