Dit verhaal verscheen in de olympische special van Sport/Voetbalmagazine van 14 juli 2016.
...

Zomer 1916. Vanaf het strand van Nieuwpoort tot aan de Frans-Zwitserse grens loopt een eindeloos spoor van zweet, tranen en vooral veel bloed. Sinds de herfst van 1914 zit er nog nauwelijks beweging op de westelijke frontlijn. De Duitsers zijn tot staan gebracht, de loopgravenoorlog zit op slot. Bij Verdun proberen de troepen van Kaiser Wilhelm II de Fransen uit te putten en een doorbraak te forceren. Intussen hebben de gezamenlijke Franse en Britse legers aan de Somme een aanval ingezet om de druk op Verdun te milderen.Hanns Braun bekijkt het oorlogsgeweld van hoog in de lucht. Zijn gedachten zijn bij z'n vader Louis, even tevoren op 79-jarige leeftijd gestorven. Een overlijden dat vooral in kunstmiddens niet onopgemerkt is gebleven. Louis Braun, professor aan de Academie voor Beeldende Kunsten in München, geniet bekendheid als schilder van heroïsche oorlogspanorama's. In dienst van het leger legde hij de vorige grote oorlog op doek vast, de Frans-Duitse strijd van 1870.Onze pa had het slagveld nog eens vanuit vogelperspectief moeten kunnen aanschouwen, denkt Hanns, die dit jaar zijn dertigste verjaardag zal vieren en zelf beeldhouwer en schilder is. Bij het uitbreken van de oorlog heeft hij zich als vrijwilliger bij het leger gemeld, zoals zoveel naïeve jongemannen gelokt door avontuur en opgefokt door nationalistische slogans. Vanuit zijn fascinatie voor vliegtuigen zou hij zich al vlug aanbieden voor een opleiding tot piloot.Binnen het Duitse leger staat Braun tijdens de Eerste Wereldoorlog symbool voor viriliteit en weerbaarheid. Hij is in eigen land een levende sportlegende. In de destijds door de Amerikanen en Britten overheerste atletiek gaat hij door voor de man die het Keizerrijk op de internationale kaart heeft gezet. Een passend gevoel van trots vervult hem bij die gedachte, al blijft er de niet ingeloste droom van olympisch goud. Ontelbare keren speelt zich voor zijn ogen de film af van de twee Olympische Spelen waaraan hij deelnam.In Stockholm 1912 behoort Braun, na zijn bronzen medaille van Londen 1908, tot de favorieten op de 800 meter. Bij het luiden van de bel ligt hij nog op goudkoers. De Amerikaan Mel Sheppard, de titelverdediger, is als een speer vertrokken en loopt al de hele race aan de leiding. Zijn landgenoot Ted Meredith volgt in zijn spoor. Braun bewaart vanuit derde positie het overzicht, klaar om toe te slaan. Maar hij weet ook: nooit stond er een beter deelnemersveld aan de start van een olympische 800 meter. Niet voor niets is een nieuw olympisch record voorspeld.Dan gebeurt waar atletiekminnend Duitsland vooraf, met zes Amerikanen aan de start, voor gevreesd had. Ira Davenport komt rechts opzetten en ook de hete adem van Hec Edmundson voelt Braun al in zijn nek. Waar hij ook kijkt, voor zich, naast zich of achter zich, overal ziet de Duitser Amerikanen. Voor hij het goed en wel beseft, is hij ingesloten. Bij het ingaan van de laatste bocht probeert hij buitenom Davenport alsnog voorbij te snellen, maar zijn offensief komt te laat. Moegestreden ziet hij Meredith in de eindspurt Sheppard aftroeven voor goud. Het brons is voor Davenport.Toch zal Braun, die net naast het podium belandt, niet met lege handen terugkeren van Stockholm. Op de 400 meter verovert hij zilver, de derde olympische medaille uit zijn carrière, na vier jaar eerder brons op de 800 meter en zilver op de 1.600 meter estafette. En enkele maanden na de Spelen herstelt Braun ook op de 800 meter de hiërarchie door op andere meetings al zijn tegenstanders te verslaan. Olympisch goud dan maar in 1916?Het vooruitzicht van de Spelen van 1916 laat geen enkele Duitse atleet onberoerd. In de marge van de