Gewoonlijk denk ik aan niets specifieks als ik loop maar daarom is de leegte in mijn hoofd nog niet absoluut. Vage gedachten komen in me op maar verdampen even snel, als dampsporen in het kielzog van vliegtuigen. Mijn aandacht lijkt compleet beheerst door de beweging, een beetje alsof ik bij de eerste stappen het pak van een hoofdmecanicien zou aantrekken om de schermen van de machinezaal te controleren, klaar om bij de minste waarschuwing tussen te komen.

Dat concentratieniveau varieert echter volgens de intensiteit van de inspanning. Hoe meer ik versnel, hoe minder ik vatbaar wordt voor de buitenwereld en hoe meer het bewustzijn een smeltende kern wordt. Als ik daarentegen aan een comfortabele kruissnelheid loop komen de spieren en gewrichten op automatische piloot, zakt de spanning en kan mijn geest makkelijker ontsnappen aan zijn anatomische kooi. Het is op die momenten dat een loper zich één voelt met zijn omgeving. Zijn zintuigen staan op scherp door de chemische luchtbel in zijn zenuwsysteem en hij neemt de geluiden en beelden rondom hem op met een verbazende scherpte.

Soms betrap ik me er op dat ik onbeduidende details uit het landschap "flits": een steen, een gezicht, een verre schreeuw. Ze overspoelen mijn netvlies en trommelvlies en verplichten me de wereld rondom me anders te zien. "De ruimte maakt ook deel uit van de loper" schrijft Bernard Chambaz in de inleiding van zijn "Petite bibliothèque du coureur" (éditions Champs classique). "Hij is eerst een oppervlakte, het deel van de ruimte dat het lichaam inneemt. In dit geval is het een lichaam in beweging, dus een oppervlakte die zich uitstrekt of zich verplaatst, die zich elders bevindt, die een ver bevel beantwoordt "Ga zien of ik er ben" - en wat is er beter dan er al lopend naar toe te trekken (...). De loper eigent zich de ruimte die hij doorkruist niet toe, hij laat er zijn spoor niet op na. Hij wordt zelf doorkruist".

Zoals iedere goede obsessionele loper kijk ik voortdurend op mijn uurwerk als ik train. Hartslag, snelheid (gemiddeld of kortstondig) en uiteraard chronometer geven een realtime en emotieloos rendement. Dankzij de magie van de technologie veranderen vluchtige en broze gewaarwordingen in meedogenloze cijfers. Ik kan me goed voelen terwijl mijn hartslag de hoogte inschiet. Of omgekeerd, uitgeput lijken terwijl het hart bromt als een berlinemotor. Het uurwerk objectiveert het onzichtbare, het blijft mijn metronoom, meer mijn rechter dan mijn advocaat, behalve als ik vrij loop en enkel op mijn intuïtie vertrouw.

In die opwindende vrijheidsmomenten wordt de tijd kleveriger. Als ik het milimetertempo niet kan stoppen verminder ik de snelheid en het gewicht ervan door het ritme te volgen als een zwemmer die in de richting van de stroom zwemt. De zichtbare wereld zet zich uit door het ritme en lijkt vertraagd door mijn eigen lopen. Indien ik in een film was zou de kijker me op normale snelheid zien evolueren in een decor waarin alles bevroren is, mensen en voorwerpen. Door in de lucht te klieven creëert de jogger een soort opening in het tijd- en ruimtecontinuüm, wat zonder twijfel die geconcentreerde houding geeft die hij vaak in de inspanning toont alsof zijn blik naar binnen gericht was...

Een aangename en duizelingwekkende roes. Aangenaam omdat het ons dichter bij de natuur brengt en het vertrouwen boost als elke ervaring daieons buiten de banaliteit drijft. Duizelingwekkend omdat het deuren in ons op een kier zet waarvan we niet weten waartoe ze kunnen leiden. Grenzen verzetten is met het gevaar flirten en het risico nemen dat een beetje te graag doen. Het is ook de min of meer aanvaardde onderdrukking op afstand houden door zich opzettelijk buiten de stroom van de moderne wereld te plaatsen.

