De temperatuur in onze vaderlandse basketbalcompetitie neigde anno 2010 naar het vriespunt. De economische crisis zette serieus de hakbijl in de budgetten van de Belgische eersteklasseclubs, waardoor sommige verdwenen (Bree bijvoorbeeld, in 2008 nog finalist) en het moeilijker werd om goede buitenlanders te halen. Tegelijkertijd bleek het reservoir aan Belgisch talent pijnlijk leeg. Als er al goeie (jonge) Belgen waren, vertrokken ze snel naar het buitenland, zoals bijvoorbeeld Tomas Van Den Spiegel, Axel Hervelle en later Sam Van Rossom en Jonathan Tabu. Dat de Belgian Lions ondertussen al van 1993 ontbraken op een groot toernooi, werd als symptomatisch gezien.

Als goeie buitenlanders niet meer haalbaar zijn, waarom zou je dan niet investeren in Belgen die minstens even goed zijn?

Philip Debaere

Spelers en trainers uit de Belgische competitie roerden zich. Onder meer Pieter Loridon en coryfeeën Ronny Bayer en Rik Samaey verzamelende zich in protestgroep ProBE, waarmee ze pleitten voor een maximum van vijf buitenlanders per ploeg. 'Anders blijven we een reservecompetitie voor Amerikanen', luidde het. Ook de clubs beseften: er moest iets veranderen. Met de negen overgebleven eersteklassers werd in 2010 een speciale vergadering belegd in de Spiroudôme van Charleroi. Op de agenda: de toekomst van ons Belgisch basketbal. 'De vrees leefde dat er op termijn helemaal geen goede Belgen meer zouden zijn', vertelt Wim Van de Keere, huidig CEO van de Pro League en een van de aanwezigen bij dat conclaaf. 'We zijn nu vijf jaar na de invoering van de home grown player rule en we kunnen besluiten dat er structureel vooruitgang geboekt werd. Het negatieve klimaat van toen is weggeëbd.'

Vanaf het seizoen 2013/14 werden Belgische eersteklassers verplicht zes home grown players op het wedstrijdblad te schrijven. Met home grown players (HGP) wordt bedoeld: spelers die tussen 12 en 21 jaar minstens vier jaar opgeleid zijn bij een Belgische club. Voor aanvang van dit seizoen werd de regel geherformuleerd. Voortaan heet het dat de eersteklassers maximum zes niet-HGP's mogen inschrijven. Van de Keere legt uit: 'Op zich wijzigt dit niet veel aan het aantal minuten of de kansen voor de Belgen, alleen helpt het de Belgische clubs die Europees aantreden. Omdat de FIBA en de ULEB stipuleren dat clubs in Europees verband dezelfde regels moeten hanteren als in hun nationale competitie, ondervonden onze Belgische clubs daar nadelen van. Wij leggen niets op, alles gebeurt in samenspraak met de eersteklassers.'

Goednieuwsshow

Ondanks die aanpassing leest de evaluatie na vijf jaar met deze HGP-regel positief. Zoals uit de statistieken van de Pro League blijkt ( zie kader) komen er meer Belgen - al moeten we dus in feite van home grown players spreken, maar in de praktijk zijn dat bijna altijd Belgen - op het veld, mogen ze meer minuten spelen én zijn ze ook effectief belangrijker voor het team. Vergeleken met het seizoen 2011/12, vóór de verstrenging van de maatregel, zorgen de HGP's nu voor bijna dubbel zoveel punten in onze competitie. Goed voor de herkenbaarheid van onze clubs zou je denken. Bovendien groeide onze eerste klasse van acht clubs (in 2012) weer aan naar tien: in 2014 kwamen Limburg United en Kangoeroes Willebroek erbij. En het heeft zeker en vast ook met andere factoren te maken, zoals de uitbreiding van het aantal deelnemers, maar sinds 2011 speelde België vier EK's op rij. Een goednieuwsshow, toch?