vijfde olympiade in Stockholm is het de Duitsers eindelijk gelukt om de volgende olympiade naar hun land te halen. Eindelijk, want al sinds 1896, het jaar van de eerste moderne Spelen in Athene, onderneemt Duitsland pogingen om Berlijn als speelstad naar voren te schuiven, ook al lopen sommige Duitsers, zeker in de turnwereld, niet warm voor de Spelen.Een artikel van Journal of Olympic History beschrijft hoe het Duitse aanbod aan het eind van de 19e eeuw eerst niet past binnen de plannen van het Internationaal Olympisch Comité (IOC). Ook beschikt Berlijn lange tijd niet over een financieel plan voor de bouw van een olympisch stadion. Zo gaan de Spelen na Athene achtereenvolgens naar Parijs, Saint Louis, Londen en Stockholm. Maar als ene Viktor von Podbielski voorzitter wordt van het Duits Olympisch Comité, krijgt de Duitse kandidatuur de wind in de zeilen. Net als Wilhelm II is Von Podbielski er rotsvast van overtuigd dat het organiseren van de Spelen het Duitse prestige een serieuze duw in de rug kan geven. Met zijn ervaring in regeringskringen en zijn lidmaatschap van de prominente Berlin Union Club, goed thuis op paardenrenbanen, beschikt hij bovendien over goede connecties. Zo raakt het financiële plaatje onder zijn impuls wel rond.Het stadion komt in Grunewald, een Berlijns stadsdeel waar de Berlin Union Club eerder al een paardenrenbaan liet bouwen. Op 11 augustus 1912, nog geen maand na de Spelen in Stockholm, meldt The New York Times dat de werken aan het olympisch stadion van start gaan. Over de paardenrenbaan schrijft de Amerikaanse krant: 'Die ligt in een immense open plek van een dennenwoud aan de westkant van Berlijn, vanuit het centrum van Berlijn ben je er met de trein op een halfuur.' En over het stadion: 'Er zullen twintig kleine slaapkamers in komen, voor zij die hun training heel laat 's avonds of heel vroeg 's morgens willen afwerken.'De paardenrenbaan is een ontwerp van Otto March, die ook de architect wordt van het olympisch stadion. Na amper tweehonderd werkdagen en nog geen jaar na de toekenning van de Spelen aan Berlijn is het stadion, met zijn 11.500 zitjes, 18.500 staanplaatsen en 3.000 plaatsen rond het zwembad, al klaar. Op 8 juni 1913 volgt de plechtige opening: een ceremonie die veel wegheeft van een hommage aan de keizer, die een kwarteeuw aan de macht is. Duikers plonzen vanaf een toren in het zwembad, worstelaars vechten in Grieks-Romeinse stijl. 'De infrastructuur werd ingewijd met bijna religieus enthousiasme en militaire luister', schrijft The New York Times. 'Meer dan 30.000 mannen, vrouwen en kinderen paradeerden, speelden wedstrijden en gaven atletische demonstraties, zonder pauze of hapering.'Carl Diem wordt secretaris-generaal van het organisatiecomité van de Spelen in Berlijn. In het tijdschrift Fussbal und Leichtathletik verkondigt hij: 'In 1916 moeten we winnen, en wel over de hele lijn.' In 1912 hadden de Duitsers in Stockholm slechts vijf gouden medailles weggekaapt, ondanks hun ruimste olympische delegatie ooit, 185 sporters sterk. Duitsland staat in de aanloop naar 1916 dus nog niet te boek als een uitmuntend sportland. Er moet iets grondig veranderen met het oog op de Spelen in eigen land. In 1913 trekt Diem naar de Verenigde Staten, die in Stockholm goed waren voor liefst 25 gouden medailles. Diem gaat op zoek naar hun geheim. Hij brengt uit de VS Alvin Christian Kraenzlein mee, de eerste atleet die vier individuele olympische medailles won in één jaar, in 1900 in Parijs. Zijn ouders komen uit Würzburg, ook de geboorteplaats van Diem. De eerste taak van Kraenzlein in Duitsland wordt het trainen van sportleraars in het stadion van Berlijn. Later moet Kraenzlein zijn ervaringen delen over het hele land. Er komen ook olympische