Daaruit afleiden dat lopen een politieke daad is, is dan ook niet moeilijk. Ik zie sommigen al grijnzen in hun sofa. Maar laten we er even over nadenken: tijd en energie spenderen aan een democratische activiteit (een paar sportschoenen, een short en je bent vertrokken) die niets produceert en opbrengt is niet enkel het tegenovergestelde doen van de liberale winstfilosofie maar ook met zijn voeten de dictatuur van het utilitarisme ondergaan. Bernard Chambaz: "In onze periode die gekenmerkt wordt door snelheid en vorm, is de minste paradox niet dat lopers voor langeafstand gekozen hebben".

Kortom door voor zichzelf te rennen beheerst de langeafstandloper weer zijn bestaan. De wekelijkse uren waarin hij zich van de wereld afsnijdt zijn enkel van hem en geven hem de gelegenheid hem weer op zijn as te concentreren. Het is trouwens waarschijnlijk niet voor niets dat recreatieve jogging zich op grote schaal ontwikkeld heeft parallel met de uitzetting van het hardcore liberalisme, ruw geschat vanaf de jaren 80. Lopen, een ontsnappingsmiddel als een ander...

Trailer

"The Loneliness of the Long Distance Runner (1962)", een film van Tony Richardson met Tom Courtenay, Michael Redgrave, James Bolam.

De openingsscène van die film die als Free Cinema beschouwd wordt geeft de toon aan van een werk dat talentvol sociaal drama en formeel experiment mixt: op een plattelandsbaantje in een scherp zwart en wit beeld loopt een jonge man terwijl hij het landschap bewondert. Ondertussen verklaart een doffe commentaarstem, de zijne, dat zijn familie de gewoonte heeft om te lopen, meestal om aan de politie te ontsnappen. In de volgende scène zie je Colin Smith geboeid met een donkere blik in een politiewagen richting een tuchtschool gevoerd worden.

Eenzaam, weerspannig en zelfs onbeschoft (hij maakt korte metten met de psycholoog die zijn donkere ziel probeert te peilen) zal de jonge man toch van een gunstregime genieten dankzij zijn loopcapaciteiten die de snor van het directeur doen trillen, bezeten door het idee de cross te winnen die binnenkort zijn "leerlingen" met de rijkeluiszoontjes van een voorname school uit de buurt confronteert. Dat valt niet in de smaak van zijn oude beschermeling, die plots naar de achtergrond verdrongen wordt en die de ontsnapping boven de vernedering verkiest.

Wanneer hij buiten de muren loopt op een jazzy muziek van John Addison (de new wave touch) duikt Colin weer in zijn leven van voor de aanhouding tussen een stervende vader, een roekeloze moeder, een opdringerige schoonvader en een lastige financiële situatie. Er is dus geen enkel beschermnet voor de boze jongeman die met zijn lotsvriend in de grijze straten dwaalt, in de kleine criminaliteit afglijdt (autodiefstal, inbraak van een bakkerij...) en toch weer wat hoop vindt in de armen van een vriendelijk meisje dat hij leert kennen tijdens een uitstap aan de zee.

Tony Richardson ("A taste of honey", "Tom Jones") maakt er een spannend en grandioos sociaal ballet van: naast vloeiend geënsceneerde de flash-backs bevat zijn film enkele burleske toetsen (de vlucht van de jongens wordt versneld gefilmd als in de stomme films) en maakt hij genereus gebruik van ellipsen, een typisch Britse manier om afstand te creëren met zijn onderwerp. De stemmen hebben ook een bijzondere behandeling, ze klinken als misthoorns.

