1. Born to run

Er gaat geen week voorbij zonder dat ik me afvraag wat ik daar doe, helemaal alleen in de bijtende ochtendkoude, de helft van de keren overgeleverd aan een onaangename motregen, kilometers vretend op een parcours waarvan ik de minste steen van buiten ken. Na jaren van lopen, met één, twee, drie of zelfs vier trainingen per week, heb ik het antwoord nog altijd niet gevonden. En ik denk niet dat ik het snel zal vinden.

Ik heb een job die hoog scoort op de ladder van geluk op het werk (lees : boeiend en tijdrovend), ik heb kinderen, enkele ongestrafte slechte gewoontes als lezen en film en gewrichten die serieus beginnen roesten. Kortom: ik heb zoals iedereen een gekkenleven, een beetje te veel op het scherp van de snede naar mijn smaak, en toch krijg ik er nog 4 loopsessies met variabele intensiteit in. En dat zonder verplichting, zonder medisch voorschrift, louter voor het plezier (of tenminste bij wijze van spreken, ik kom er op terug).

Er moet dus een hogere kracht zijn die me bij het krieken van de dag, zowel 's zomers als 's winters op het oorlogspad drijft. Ja, oorlog. Niet tegen iemand of iets, maar tegen mezelf. Een oorlog die bovendien op voorhand verloren is. Want een amateur aanvaardt van het begin dat verliezen niet enkel een werkhypothese is zoals bij andere sporten maar dat ze onvermijdbaar is en des te meer ik met mijn 45 jaar een veteraan ben.

In tegenstelling tot West-Afrikanen die lopen om aan de ellende te ontsnappen (vorig jaar kwamen de 50 beste marathonlopers allemaal uit die regio) heb ik geen enkele kans om iets te winnen, behalve misschien de meewarige blikken van mijn familieleden als ze het lijden zien dat ik me gratis en voor niets opleg. Om het met de woorden van Gérard Ejnès in zijn kostelijk "Dictionnaire absurde du marathon" te zeggen, in 25 jaar kan mijn palmares als volgt samengevat worden: een kleine tiental 20 km van Brussel (beste tijd: 1u12, dat is heel lang geleden, vandaag zit ik rond de 1u27), enkele gelijkaardige wedstrijden hier en elders in Europa, een marathon en nul overwinningen. De overwinning is beslist niet de brandstof die de motor van de doorsnee langeafstandsloper doet draaien.

RV
© RV

Ik ga me dus niet met de anderen meten, ik ga me met mezelf meten, het mes tussen de tanden. Ieder zijn motivatie: gewicht verliezen, een wankele gezondheid verbeteren, een emotionele tegenslag verwerken... In mijn geval is het iets anders, iets onuitsprekelijk dat diep van binnen zit. Als een antwoord op stimuli uit een donkere plek van mijn genen. "Je hebt enkel je dosis dopamine nodig" zegt een innerlijke stem op een schertsende toon. Zeker is dat die wettelijke drugs het raderwerk en de kilometerteller smeert, maar toch doet dopamine de motor niet draaien. Verder lopen dan de eenvoudige goesting om de benen wat los te lopen veronderstelt andere tevredenheidsmotieven. Ik ben niet aan die kruisweg begonnen, eerst in Brussel en binnenkort in Londen louter voor een plens hormonen in een zee van pijn...

Dan kies ik liever voor de wetenschappelijke uitleg van de Canadese antropoloog Niobe Thompson die hij in een boeiende documentaire die in 2012 op Arte uitgezonden werd verschafte (en die op Youtube staat). Startvraag en titel van zijn onderzoek: Zijn we gemaakt om te lopen? Wanneer je het vuurrode gezicht en de wankele stap van sommige joggers ziet, zou je denken van niet. En toch is de mens biologisch uitgerust om uren te rennen. Hij is zelfs de beste langeafstandsloper van de natuur!