Vincent Kesteloot van BC Oostende torent boven vriend en vijand uit., BELGAIMAGE
Vincent Kesteloot van BC Oostende torent boven vriend en vijand uit. © BELGAIMAGE

Niet helemaal. De toeschouwersaantallen in de Belgische eerste klasse blijven teruglopen. Herkenbaarheid staat dus niet synoniem voor meer supporters. Europees hebben onze clubs het ook elk seizoen moeilijker om enkele rondes ver te geraken. Door de fragmentatie binnen het Europese basketbal (onenigheid tussen FIBA en ULEB maakt dat er nu liefst vier Europese competitieformats bestaan), vallen de resultaten niet te vergelijken met pakweg tien jaar geleden, maar het algemene aanvoelen van de Belgische basketgoegemeente is dat het niveau van onze eerste klasse daalde. Iets wat Oostendesterkhouder en Belgian Lion Jean Salumu enkele maanden geleden ook luidop stelde in een interview met dit blad.

'De hoofdreden voor een niveaudaling is volgens mij de inkrimping van de budgetten', meent Van de Keere. 'Je mag sowieso niet vergelijken met de jaren 80 of 90, toen je maximum twee Amerikanen mocht hebben in de ploeg. Dan spendeerde je een heel budget aan twee goeie buitenlanders, à la Bill Varner of Kerry Trotter. Dat kan nu niet meer. De kwaliteit van de buitenlanders is omlaag gegaan, een gevolg van het economische klimaat en de bijgekomen concurrentie van de G-League in de VS ( een soort tweede klasse, nvdr) en China. Belgische clubs moeten zich tevreden stellen met spelers die net iets minder zijn of met rookies. Als je dus stelt dat het niveau van onze competitie achteruit ging, ligt dat niet aan de Belgen - zie maar hoe goed onze nationale ploeg het doet - maar aan de kwaliteit van de buitenlanders.'

Een theorie die onderschreven wordt door Philip Debaere, sportief manager van BC Oostende, de voorbije zes jaar landskampioen. Hij getuigt dat er een mentaliteitswijziging plaatsvond in de bestuurskamers. Een Belg mag nu evenveel kosten als een goeie buitenlander. 'Dat was ooit anders, ja', erkent Debaere. 'Er was een periode dat Belgen veelal gezien werden om de hoop te vullen. De scores kwamen vaak van twee of drie buitenlanders. Maar als die goeie buitenlanders niet meer haalbaar zijn, zie ik niet in waarom je niet zou investeren in Belgen die minstens even goed zijn. Een Salumu verdient bij ons evenveel als een goede buitenlander. En terecht.'

Wel is het zo dat sommige Belgische spelers door deze home grown player rule overbetaald of op zijn minst overprijsd worden, luidt het bij sommige clubbestuurders. Van de Keere benadrukt liever het positieve gevolg: 'Dankzij deze regel krijgen bepaalde spelers een kans die ze vroeger moeilijker kregen. Senne Geukens of Domien Loubry zijn daarvan mooie voorbeelden. Die zweefden tussen tweede en eerste klasse, de HGP-regel betekende een duwtje in hun rug. Ze bewijzen nu trouwens dat ze een meerwaarde zijn voor onze competitie. Een ander voordeel van de investering die de clubs moeten doen, is dat jongeren ook iets meer tijd krijgen om door te breken.'

De kar en het paard

Als een van de redenen voor de machtsgreep van BC Oostende in de voorbije zes jaar wordt geregeld verwezen naar die invoering van de HGP-regel en het feit dat de Oostendenaren daar het best op anticipeerden. Dat ontkennen ze ook aan de kust niet. 'We hadden twee jaar vóór de verstrenging naar zes HGP's enkele mindere ervaringen met buitenlanders, wat ons al aan het denken zette', blikt Debaere terug op die periode. 'We hadden toen enkele jongeren uit onze eigen opleiding, zoals Jean Salumu, Quentin Serron en Khalid Boukichou en haalden daar nog enkele talentvolle Belgen bij met Pierre-Antoine Gillet en Niels Marnegrave.'