Het drama dat vrij geïnspireerd is op een kortverhaal van Alan Sillitoe wordt doorkruist door een mythologisch klassendilemma: zal Colin Smith tot het einde integer blijven, gevoed door zijn wantrouwen tegenover de bedrieglijkheid van volwassenen, desnoods door een kruis te maken over een minder negatieve toekomst of zal hij de hoogstwaarschijnlijk unieke gelegenheid te baat te nemen om weer in het gareel te komen, met de glorie er bovenop? Het antwoord komt er na de laatste rechte lijn van de wedstrijd, een paroxistisch moment dat op een hoogtepunt komt met een stroboscopische montage van een verbijsterende moderniteit.

Met zijn look van gevallen aristocraat en zijn benige fysiek blaast Tom Courtenay, die ontdekt werd op de planken van Old Vic, grootsheid en edelmoedigheid in de individualistische revolte van zijn personage. Een magistrale test die zijn carrière in de filmwereld ging lanceren. Daarna zien we hem bij David Lean, Peter Yates of recent nog bij Bille August.

"The Loneliness..." bezegelt met grote stappen het heilige verbond tussen film en lopen.

Praktische oefeningen

Het sportief programma van vorig weekend was zwaar geladen en belemmerd door kleine gezondheidsproblemen, een virus had me de week ervoor een vergiftigd geschenk in de maag gelaten (zie vorig stuk). En dus was het met een zekere vrees dat ik zondagmorgen aan de start stond van de 20 km van de Hivernales met het heuvelachtige reliëf van het Zoniënwoud als parcours. Ook al is de wedstrijd officiële geen trail, is het hoogteverschil hoog en bestaat het al na 1000 meter uit een cocktail van paadjes en kleine wegen.

Hoewel ik elke keer probeer op mezelf in te praten, te herhalen dat het slechts om een eenvoudige wedstrijd zonder inzet gaat en dat ik niets te winnen heb en niet veel te verliezen heb, toch zet het hart zich enkele uren op voorhand automatisch in pre-alarmmodus. Bovendien was het zondagmorgen een beetje Siberië in Bosvoorde. Lage temperaturen, een arctische wind en een ijskoude motregen gaven de indruk dat het landschap net uit de diepvriezer kwam. De grond leek wel een oud instabiel tapijt.

Gegeven mijn onrustige toestand had ik niet meer nodig om hevig te trillen. Zelfs het kwartiertje opwarming waarin de meest gemotiveerden defileren als in een parade warmde niet op. De verwarmingsketel was zichtbaar in panne. Het was te laat om op te geven, ik had al enkele mensen tegengekomen en ik er kon dus niet tussenuit knijpen zonder mijn laatste restje waardigheid te zien wegvliegen. Als ik moet opgeven zal het dus op een slachtveld zijn.

Op de voorgrond achter een rij semi-professionelen, allemaal als lucifers gebouwd maar gekleed in eenvoudige shorts en T-shirts, en een rij van schijnbaar ontspannen amateurs, gooi ik me bij het klaxongeluid met de ongeduldige meute in de wedstrijd. Nadat ik vorig jaar de halve wedstrijd van 10 km deed ken ik het begin van het parcours en zijn fysicaprobleem goed: hoe kan je 2000 lopers laten doorgaan in een versmalling waarvan het debiet slechts 10 paar benen per seconde bedraagt? Antwoord : niet.

Om te vermijden dat je in je aanloop gestopt wordt is er maar één oplossing: als eerste vertrekken en hopen dat je voorbij de versmalling gaat voor de vorming van de file. Ondertussen moet je ook opletten dat je niet op de boord valt, op de geparkeerde wagens en op andere stadsobjecten. Ik heb de indruk dat ik aan de andere kant van het scherm van een arcadespel zit...

Gelukkig duurt die stadsgymkana niet lang. 1 km en 4 minuten 10 verder, zoals gewoonlijk te snel, stort de eerste golf antilopen zich in het bos. Onmiddellijk wijzigt de grip. We gaan van een gladde grond naar een zeer gladde grond. Ik heb de ochtend zelf getwijfeld tussen mijn zeer comfortabele schoenen met een gladde zool en een tweede sterker maar ook zwaarder en harder paar met scherpe noppen. Ik begrijp onmiddellijk dat ik de juiste keuze maakte. De ijskoude waterplassen en de modder onder de dode bladeren vormen een bijzonder verdorven tapijt. Er waren dus goede noppen nodig of vliegende buitenaardse wezens die ik voorlopig nog de verte zie.