We moeten 3 miljoen jaar teruggaan in de tijd om te begrijpen waar dat genetisch voordeel vandaan komt verklaart de regisseur in zijn gesprekken met etnologen en biologen: vroeger leefden onze viervoetige voorouders in de bomen in Afrika. Een ijstijd later is de weelderige plantgroei helemaal verdwenen. De soort is in levensgevaar met uitzondering van enkele slimmeriken die het idee hebben rechtop te staan. Probleem: hoe zal die ongewapende en fragiele tweevoeter zich voeden? Hij heeft geen voedsel meer binnen handbereik en wordt omringd door wilde dieren of die in elk geval sneller zijn dan hem.

De natuurlijke selectie heeft haar werk goed gedaan aangezien hij bij gebrek aan scherpe tanden een sterk uithoudingsvermogen heeft dat beter is dan dat van zijn concurrenten. Door welk wonder? Dat van de thermische regulatie. Het verkoelingscircuit van de meeste zoogdieren gaat door de mond en in het bijzonder door de tong. Het is door te hijgen dat ze hun lichaamstemperatuur doen dalen. Wanneer een dier echter begint te sprinten is zijn bek potdicht en moet hij dus vaak stoppen terwijl de mens een geïntegreerde airconditioning bezit. De volledige oppervlakte van zijn huid en helpt hem om de koelte te bewaren. Dat is zeer nuttig. Hij heeft maar zijn prooi te volgen tot ze uitgeput is of sterft aan hyperthermie.

Sinds die tijd zijn we fysiologisch niet veel meer veranderd. Korte tenen, de welving van de plant van de voet, de Achillespees en de spier van het achterwerk zijn perfect aangepast aan lange afstanden, ze fungeren als springveren en beperken tegelijkertijd het energieverbruik. Lopen is dus in de stappen treden van onze verre voorouders. Het is een natuurlijk gebaar terugvinden dat verborgen zit onder lagen van moderne comfort en een sedentair leven. Het is een prozaïsche visie die een beetje het romantisch mysterie van de loopverslaving verdrijft maar het in een historische context, de onze, plaatst en me plots minder gek doet lijken als ik bij het ochtendgloren opsta en met mijn textielharnas door weer en wind ga lopen.

Ook al zal het waarschijnlijk niet veel helpen zal ik daar zeer hard aan denken als ik het in de buurt van Tower Hill begin te begeven. Ik zal me proberen inbeelden dat ik een antilope in de savanne probeer op te jagen. En dat mijn overleving er van afhangt. Op dat moment van de wedstrijd zal om het even welke fabel goed zijn om enkele meters te winnen!

RV
© RV

2. Leeshoek

"Waarover ik praat als ik over hardlopen praat" door Haruki Murakami, uitgeverij Amstelsport, vertaald uit het Japans door Luk van Haute.

Murakami als schrijver (Norwegian Wood, 1Q84...), die overal in de wereld gelezen wordt verbergt er een andere, minder bekende, Murakami als marathonloper. Toch zijn die twee kanten van het personage nauw met elkaar verbonden. Zoals hij uitlegt in zijn zelfportret met short en baskets loopt hij omdat hij schrijft. Toen hij 30 was begin de jaren 80 had hij een jazzclub in Tokyo dat redelijk goed boerde. Van de ene dag op de andere heeft hij de zaak verkocht, de stad verlaten met zijn vrouw en beslist een roman te schrijven. Om het gebrek aan fysieke activiteit te compenseren is hij begonnen lopen. Een individuele sport die je overal kunt beoefenen en die goed past bij zijn ietwat nors temparement en zijn zwervende levensstijl. Hij werd er snel verslaafd aan.

Hij levert het bewijs wanneer hij zich zonder echte voorbereiding en onder het voorwendsel van een artikel voor een magazine over jogging zich aan een lange eenzame tocht waagt op de mythische baan van Athene-Marathon. Hij slaagt in zijn opzet maar eindigt als een verkoolde zoutpilaar. Dat is niet genoeg om de stachanovist te ontmoedigen (hij loopt elke dag) waarvan de teller sindsdien een twintigtal marathons voor het zelfde aantal jaren aangeeft. Hij schreef zijn introspectief essay in 2005 tussen Hawaï, Boston en Tokyo, in de maanden voor zijn deelname aan het mythische 42K van New York. Hij haalt er min of meer pijnlijke herinneringen naar boven (waarvan een ultramarathon van 100 km dat hij als een bijna mystieke ervaring beleefde en waarvan hij met een gigantische blues terug kwam) en boeddhistisch getinte gedachten over de zin van zijn initiatief.