Daar werd een coach bijgezet die bekend stond als een uitstekende opleider, iemand die spelers beter maakt: Dario Gjergja. De puzzel was compleet en BCO was vertrokken voor een hegemonie die tot op vandaag duurt. De vraag is hoelang ze dit kunnen aanhouden. Hoeveel reservepuzzelstukjes hebben ze aan de kust nog liggen? Debaere: 'We moesten Gillet en Serron laten gaan, daar kan straks ook Salumu bijkomen. We hebben nu wel een belofteploeg met veel potentie in tweede klasse - ze werden daar net kampioen - maar dat zijn jongens van 17 tot 19 jaar, de stap naar onze A-ploeg is nog te groot. Bij Gillet, Serron en Salumu stelden we vast dat het ook tot hun 23 of 24 jaar duurde vooraleer ze helemaal klaar waren. Bovendien merken we dat sommige talenten weggekaapt worden door andere eersteklassers, die hen wel van alles kunnen beloven. Het zal de komende jaren moeilijker worden voor ons.'

Daarmee raakt Debaere een heikel thema aan. Want met de HGP-regel werd de bovenbouw aangepakt, maar niet de onderbouw: de kwaliteit van onze jeugdopleiding. 'Soms moet je de kar voor het paard spannen om iets in beweging te krijgen', verdedigt Wim Van de Keere het beleid van de Pro League. Al ontkent hij niet dat het nu tijd is om die onderbouw aan te pakken. Door het installeren van een systeem van opleidingsvergoedingen hoopt de liga de clubs de stimuleren om te investeren in jeugd. 'Het principe van dat systeem werd ondertussen goedgekeurd, maar het komt eropaan alle punten en komma's juist te krijgen, zodat er duidelijkheid bestaat omtrent de vergoedingen', aldus Van de Keere. 'Ik hoop en denk het systeem tegen het seizoen 2019/20 in te voeren.'

Ook mét een systeem van opleidingsvergoedingen zal er echter een probleem blijven bestaan met de leeftijdscategorie van 18 tot 22 jaar. 'In de VS kunnen die spelers rustig groeien in een college- of university-team, ' weet Van de Keere. Hijzelf deed een poging om in ons land een beloftecompetitie te starten, de Belgian Development League (BDL), maar die stierf al na twee edities een stille dood. 'Ik zie niet meteen alternatieven', moet de CEO van de Pro League toegeven.

Philip Debaere merkt ondertussen wel een positieve evolutie inzake jeugdopleiding bij zijn collega's. 'Antwerp en sinds dit jaar ook Charleroi investeren structureel in hun jeugd', zegt hij. Oostende trekt jaarlijks 300.000 euro uit voor de jeugdopleiding, hetzij tien procent van het clubbudget. 'Dat is veel, maar we stellen vast dat het rendeert.'

En het hoeft niet altijd veel geld te kosten. Een goede samenwerking met kleinere clubs uit de regio kan eveneens wonderen doen. Debaere: 'Met het Basket@Sea-project verzamelen wij de beste spelers per jeugdcategorie in één team. In de Beker van Vlaanderen speelden we dit seizoen in elke jeugdreeks de finale, daar worden die jongeren ook beter van. Antwerp werkt eveneens op die manier en doet dat zeer goed.'

De Sinjoren zijn aan een inhaalbeweging bezig. Bovendien hebben zij, net als Oostende, een ex-prof ingezet om de postformatie van de jongeren te verzorgen. Bij de kustploeg staat Sam Rotsaert daar al enkele jaren (met succes) voor in, bij Antwerp kreeg ex-Belgian Lion Christophe Beghin die taak nu toebedeeld. 'Dat zouden meer clubs moeten durven', oordeelt Van de Keere. 'Veel ex-profs twijfelen om trainer te worden. Er zijn immers niet veel postjes in België, het is een risico. Terwijl mannen met zoveel ervaring op het hoogste niveau de kwaliteit van de opleiding ten goede komen.'