In de eerste kilometers van aan lange afstand wedstrijd is de machine nog meegaand en stuurt ze geruststellende signalen. Soms te. Je moet dus niet vertrouwen op dat gevoel van vlotheid op straffe van halverwege uitgeput te zijn. De uitdaging om vol te houden zonder te bezwijken bestaat er in de juiste mix tussen zelfvertrouwen en huidige en vooral toekomstige fysieke conditie te vinden door ook rekening te houden met de toekomstige moeilijkheden. Niet evident.

De kleine dalen volgen elkaar op met grote snelheid onder de sneeuw die beginnen vallen is, mijn orientatiegevoel raakt in de war en ik vertrouw op de hielen van de kameraden die voor mij lopen. Het spel van de kleine allianties begint al in een goed uitgestrekt peloton. Zoals een fietser haak ik me vast in een silhouet dat zonder moeite lijkt vooruit te gaan. Twee kilometer lang word ik zijn schaduw tot ik verplicht word los te laten.

Ik heb meer geluk met de grote kerel met een bril die me de rest van de wedstrijd vergezelt - tenzij het omgekeerd is. Elk om beurt spelen we de rol van de haas. Het is krankzinnig hoe het lijden mensen dichterbij brengt. We wisselen zelfs bemoedigende woorden uit.

De eerste bevoorrading is al in zicht, wat wil zeggen dat de helft van de lijdensweg achter mij is. Ik voel dat ik niet 100% ben. Mijn ademhaling is korter dan anders. Tot hier toe loop ik met een gemiddelde snelheid van 4 minuten 20 per kilometer. Maar ik ben niet zeker dat ik dat tempo kan aanhouden. En 5 kilometer verder wordt de situatie inderdaad moeilijker, na een reeks weerspannige kleine hellingen. De lichtjes op mijn dashboard gaan één voor één aan. Elektrische ontladingen komen uit mijn onderste ledematen, mijn twee zuurstofpompen zijn nog altijd de beroerte nabij en dat rotvirus dat me tot nu toe gerust gelaten had valt de wanden van mijn spijsverteringskanaal aan als een kwade specht. Enig positief punt: mijn hart blijft doof voor dat tumult.

Ik denk er niet aan te stoppen, ik weersta enkel aan de verleiding te vertragen. Het is hier dat de mentale kant het wel of niet overneemt. Ik zal abstractie moeten doen van de signalen van mijn lichaam en me op één doelstelling concentreren : de wedstrijd afmaken.

4,3,2 ... kilometer. Gewoonlijk is die techniek van autohypnose zeer efficiënt, waarschijnlijk riskant (iedereen heeft sportievelingen zien instorten na een te zware inspanning) maar je overtreft jezelf niet zonder enkele mentale pleisters op je fysieke tekortkomingen te kleven. Als je niet klaar bent om jezelf pijn te doen blijf je beter lekker warm binnen Scrabble spelen.

Na een lange afdaling gevolgd door een laatste muur met een hoog martelaarsgehalte is de eindstreep dan eindelijk in zicht. Ik zweep een laatste keer mijn uitgeput lichaam op om weinig elegant over de aankomstlijn te lopen. De chronometer geeft 1u30 aan. Op het moment zelf ben ik ontgoocheld. Ik hoopte op een beter resultaat en toch ben ik me ervan bewust dat in die extreme weersomstandigheden (waar de modder op mijn kledij en mijn kletsnatte voeten van getuigen) ik het werk gedaan heb en zelfs en een beetje meer. Ik heb niets losgelaten, wat uiteindelijk de missie was aangezien het binnen drie maanden dubbele portie wordt in Londen. En ook al ben ik voor het belangrijkste gerustgesteld, ik heb nog veel werk als ik de Slag om Engeland niet wil verliezen!