Systematisch zonder zichzelf te ontzien bestudeert de auteur de existentiële kant van de zelfoverschrijding terwijl hij ondertussen ook de gemeenschappelijke trekken tussen het lopen en het schrijven benadrukt. "Ook al is het lichaam niet aan het bewegen, vindt er binnen een moeizame en uitputtende dynamiek plaats. Uiteraard gebruiken we allemaal onze geest als we nadenken. Maar schrijvers trekken een uitrusting aan die we het verhaal of het relaas noemen en het is daarmee dat ze denken, met hun volledige lichaam; voor de schrijver eist die job dat hij al zijn fysieke energie verzamelt en vaak dat hij tot de overbelasting gaat".

In de loop van de autoanalyse dat de verborgen bron van zijn werk toont en het intieme bonzen ervan verklaart verbergt zich een onverzettelijke, eigenzinnige en ook lichtjes misantrope persoonlijkheid dat de deugden van het werk, van de discipline en de inspanning boven het talent plaatst. Met zijn Japanse manier op de wereld met wijsheid te omarmen, soms tot in het zoetelijke, belichaamt Murakami perfect de Latijnse spreuk "mens sana in corpore sano".

RV
© RV

3. Praktijk

Als je hoopt een marathon rechtstaand af te werken, is het beter goed op voorhand te beginnen. In die extreme uithoudingsoefening heeft de haas uit de fabel geen enkele kans. Je moet niet enkel op tijd vertrekken, je moet ook zorgvuldig getraind zijn. Anders bezwijk je na 30 kilometer. Wilskracht alleen is onvoldoende. Je moet eerst het lichaam droogleggen, de spieren versterken, zorgen dat ze gewoon worden om uren te zwoegen zonder te klagen. Voor een volleerde sportieveling duurt dat minimum drie maanden. De beginneling die de 42 kilometer onder de symbolieke grens van 4 uur wenst af te maken, moet vier à vijf maanden intensieve voorbereiding rekenen.

Op basis van het eerbare resultaat van mijn eerste marathon (3u22 in Brussel in oktober laatstleden), mik ik voor Londen op een vork tussen de 3u10 en de 3u20. Goed nieuws: de Engelse hoofdstad is redelijk vlak. Ik zal de Tervurenlaan niet moeten opklimmen, en ook geen enkele col buiten categorie, waarvan mijn optimistische vooruitzichten. Voor zover tenminste de machine geen averij oploopt, de hemel niet op mijn hoofd valt, een opstopping van benen me niet bij de start vertraagt, dat het hart, de longen en de spieren meewillen, enz. Kortom, dat alle parameters op groen blijven en ik me helemaal kan wijden aan de delicate taak mijn lijf tot bestemming te brengen.

Als in de refters uit mijn kindertijd varieert het trainingsmenu niet veel van de ene week op de andere. In grote lijnen probeer ik eert een intense fase (15' opwarming en daarna versnel ik gedurende drie kwartier), een softe fase in fundamentele uithouding (een goed uur op 70-75 % van mijn maximale hartslag), een versnipperde fase (15' verwarming en series van 200, 300 of 400 meter op volle toeren) en uiteindelijk een lange fase (minimum 20km) op 80% van mijn capaciteiten. Een klassieke cocktail waarmee ik uithouding en hoog rendement combineer. Om de verveling tegen te gaan zorg ik wissel ik verschillende decors af. Ik loop op de piste, in het bos, de stad of in het groen.