Van de Keere ziet nog een andere oplossing om de kwaliteit van onze jeugdopleiding te verhogen. 'Een licentiesysteem voor onze tweede klasse zou een grote stap voorwaarts betekenen. Je zult die divisie uitdunnen, maar ze zal gezonder en competitiever zijn. Waardoor ook meer clubs en spelers de stap naar eerste nationale willen zetten. Nu is het verschil te groot.'

Er rest dus nog werk, vooral aan de onderbouw, maar de HGP-regel was alvast een goede aanzet om het Belgisch basketbal uit het slop te halen, klinkt het unisono bij spelers, clubs en liga. Ligamanager Wim Van de Keere, tussen 2000 en 2006 profbasketter bij onder meer Oostende, Wevelgem, Estaimpuis en Aalst, spreekt uit eigen ervaring: 'Ik heb als speler nog een klachtbrief geschreven aan Bert Anciaux ( toenmalig Vlaams minister van Sport, nvdr). Je mocht destijds een onbeperkt aantal zogenaamde Eurospelers opstellen, onze competitie werd overspoeld door goedkopere Oost-Europeanen, spelers die vaak geen beter niveau haalden dan onze Belgen in tweede klasse. Die tijd is gelukkig voorbij. Het is als Belg nu veel beter dan in mijn periode als prof. Misschien niet qua verloning, maar tenminste inzake werkzekerheid.'

Verplicht een Belg op het veld?

In maart vorig jaar werd door de clubs een akkoord bereikt over een volgende stap in het proces om onze eerste klasse nog Belgischer te maken: te allen tijde verplicht één home grown player op het veld hebben. Maar vlak voor de regel van kracht zou gaan, in het seizoen 2018/19, werd hij afgevoerd. Twee weken geleden kwam de Pro League met een statement. Conclusie: de cijfers zijn al goed genoeg, het hoeft niet nog strakker te worden. 'En we moeten nu inzetten op de kwaliteit van de Belgische spelers - de opleiding aanpakken dus - eerder dan op kwantiteit', vult Wim Van de Keere, CEO van de Pro League aan.

Philip Debaere, sportief manager van BC Oostende, was van bij het begin een tegenstander van de regel om verplicht één HGP op het veld te hebben. Hij ziet vooral praktische bezwaren: 'Ten eerste: wie gaat dat allemaal in het oog houden? De scheidsrechters? De trainer zelf? Ten tweede: dan krijg je een wel heel kunstmatige situatie. Stel dat je Belgische spelverdeler in het slot van een match geblesseerd uitvalt, of je Belgische centerspeler zit in foutenlast, dan ben je op zo een belangrijk moment misschien al verplicht om terug te vallen op een jeugdspeler op die sleutelpositie. Dat kan zeer resultaatbepalend zijn en maakt het voor een coach nog moeilijker om te functioneren. In landen waar ze die regel hanteren, Israël bijvoorbeeld, komen ze ook terug van dat idee. Wat mij betreft zitten we goed zoals het is, met die hooguit zes niet-HGP-spelers op het wedstrijdblad. Een regel waar wel alle eersteklassers achter staan.'