Gewoonlijk denk ik aan niets specifieks als ik loop maar daarom is de leegte in mijn hoofd nog niet absoluut. Vage gedachten komen in me op maar verdampen even snel, als dampsporen in het kielzog van vliegtuigen. Mijn aandacht lijkt compleet beheerst door de beweging, een beetje alsof ik bij de eerste stappen het pak van een hoofdmecanicien zou aantrekken om de schermen van de machinezaal te controleren, klaar om bij de minste waarschuwing tussen te komen. Dat concentratieniveau varieert echter volgens de intensiteit van de inspanning. Hoe meer ik versnel, hoe minder ik vatbaar wordt voor de buitenwereld en hoe meer het bewustzijn een smeltende kern wordt. Als ik daarentegen aan een comfortabele kruissnelheid loop komen de spieren en gewrichten op automatische piloot, zakt de spanning en kan mijn geest makkelijker ontsnappen aan zijn anatomische kooi. Het is op die momenten dat een loper zich één voelt met zijn omgeving. Zijn zintuigen staan op scherp door de chemische luchtbel in zijn zenuwsysteem en hij neemt de geluiden en beelden rondom hem op met een verbazende scherpte. Soms betrap ik me er op dat ik onbeduidende details uit het landschap "flits": een steen, een gezicht, een verre schreeuw. Ze overspoelen mijn netvlies en trommelvlies en verplichten me de wereld rondom me anders te zien. "De ruimte maakt ook deel uit van de loper" schrijft Bernard Chambaz in de inleiding van zijn "Petite bibliothèque du coureur" (éditions Champs classique). "Hij is eerst een oppervlakte, het deel van de ruimte dat het lichaam inneemt. In dit geval is het een lichaam in beweging, dus een oppervlakte die zich uitstrekt of zich verplaatst, die zich elders bevindt, die een ver bevel beantwoordt "Ga zien of ik er ben" - en wat is er beter dan er al lopend naar toe te trekken (...). De loper eigent zich de ruimte die hij doorkruist niet toe, hij laat er zijn spoor niet op na. Hij wordt zelf doorkruist". Zoals iedere goede obsessionele loper kijk ik voortdurend op mijn uurwerk als ik train. Hartslag, snelheid (gemiddeld of kortstondig) en uiteraard chronometer geven een realtime en emotieloos rendement. Dankzij de magie van de technologie veranderen vluchtige en broze gewaarwordingen in meedogenloze cijfers. Ik kan me goed voelen terwijl mijn hartslag de hoogte inschiet. Of omgekeerd, uitgeput lijken terwijl het hart bromt als een berlinemotor. Het uurwerk objectiveert het onzichtbare, het blijft mijn metronoom, meer mijn rechter dan mijn advocaat, behalve als ik vrij loop en enkel op mijn intuïtie vertrouw. In die opwindende vrijheidsmomenten wordt de tijd kleveriger. Als ik het milimetertempo niet kan stoppen verminder ik de snelheid en het gewicht ervan door het ritme te volgen als een zwemmer die in de richting van de stroom zwemt. De zichtbare wereld zet zich uit door het ritme en lijkt vertraagd door mijn eigen lopen. Indien ik in een film was zou de kijker me op normale snelheid zien evolueren in een decor waarin alles bevroren is, mensen en voorwerpen. Door in de lucht te klieven creëert de jogger een soort opening in het tijd- en ruimtecontinuüm, wat zonder twijfel die geconcentreerde houding geeft die hij vaak in de inspanning toont alsof zijn blik naar binnen gericht was... Een aangename en duizelingwekkende roes. Aangenaam omdat het ons dichter bij de natuur brengt en het vertrouwen boost als elke ervaring daieons buiten de banaliteit drijft. Duizelingwekkend omdat het deuren in ons op een kier zet waarvan we niet weten waartoe ze kunnen leiden. Grenzen verzetten is met het gevaar flirten en het risico nemen dat een beetje te graag doen. Het is ook de min of