Drie maanden voor het beslissende moment, kom ik nu in de kern van de zaak. Er is geen tijd meer te verliezen. De twee volgende maanden worden immers bepalend. Nadien zal ik geleidelijk aan het tempo verminderen om fris en monter, ten minste in theorie, op de startlijn te verschijnen. In februari ben ik van plan alles op de tussenpozen te zetten, wat mij slechts matig enthousiasmeert. Ik weet niet of het de leeftijd is of een kwestie van fysiologische affiniteit maar moeten rennen alsof ik een meute pitbulls achter mij had, is niet echt mijn ding. Ik moet er echter door want het is door tien, vijftien keer na mekaar de snelheid op te drijven dat je krachtiger wordt en dan ook niet moet opgeven bij het eerste hellend vlak.

Helaas liep mijn sessie van dinsdag slecht af. Ik was nochtans enthousiast vertrokken, opgetogen dat het klimaat iets minder vochtig was. Mijn voeten streken soepel over de grond en mijn benen volgden zonder inspanning. Mijn hart bonsde zonder dat ik volledig verstikt was . Alles ging goed. Maar bij de negende fase kreeg ik een noodsein van mijn spijsverteringsstelsel. Het was alsof een leger dwergen een kampvuur in mijn ingewanden hadden aangestoken. Ik kreeg een golf van rillingen over me heen gevolgd door een begin van misselijkheid. Op dat moment word je pijnlijk bewust van het feit dat het lichaam een zeer fragiele precisiemachine is. Een beetje zoals een Formule 1, bij de minste onregelmatigheid vlieg je uit de baan. Omdat ik niet van het type ben dat snel opgeeft, heb ik nochtans verder gedaan, met zelfs een eindsprintje. De voorbijgangers die ik tegenkwam moeten zich afgevraagd hebben of ik beslist had er een einde aan te maken toen ze me zagen voortploeteren als een gek, met een korte adem en een lijkbleek gezicht. Ik heb me uit de voeten gemaakt en de kortste weg naar huis genomen...

Ik vreesde er al voor. Momenteel laat mijn maag we wat in de steek. De in theorie rustige sessie van donderdag heeft die diagnose enkel maar bevestigd. Zelfs in pianissimo stijl, speelde het anatomische orkest vals. Net of de koperblazers met Mahler huilen terwijl de snaren met Bach zweven.