De temperatuur in onze vaderlandse basketbalcompetitie neigde anno 2010 naar het vriespunt. De economische crisis zette serieus de hakbijl in de budgetten van de Belgische eersteklasseclubs, waardoor sommige verdwenen (Bree bijvoorbeeld, in 2008 nog finalist) en het moeilijker werd om goede buitenlanders te halen. Tegelijkertijd bleek het reservoir aan Belgisch talent pijnlijk leeg. Als er al goeie (jonge) Belgen waren, vertrokken ze snel naar het buitenland, zoals bijvoorbeeld Tomas Van Den Spiegel, Axel Hervelle en later Sam Van Rossom en Jonathan Tabu. Dat de Belgian Lions ondertussen al van 1993 ontbraken op een groot toernooi, werd als symptomatisch gezien. Spelers en trainers uit de Belgische competitie roerden zich. Onder meer Pieter Loridon en coryfeeën Ronny Bayer en Rik Samaey verzamelende zich in protestgroep ProBE, waarmee ze pleitten voor een maximum van vijf buitenlanders per ploeg. 'Anders blijven we een reservecompetitie voor Amerikanen', luidde het. Ook de clubs beseften: er moest iets veranderen. Met de negen overgebleven eersteklassers werd in 2010 een speciale vergadering belegd in de Spiroudôme van Charleroi. Op de agenda: de toekomst van ons Belgisch basketbal. 'De vrees leefde dat er op termijn helemaal geen goede Belgen meer zouden zijn', vertelt Wim Van de Keere, huidig CEO van de Pro League en een van de aanwezigen bij dat conclaaf. 'We zijn nu vijf jaar na de invoering van de home grown player rule en we kunnen besluiten dat er structureel vooruitgang geboekt werd. Het negatieve klimaat van toen is weggeëbd.' Vanaf het seizoen 2013/14 werden Belgische eersteklassers verplicht zes home grown players op het wedstrijdblad te schrijven. Met home grown players (HGP) wordt bedoeld: spelers die tussen 12 en 21 jaar minstens vier jaar opgeleid zijn bij een Belgische club. Voor aanvang van dit seizoen werd de regel geherformuleerd. Voortaan heet het dat de eersteklassers maximum zes niet-HGP's mogen inschrijven. Van de Keere legt uit: 'Op zich wijzigt dit niet veel aan het aantal minuten of de kansen voor de Belgen, alleen helpt het de Belgische clubs die Europees aantreden. Omdat de FIBA en de ULEB stipuleren dat clubs in Europees verband dezelfde regels moeten hanteren als in hun nationale competitie, ondervonden onze Belgische clubs daar nadelen van. Wij leggen niets op, alles gebeurt in samenspraak met de eersteklassers.' Ondanks die aanpassing leest de evaluatie na vijf jaar met deze HGP-regel positief. Zoals uit de statistieken van de Pro League blijkt ( zie kader) komen er meer Belgen - al moeten we dus in feite van home grown players spreken, maar in de praktijk zijn dat bijna altijd Belgen - op het veld, mogen ze meer minuten spelen én zijn ze ook effectief belangrijker voor het team. Vergeleken met het seizoen 2011/12, vóór de verstrenging van de maatregel, zorgen de HGP's nu voor bijna dubbel zoveel punten in onze competitie. Goed voor de herkenbaarheid van onze clubs zou je denken. Bovendien groeide onze eerste klasse van acht clubs (in 2012) weer aan naar tien: in 2014 kwamen Limburg United en Kangoeroes Willebroek erbij. En het heeft zeker en vast ook met andere factoren te maken, zoals de uitbreiding van het aantal deelnemers, maar sinds 2011 speelde België vier EK's op rij. Een goednieuwsshow, toch? Niet helemaal. De toeschouwersaantallen in de Belgische eerste klasse blijven teruglopen. Herkenbaarheid staat dus niet synoniem voor meer supporters. Europees hebben onze clubs het ook elk seizoen moeilijker om enkele rondes ver te geraken. Door de fragmentatie binnen het Europese basketbal (onenigheid tussen FIBA en ULEB maakt dat er nu liefst vier Europese competitieformats bestaan), vallen de resultaten niet te vergelijken met pakweg tien jaar geleden, maar het algemene aanvoelen van de Belgische basketgoegemeente is dat het niveau van onze eerste klasse daalde. Iets wat Oostendesterkhouder en Belgian Lion Jean Salumu enkele maanden geleden ook luidop stelde in een interview met dit blad. 