meer aanvaardde onderdrukking op afstand houden door zich opzettelijk buiten de stroom van de moderne wereld te plaatsen. Daaruit afleiden dat lopen een politieke daad is, is dan ook niet moeilijk. Ik zie sommigen al grijnzen in hun sofa. Maar laten we er even over nadenken: tijd en energie spenderen aan een democratische activiteit (een paar sportschoenen, een short en je bent vertrokken) die niets produceert en opbrengt is niet enkel het tegenovergestelde doen van de liberale winstfilosofie maar ook met zijn voeten de dictatuur van het utilitarisme ondergaan. Bernard Chambaz: "In onze periode die gekenmerkt wordt door snelheid en vorm, is de minste paradox niet dat lopers voor langeafstand gekozen hebben". Kortom door voor zichzelf te rennen beheerst de langeafstandloper weer zijn bestaan. De wekelijkse uren waarin hij zich van de wereld afsnijdt zijn enkel van hem en geven hem de gelegenheid hem weer op zijn as te concentreren. Het is trouwens waarschijnlijk niet voor niets dat recreatieve jogging zich op grote schaal ontwikkeld heeft parallel met de uitzetting van het hardcore liberalisme, ruw geschat vanaf de jaren 80. Lopen, een ontsnappingsmiddel als een ander... "The Loneliness of the Long Distance Runner (1962)", een film van Tony Richardson met Tom Courtenay, Michael Redgrave, James Bolam.De openingsscène van die film die als Free Cinema beschouwd wordt geeft de toon aan van een werk dat talentvol sociaal drama en formeel experiment mixt: op een plattelandsbaantje in een scherp zwart en wit beeld loopt een jonge man terwijl hij het landschap bewondert. Ondertussen verklaart een doffe commentaarstem, de zijne, dat zijn familie de gewoonte heeft om te lopen, meestal om aan de politie te ontsnappen. In de volgende scène zie je Colin Smith geboeid met een donkere blik in een politiewagen richting een tuchtschool gevoerd worden. Eenzaam, weerspannig en zelfs onbeschoft (hij maakt korte metten met de psycholoog die zijn donkere ziel probeert te peilen) zal de jonge man toch van een gunstregime genieten dankzij zijn loopcapaciteiten die de snor van het directeur doen trillen, bezeten door het idee de cross te winnen die binnenkort zijn "leerlingen" met de rijkeluiszoontjes van een voorname school uit de buurt confronteert. Dat valt niet in de smaak van zijn oude beschermeling, die plots naar de achtergrond verdrongen wordt en die de ontsnapping boven de vernedering verkiest. Wanneer hij buiten de muren loopt op een jazzy muziek van John Addison (de new wave touch) duikt Colin weer in zijn leven van voor de aanhouding tussen een stervende vader, een roekeloze moeder, een opdringerige schoonvader en een lastige financiële situatie. Er is dus geen enkel beschermnet voor de boze jongeman die met zijn lotsvriend in de grijze straten dwaalt, in de kleine criminaliteit afglijdt (autodiefstal, inbraak van een bakkerij...) en toch weer wat hoop vindt in de armen van een vriendelijk meisje dat hij leert kennen tijdens een uitstap aan de zee. Tony Richardson ("A taste of honey", "Tom Jones") maakt er een spannend en grandioos sociaal ballet van: naast vloeiend geënsceneerde de flash-backs bevat zijn film enkele burleske toetsen (de vlucht van de jongens wordt versneld gefilmd als in de stomme films) en maakt hij genereus gebruik van ellipsen, een typisch Britse manier om afstand te creëren met zijn onderwerp. De stemmen hebben ook een bijzondere behandeling, ze klinken als misthoorns. Het drama dat vrij geïnspireerd is op een kortverhaal van Alan Sillitoe wordt doorkruist door een mythologisch klassendilemma: zal Colin Smith tot het einde integer blijven, gevoed