RV
© RV
Er gaat geen week voorbij zonder dat ik me afvraag wat ik daar doe, helemaal alleen in de bijtende ochtendkoude, de helft van de keren overgeleverd aan een onaangename motregen, kilometers vretend op een parcours waarvan ik de minste steen van buiten ken. Na jaren van lopen, met één, twee, drie of zelfs vier trainingen per week, heb ik het antwoord nog altijd niet gevonden. En ik denk niet dat ik het snel zal vinden. Ik heb een job die hoog scoort op de ladder van geluk op het werk (lees : boeiend en tijdrovend), ik heb kinderen, enkele ongestrafte slechte gewoontes als lezen en film en gewrichten die serieus beginnen roesten. Kortom: ik heb zoals iedereen een gekkenleven, een beetje te veel op het scherp van de snede naar mijn smaak, en toch krijg ik er nog 4 loopsessies met variabele intensiteit in. En dat zonder verplichting, zonder medisch voorschrift, louter voor het plezier (of tenminste bij wijze van spreken, ik kom er op terug). Er moet dus een hogere kracht zijn die me bij het krieken van de dag, zowel 's zomers als 's winters op het oorlogspad drijft. Ja, oorlog. Niet tegen iemand of iets, maar tegen mezelf. Een oorlog die bovendien op voorhand verloren is. Want een amateur aanvaardt van het begin dat verliezen niet enkel een werkhypothese is zoals bij andere sporten maar dat ze onvermijdbaar is en des te meer ik met mijn 45 jaar een veteraan ben. In tegenstelling tot West-Afrikanen die lopen om aan de ellende te ontsnappen (vorig jaar kwamen de 50 beste marathonlopers allemaal uit die regio) heb ik geen enkele kans om iets te winnen, behalve misschien de meewarige blikken van mijn familieleden als ze het lijden zien dat ik me gratis en voor niets opleg. Om het met de woorden van Gérard Ejnès in zijn kostelijk "Dictionnaire absurde du marathon" te zeggen, in 25 jaar kan mijn palmares als volgt samengevat worden: een kleine tiental 20 km van Brussel (beste tijd: 1u12, dat is heel lang geleden, vandaag zit ik rond de 1u27), enkele gelijkaardige wedstrijden hier en elders in Europa, een marathon en nul overwinningen. De overwinning is beslist niet de brandstof die de motor van de doorsnee langeafstandsloper doet draaien. Ik ga me dus niet met de anderen meten, ik ga me met mezelf meten, het mes tussen de tanden. Ieder zijn motivatie: gewicht verliezen, een wankele gezondheid verbeteren, een emotionele tegenslag verwerken... In mijn geval is het iets anders, iets onuitsprekelijk dat diep van binnen zit. Als een antwoord op stimuli uit een donkere plek van mijn genen. "Je hebt enkel je dosis dopamine nodig" zegt een innerlijke stem op een schertsende toon. Zeker is dat die wettelijke drugs het raderwerk en de kilometerteller smeert, maar toch doet dopamine de motor niet draaien. Verder lopen dan de eenvoudige goesting om de benen wat los te lopen veronderstelt andere tevredenheidsmotieven. Ik ben niet aan die kruisweg begonnen, eerst in Brussel en binnenkort in Londen louter voor een plens hormonen in een zee van pijn...Dan kies ik liever voor de wetenschappelijke uitleg van de Canadese antropoloog Niobe Thompson die hij in een boeiende documentaire die in 2012 op Arte uitgezonden werd verschafte (en die op Youtube staat). Startvraag en titel van zijn onderzoek: Zijn we gemaakt om te lopen? Wanneer je het vuurrode gezicht en de wankele stap van sommige joggers ziet, zou je denken van niet. En toch is de mens biologisch uitgerust om uren te rennen. Hij is zelfs de beste langeafstandsloper van de natuur! We moeten 3 miljoen jaar teruggaan in de tijd om te begrijpen waar dat genetisch voordeel vandaan komt verklaart de regisseur in zijn gesprekken met etnologen en biologen: vroeger leefden onze viervoetige voorouders in de bomen in Afrika. Een ijstijd later is de weelderige plantgroei helemaal verdwenen. De soort is in levensgevaar met uitzondering van enkele slimmeriken die het idee hebben rechtop te staan. Probleem: hoe zal die ongewapende en fragiele tweevoeter zich voeden? Hij heeft geen voedsel meer binnen handbereik en wordt omringd door wilde dieren of die in elk geval sneller zijn dan hem. De natuurlijke selectie heeft haar werk goed gedaan aangezien hij bij gebrek aan scherpe tanden een sterk uithoudingsvermogen heeft dat beter is dan dat van zijn concurrenten. Door welk wonder? Dat van de thermische