'De hoofdreden voor een niveaudaling is volgens mij de inkrimping van de budgetten', meent Van de Keere. 'Je mag sowieso niet vergelijken met de jaren 80 of 90, toen je maximum twee Amerikanen mocht hebben in de ploeg. Dan spendeerde je een heel budget aan twee goeie buitenlanders, à la Bill Varner of Kerry Trotter. Dat kan nu niet meer. De kwaliteit van de buitenlanders is omlaag gegaan, een gevolg van het economische klimaat en de bijgekomen concurrentie van de G-League in de VS ( een soort tweede klasse, nvdr) en China. Belgische clubs moeten zich tevreden stellen met spelers die net iets minder zijn of met rookies. Als je dus stelt dat het niveau van onze competitie achteruit ging, ligt dat niet aan de Belgen - zie maar hoe goed onze nationale ploeg het doet - maar aan de kwaliteit van de buitenlanders.' Een theorie die onderschreven wordt door Philip Debaere, sportief manager van BC Oostende, de voorbije zes jaar landskampioen. Hij getuigt dat er een mentaliteitswijziging plaatsvond in de bestuurskamers. Een Belg mag nu evenveel kosten als een goeie buitenlander. 'Dat was ooit anders, ja', erkent Debaere. 'Er was een periode dat Belgen veelal gezien werden om de hoop te vullen. De scores kwamen vaak van twee of drie buitenlanders. Maar als die goeie buitenlanders niet meer haalbaar zijn, zie ik niet in waarom je niet zou investeren in Belgen die minstens even goed zijn. Een Salumu verdient bij ons evenveel als een goede buitenlander. En terecht.' Wel is het zo dat sommige Belgische spelers door deze home grown player rule overbetaald of op zijn minst overprijsd worden, luidt het bij sommige clubbestuurders. Van de Keere benadrukt liever het positieve gevolg: 'Dankzij deze regel krijgen bepaalde spelers een kans die ze vroeger moeilijker kregen. Senne Geukens of Domien Loubry zijn daarvan mooie voorbeelden. Die zweefden tussen tweede en eerste klasse, de HGP-regel betekende een duwtje in hun rug. Ze bewijzen nu trouwens dat ze een meerwaarde zijn voor onze competitie. Een ander voordeel van de investering die de clubs moeten doen, is dat jongeren ook iets meer tijd krijgen om door te breken.' Als een van de redenen voor de machtsgreep van BC Oostende in de voorbije zes jaar wordt geregeld verwezen naar die invoering van de HGP-regel en het feit dat de Oostendenaren daar het best op anticipeerden. Dat ontkennen ze ook aan de kust niet. 'We hadden twee jaar vóór de verstrenging naar zes HGP's enkele mindere ervaringen met buitenlanders, wat ons al aan het denken zette', blikt Debaere terug op die periode. 'We hadden toen enkele jongeren uit onze eigen opleiding, zoals Jean Salumu, Quentin Serron en Khalid Boukichou en haalden daar nog enkele talentvolle Belgen bij met Pierre-Antoine Gillet en Niels Marnegrave.' Daar werd een coach bijgezet die bekend stond als een uitstekende opleider, iemand die spelers beter maakt: Dario Gjergja. De puzzel was compleet en BCO was vertrokken voor een hegemonie die tot op vandaag duurt. De vraag is hoelang ze dit kunnen aanhouden. Hoeveel reservepuzzelstukjes hebben ze aan de kust nog liggen? Debaere: 'We moesten Gillet en Serron laten gaan, daar kan straks ook Salumu bijkomen. We hebben nu wel een belofteploeg met veel potentie in tweede klasse - ze werden daar net kampioen - maar dat zijn jongens van 17 tot 19 jaar, de stap naar onze A-ploeg is nog te groot. Bij Gillet, Serron en Salumu stelden we vast dat het ook tot hun 23 of 24 jaar duurde vooraleer ze helemaal klaar waren. Bovendien merken we dat sommige talenten weggekaapt worden door andere eersteklassers, die hen wel van alles kunnen beloven. Het zal de komende jaren moeilijker worden voor ons.' Daarmee raakt Debaere een heikel thema aan. Want met de HGP-regel werd de bovenbouw aangepakt, maar niet de onderbouw: de kwaliteit van onze jeugdopleiding. 