door zijn wantrouwen tegenover de bedrieglijkheid van volwassenen, desnoods door een kruis te maken over een minder negatieve toekomst of zal hij de hoogstwaarschijnlijk unieke gelegenheid te baat te nemen om weer in het gareel te komen, met de glorie er bovenop? Het antwoord komt er na de laatste rechte lijn van de wedstrijd, een paroxistisch moment dat op een hoogtepunt komt met een stroboscopische montage van een verbijsterende moderniteit. Met zijn look van gevallen aristocraat en zijn benige fysiek blaast Tom Courtenay, die ontdekt werd op de planken van Old Vic, grootsheid en edelmoedigheid in de individualistische revolte van zijn personage. Een magistrale test die zijn carrière in de filmwereld ging lanceren. Daarna zien we hem bij David Lean, Peter Yates of recent nog bij Bille August."The Loneliness..." bezegelt met grote stappen het heilige verbond tussen film en lopen. Het sportief programma van vorig weekend was zwaar geladen en belemmerd door kleine gezondheidsproblemen, een virus had me de week ervoor een vergiftigd geschenk in de maag gelaten (zie vorig stuk). En dus was het met een zekere vrees dat ik zondagmorgen aan de start stond van de 20 km van de Hivernales met het heuvelachtige reliëf van het Zoniënwoud als parcours. Ook al is de wedstrijd officiële geen trail, is het hoogteverschil hoog en bestaat het al na 1000 meter uit een cocktail van paadjes en kleine wegen. Hoewel ik elke keer probeer op mezelf in te praten, te herhalen dat het slechts om een eenvoudige wedstrijd zonder inzet gaat en dat ik niets te winnen heb en niet veel te verliezen heb, toch zet het hart zich enkele uren op voorhand automatisch in pre-alarmmodus. Bovendien was het zondagmorgen een beetje Siberië in Bosvoorde. Lage temperaturen, een arctische wind en een ijskoude motregen gaven de indruk dat het landschap net uit de diepvriezer kwam. De grond leek wel een oud instabiel tapijt. Gegeven mijn onrustige toestand had ik niet meer nodig om hevig te trillen. Zelfs het kwartiertje opwarming waarin de meest gemotiveerden defileren als in een parade warmde niet op. De verwarmingsketel was zichtbaar in panne. Het was te laat om op te geven, ik had al enkele mensen tegengekomen en ik er kon dus niet tussenuit knijpen zonder mijn laatste restje waardigheid te zien wegvliegen. Als ik moet opgeven zal het dus op een slachtveld zijn. Op de voorgrond achter een rij semi-professionelen, allemaal als lucifers gebouwd maar gekleed in eenvoudige shorts en T-shirts, en een rij van schijnbaar ontspannen amateurs, gooi ik me bij het klaxongeluid met de ongeduldige meute in de wedstrijd. Nadat ik vorig jaar de halve wedstrijd van 10 km deed ken ik het begin van het parcours en zijn fysicaprobleem goed: hoe kan je 2000 lopers laten doorgaan in een versmalling waarvan het debiet slechts 10 paar benen per seconde bedraagt? Antwoord : niet. Om te vermijden dat je in je aanloop gestopt wordt is er maar één oplossing: als eerste vertrekken en hopen dat je voorbij de versmalling gaat voor de vorming van de file. Ondertussen moet je ook opletten dat je niet op de boord valt, op de geparkeerde wagens en op andere stadsobjecten. Ik heb de indruk dat ik aan de andere kant van het scherm van een arcadespel zit... Gelukkig duurt die stadsgymkana niet lang. 1 km en 4 minuten 10 verder, zoals gewoonlijk te snel, stort de eerste golf antilopen zich in het bos. Onmiddellijk wijzigt de grip. We gaan van een gladde grond naar een zeer gladde grond. Ik heb de ochtend zelf getwijfeld tussen mijn zeer comfortabele schoenen met een gladde zool en een tweede sterker maar ook zwaarder en harder paar