regulatie. Het verkoelingscircuit van de meeste zoogdieren gaat door de mond en in het bijzonder door de tong. Het is door te hijgen dat ze hun lichaamstemperatuur doen dalen. Wanneer een dier echter begint te sprinten is zijn bek potdicht en moet hij dus vaak stoppen terwijl de mens een geïntegreerde airconditioning bezit. De volledige oppervlakte van zijn huid en helpt hem om de koelte te bewaren. Dat is zeer nuttig. Hij heeft maar zijn prooi te volgen tot ze uitgeput is of sterft aan hyperthermie. Sinds die tijd zijn we fysiologisch niet veel meer veranderd. Korte tenen, de welving van de plant van de voet, de Achillespees en de spier van het achterwerk zijn perfect aangepast aan lange afstanden, ze fungeren als springveren en beperken tegelijkertijd het energieverbruik. Lopen is dus in de stappen treden van onze verre voorouders. Het is een natuurlijk gebaar terugvinden dat verborgen zit onder lagen van moderne comfort en een sedentair leven. Het is een prozaïsche visie die een beetje het romantisch mysterie van de loopverslaving verdrijft maar het in een historische context, de onze, plaatst en me plots minder gek doet lijken als ik bij het ochtendgloren opsta en met mijn textielharnas door weer en wind ga lopen. Ook al zal het waarschijnlijk niet veel helpen zal ik daar zeer hard aan denken als ik het in de buurt van Tower Hill begin te begeven. Ik zal me proberen inbeelden dat ik een antilope in de savanne probeer op te jagen. En dat mijn overleving er van afhangt. Op dat moment van de wedstrijd zal om het even welke fabel goed zijn om enkele meters te winnen! "Waarover ik praat als ik over hardlopen praat" door Haruki Murakami, uitgeverij Amstelsport, vertaald uit het Japans door Luk van Haute. Murakami als schrijver (Norwegian Wood, 1Q84...), die overal in de wereld gelezen wordt verbergt er een andere, minder bekende, Murakami als marathonloper. Toch zijn die twee kanten van het personage nauw met elkaar verbonden. Zoals hij uitlegt in zijn zelfportret met short en baskets loopt hij omdat hij schrijft. Toen hij 30 was begin de jaren 80 had hij een jazzclub in Tokyo dat redelijk goed boerde. Van de ene dag op de andere heeft hij de zaak verkocht, de stad verlaten met zijn vrouw en beslist een roman te schrijven. Om het gebrek aan fysieke activiteit te compenseren is hij begonnen lopen. Een individuele sport die je overal kunt beoefenen en die goed past bij zijn ietwat nors temparement en zijn zwervende levensstijl. Hij werd er snel verslaafd aan. Hij levert het bewijs wanneer hij zich zonder echte voorbereiding en onder het voorwendsel van een artikel voor een magazine over jogging zich aan een lange eenzame tocht waagt op de mythische baan van Athene-Marathon. Hij slaagt in zijn opzet maar eindigt als een verkoolde zoutpilaar. Dat is niet genoeg om de stachanovist te ontmoedigen (hij loopt elke dag) waarvan de teller sindsdien een twintigtal marathons voor het zelfde aantal jaren aangeeft. Hij schreef zijn introspectief essay in 2005 tussen Hawaï, Boston en Tokyo, in de maanden voor zijn deelname aan het mythische 42K van New York. Hij haalt er min of meer pijnlijke herinneringen naar boven (waarvan een ultramarathon van 100 km dat hij als een bijna mystieke ervaring beleefde en waarvan hij met een gigantische blues terug kwam) en boeddhistisch getinte gedachten over de zin van zijn initiatief. Systematisch zonder zichzelf te ontzien bestudeert de auteur de existentiële kant van de zelfoverschrijding terwijl hij ondertussen ook de gemeenschappelijke trekken tussen het lopen en het schrijven benadrukt. "Ook al is het lichaam niet aan het bewegen, vindt er binnen een moeizame en uitputtende dynamiek plaats. Uiteraard gebruiken we allemaal onze geest als we nadenken. Maar schrijvers trekken een uitrusting aan die we het verhaal of het relaas noemen en het is daarmee dat ze denken, met hun volledige lichaam; voor de schrijver eist die job dat hij al zijn fysieke energie verzamelt en vaak dat hij tot de overbelasting gaat". In de loop van de autoanalyse dat de verborgen bron van zijn werk toont en het intieme bonzen ervan verklaart verbergt zich een onverzettelijke, eigenzinnige en ook lichtjes misantrope persoonlijkheid dat de deugden van het werk, van de discipline en de inspanning boven het talent plaatst. Met zijn