'Soms moet je de kar voor het paard spannen om iets in beweging te krijgen', verdedigt Wim Van de Keere het beleid van de Pro League. Al ontkent hij niet dat het nu tijd is om die onderbouw aan te pakken. Door het installeren van een systeem van opleidingsvergoedingen hoopt de liga de clubs de stimuleren om te investeren in jeugd. 'Het principe van dat systeem werd ondertussen goedgekeurd, maar het komt eropaan alle punten en komma's juist te krijgen, zodat er duidelijkheid bestaat omtrent de vergoedingen', aldus Van de Keere. 'Ik hoop en denk het systeem tegen het seizoen 2019/20 in te voeren.' Ook mét een systeem van opleidingsvergoedingen zal er echter een probleem blijven bestaan met de leeftijdscategorie van 18 tot 22 jaar. 'In de VS kunnen die spelers rustig groeien in een college- of university-team, ' weet Van de Keere. Hijzelf deed een poging om in ons land een beloftecompetitie te starten, de Belgian Development League (BDL), maar die stierf al na twee edities een stille dood. 'Ik zie niet meteen alternatieven', moet de CEO van de Pro League toegeven. Philip Debaere merkt ondertussen wel een positieve evolutie inzake jeugdopleiding bij zijn collega's. 'Antwerp en sinds dit jaar ook Charleroi investeren structureel in hun jeugd', zegt hij. Oostende trekt jaarlijks 300.000 euro uit voor de jeugdopleiding, hetzij tien procent van het clubbudget. 'Dat is veel, maar we stellen vast dat het rendeert.' En het hoeft niet altijd veel geld te kosten. Een goede samenwerking met kleinere clubs uit de regio kan eveneens wonderen doen. Debaere: 'Met het Basket@Sea-project verzamelen wij de beste spelers per jeugdcategorie in één team. In de Beker van Vlaanderen speelden we dit seizoen in elke jeugdreeks de finale, daar worden die jongeren ook beter van. Antwerp werkt eveneens op die manier en doet dat zeer goed.' De Sinjoren zijn aan een inhaalbeweging bezig. Bovendien hebben zij, net als Oostende, een ex-prof ingezet om de postformatie van de jongeren te verzorgen. Bij de kustploeg staat Sam Rotsaert daar al enkele jaren (met succes) voor in, bij Antwerp kreeg ex-Belgian Lion Christophe Beghin die taak nu toebedeeld. 'Dat zouden meer clubs moeten durven', oordeelt Van de Keere. 'Veel ex-profs twijfelen om trainer te worden. Er zijn immers niet veel postjes in België, het is een risico. Terwijl mannen met zoveel ervaring op het hoogste niveau de kwaliteit van de opleiding ten goede komen.' Van de Keere ziet nog een andere oplossing om de kwaliteit van onze jeugdopleiding te verhogen. 'Een licentiesysteem voor onze tweede klasse zou een grote stap voorwaarts betekenen. Je zult die divisie uitdunnen, maar ze zal gezonder en competitiever zijn. Waardoor ook meer clubs en spelers de stap naar eerste nationale willen zetten. Nu is het verschil te groot.' Er rest dus nog werk, vooral aan de onderbouw, maar de HGP-regel was alvast een goede aanzet om het Belgisch basketbal uit het slop te halen, klinkt het unisono bij spelers, clubs en liga. Ligamanager Wim Van de Keere, tussen 2000 en 2006 profbasketter bij onder meer Oostende, Wevelgem, Estaimpuis en Aalst, spreekt uit eigen ervaring: 'Ik heb als speler nog een klachtbrief geschreven aan Bert Anciaux ( toenmalig Vlaams minister van Sport, nvdr). Je mocht destijds een onbeperkt aantal zogenaamde Eurospelers opstellen, onze competitie werd overspoeld door goedkopere Oost-Europeanen, spelers die vaak geen beter niveau haalden dan onze Belgen in tweede klasse. Die tijd is gelukkig voorbij. Het is als Belg nu veel beter dan in mijn periode als prof. Misschien niet qua verloning, maar tenminste inzake werkzekerheid.'