met scherpe noppen. Ik begrijp onmiddellijk dat ik de juiste keuze maakte. De ijskoude waterplassen en de modder onder de dode bladeren vormen een bijzonder verdorven tapijt. Er waren dus goede noppen nodig of vliegende buitenaardse wezens die ik voorlopig nog de verte zie. In de eerste kilometers van aan lange afstand wedstrijd is de machine nog meegaand en stuurt ze geruststellende signalen. Soms te. Je moet dus niet vertrouwen op dat gevoel van vlotheid op straffe van halverwege uitgeput te zijn. De uitdaging om vol te houden zonder te bezwijken bestaat er in de juiste mix tussen zelfvertrouwen en huidige en vooral toekomstige fysieke conditie te vinden door ook rekening te houden met de toekomstige moeilijkheden. Niet evident. De kleine dalen volgen elkaar op met grote snelheid onder de sneeuw die beginnen vallen is, mijn orientatiegevoel raakt in de war en ik vertrouw op de hielen van de kameraden die voor mij lopen. Het spel van de kleine allianties begint al in een goed uitgestrekt peloton. Zoals een fietser haak ik me vast in een silhouet dat zonder moeite lijkt vooruit te gaan. Twee kilometer lang word ik zijn schaduw tot ik verplicht word los te laten. Ik heb meer geluk met de grote kerel met een bril die me de rest van de wedstrijd vergezelt - tenzij het omgekeerd is. Elk om beurt spelen we de rol van de haas. Het is krankzinnig hoe het lijden mensen dichterbij brengt. We wisselen zelfs bemoedigende woorden uit. De eerste bevoorrading is al in zicht, wat wil zeggen dat de helft van de lijdensweg achter mij is. Ik voel dat ik niet 100% ben. Mijn ademhaling is korter dan anders. Tot hier toe loop ik met een gemiddelde snelheid van 4 minuten 20 per kilometer. Maar ik ben niet zeker dat ik dat tempo kan aanhouden. En 5 kilometer verder wordt de situatie inderdaad moeilijker, na een reeks weerspannige kleine hellingen. De lichtjes op mijn dashboard gaan één voor één aan. Elektrische ontladingen komen uit mijn onderste ledematen, mijn twee zuurstofpompen zijn nog altijd de beroerte nabij en dat rotvirus dat me tot nu toe gerust gelaten had valt de wanden van mijn spijsverteringskanaal aan als een kwade specht. Enig positief punt: mijn hart blijft doof voor dat tumult. Ik denk er niet aan te stoppen, ik weersta enkel aan de verleiding te vertragen. Het is hier dat de mentale kant het wel of niet overneemt. Ik zal abstractie moeten doen van de signalen van mijn lichaam en me op één doelstelling concentreren : de wedstrijd afmaken. 4,3,2 ... kilometer. Gewoonlijk is die techniek van autohypnose zeer efficiënt, waarschijnlijk riskant (iedereen heeft sportievelingen zien instorten na een te zware inspanning) maar je overtreft jezelf niet zonder enkele mentale pleisters op je fysieke tekortkomingen te kleven. Als je niet klaar bent om jezelf pijn te doen blijf je beter lekker warm binnen Scrabble spelen. Na een lange afdaling gevolgd door een laatste muur met een hoog martelaarsgehalte is de eindstreep dan eindelijk in zicht. Ik zweep een laatste keer mijn uitgeput lichaam op om weinig elegant over de aankomstlijn te lopen. De chronometer geeft 1u30 aan. Op het moment zelf ben ik ontgoocheld. Ik hoopte op een beter resultaat en toch ben ik me ervan bewust dat in die extreme weersomstandigheden (waar de modder op mijn kledij en mijn kletsnatte voeten van getuigen) ik het werk gedaan heb en zelfs en een beetje meer. Ik heb niets losgelaten, wat uiteindelijk de missie was aangezien het binnen drie maanden dubbele portie wordt in Londen. En ook al ben ik voor het belangrijkste gerustgesteld, ik heb nog veel werk als ik de Slag om Engeland niet wil verliezen!