Japanse manier op de wereld met wijsheid te omarmen, soms tot in het zoetelijke, belichaamt Murakami perfect de Latijnse spreuk "mens sana in corpore sano".Als je hoopt een marathon rechtstaand af te werken, is het beter goed op voorhand te beginnen. In die extreme uithoudingsoefening heeft de haas uit de fabel geen enkele kans. Je moet niet enkel op tijd vertrekken, je moet ook zorgvuldig getraind zijn. Anders bezwijk je na 30 kilometer. Wilskracht alleen is onvoldoende. Je moet eerst het lichaam droogleggen, de spieren versterken, zorgen dat ze gewoon worden om uren te zwoegen zonder te klagen. Voor een volleerde sportieveling duurt dat minimum drie maanden. De beginneling die de 42 kilometer onder de symbolieke grens van 4 uur wenst af te maken, moet vier à vijf maanden intensieve voorbereiding rekenen. Op basis van het eerbare resultaat van mijn eerste marathon (3u22 in Brussel in oktober laatstleden), mik ik voor Londen op een vork tussen de 3u10 en de 3u20. Goed nieuws: de Engelse hoofdstad is redelijk vlak. Ik zal de Tervurenlaan niet moeten opklimmen, en ook geen enkele col buiten categorie, waarvan mijn optimistische vooruitzichten. Voor zover tenminste de machine geen averij oploopt, de hemel niet op mijn hoofd valt, een opstopping van benen me niet bij de start vertraagt, dat het hart, de longen en de spieren meewillen, enz. Kortom, dat alle parameters op groen blijven en ik me helemaal kan wijden aan de delicate taak mijn lijf tot bestemming te brengen. Als in de refters uit mijn kindertijd varieert het trainingsmenu niet veel van de ene week op de andere. In grote lijnen probeer ik eert een intense fase (15' opwarming en daarna versnel ik gedurende drie kwartier), een softe fase in fundamentele uithouding (een goed uur op 70-75 % van mijn maximale hartslag), een versnipperde fase (15' verwarming en series van 200, 300 of 400 meter op volle toeren) en uiteindelijk een lange fase (minimum 20km) op 80% van mijn capaciteiten. Een klassieke cocktail waarmee ik uithouding en hoog rendement combineer. Om de verveling tegen te gaan zorg ik wissel ik verschillende decors af. Ik loop op de piste, in het bos, de stad of in het groen. Drie maanden voor het beslissende moment, kom ik nu in de kern van de zaak. Er is geen tijd meer te verliezen. De twee volgende maanden worden immers bepalend. Nadien zal ik geleidelijk aan het tempo verminderen om fris en monter, ten minste in theorie, op de startlijn te verschijnen. In februari ben ik van plan alles op de tussenpozen te zetten, wat mij slechts matig enthousiasmeert. Ik weet niet of het de leeftijd is of een kwestie van fysiologische affiniteit maar moeten rennen alsof ik een meute pitbulls achter mij had, is niet echt mijn ding. Ik moet er echter door want het is door tien, vijftien keer na mekaar de snelheid op te drijven dat je krachtiger wordt en dan ook niet moet opgeven bij het eerste hellend vlak. Helaas liep mijn sessie van dinsdag slecht af. Ik was nochtans enthousiast vertrokken, opgetogen dat het klimaat iets minder vochtig was. Mijn voeten streken soepel over de grond en mijn benen volgden zonder inspanning. Mijn hart bonsde zonder dat ik volledig verstikt was . Alles ging goed. Maar bij de negende fase kreeg ik een noodsein van mijn spijsverteringsstelsel. Het was alsof een leger dwergen een kampvuur in mijn ingewanden hadden aangestoken. Ik kreeg een golf van rillingen over me heen gevolgd door een begin van misselijkheid. Op dat moment word je pijnlijk bewust van het feit dat het lichaam een zeer fragiele precisiemachine is. Een beetje zoals een Formule 1, bij de minste onregelmatigheid vlieg je uit de baan. Omdat ik niet van het type ben dat snel opgeeft, heb ik nochtans verder gedaan, met zelfs een eindsprintje. De voorbijgangers die ik tegenkwam moeten zich afgevraagd hebben of ik beslist had er een einde aan te maken toen ze me zagen voortploeteren als een gek, met een korte adem en een lijkbleek gezicht. Ik heb me uit de voeten gemaakt en de kortste weg naar huis genomen...Ik vreesde er al voor. Momenteel laat mijn maag we wat in de steek. De in theorie rustige sessie van donderdag heeft die diagnose enkel maar bevestigd. Zelfs in pianissimo stijl, speelde het anatomische orkest vals. Net of de koperblazers met Mahler huilen terwijl de snaren met Bach zweven.