testcompetities waar medailles te winnen zijn met de beeltenis van Wilhelm II. Universiteiten en scholen moeten hun leerlingen warm maken voor die wedstrijden. Ook het leger, de openbare sector en privébedrijven worden verleid om mee in het verhaal te stappen.Op 16 juni 1914 volgt in Parijs een olympisch congres. Het IOC bespreekt er het programma voor de Spelen van 1916. Bedoeling is om net als in 1908 en 1912 drie grote onderdelen te voorzien: een Games Week (van 28 mei tot 4 juni), een Stadium Week (van 1 tot 10 juli) en een Rowing and Sailing Week (van 12 tot 21 augustus). Voorts wordt de olympische eed ingevoerd. Die zal een atleet van het thuisland voortaan uitspreken bij het begin van de Spelen. Daarmee zal hij in naam van alle atleten beloven de regels te respecteren. Het is een reactie op de diskwalificatie van James Thorpe, de Amerikaanse olympische kampioen van 1912 op de vijfkamp en de tienkamp. Die had eerder in zijn leven geld verdiend met sport, terwijl de Spelen in die tijd nog uitsluitend voorbehouden waren voor amateurs. Naast die eed zal Berlijn in 1916 waarschijnlijk nog een tweede primeur krijgen: bedoeling is dat de pas ontworpen olympische vlag er zal wapperen. Ten slotte leeft het idee om voor het eerst ook een wintersportweek te voorzien.Twaalf dagen na het congres wordt de agenda van de wereld echter omgegooid. Terwijl in het olympisch stadion in Berlijn wedstrijden plaatsvinden in de aanloop naar de Spelen van 1916, richt in Sarajevo een 19-jarige student zijn pistool op aartshertog Frans Ferdinand, de troonopvolger in Oostenrijk-Hongarije, en diens vrouw. De moord brengt een raderwerk van bondgenootschappen op gang en de ene oorlogsverklaring volgt bliksemsnel op de andere.Ook Carl Diem trekt ten strijde. Hij blijft er wel van overtuigd dat de Spelen van 1916 kunnen doorgaan zoals gepland. In een Duitse turnkrant verklaart hij: 'We kunnen er redelijk zeker van zijn dat een moderne oorlog niet lang zal duren, zodat lang vóór de Olympische Spelen de vrede weer zal heersen en mensen zullen verenigd worden in sportcompetities.' Daarmee krijgt Diem echter de Duitse turnwereld over zich heen: 'Nee, heer Diem! De vrede kan terugkeren tegen 1916 en hopelijk zal dat gebeuren. Maar dat we over twee jaar de sporters van Engeland zullen ontvangen, Belgen, Fransen, Russen en hoe al deze dierbare vrienden ook genoemd worden, dat is een gedachte die het schaamrood op iemands wangen moet doen verschijnen. Weg met de internationale Olympia! Weg met alles wat buitenlands is!' De voorzitter van de Deutsche Turnerschaft stelt dat de 'Europese Oorlog' de 'olympische nonsens' de doodsteek heeft gegeven.Pierre de Coubertin, de voorzitter van het IOC, ontvangt intussen voorstellen om de Spelen van 1916 naar elders te verhuizen. Zo bieden San Francisco en Cincinnati zich aan. Maar De Coubertin weigert daar op in te gaan om de eenheid van de olympische beweging niet in het gedrang te brengen. Overigens wil hij ook de traditie van de oudheid bewaren: 'Het mag mislukken om een olympiade te vieren, maar haar nummer blijft.' De zesde olympiade zal dus sowieso de zesde blijven, of die nu doorgaat of niet.Op 1 oktober 1914 ontbindt Von Podbielski het algemeen secretariaat van de zesde olympiade. Ook stopt de Stadion-Kalender, waarmee het Duits Olympisch Comité de clubs regelmatig op de hoogte houdt. In en rond het olympisch stadion van Berlijn worden veldhospitalen opgezet.Ondertussen woedt de oorlog in al zijn gruwel voort. Hij blijft maar duren. Op 25 juni 1916 worden de Duitse linies aan de Somme onderworpen aan een nooit gezien bombardement, de voorbode van een massale geallieerde aanval. In het stadion van Berlijn, dat de zomer voordien opnieuw geopend was voor 'oorlogscompetities' in zwemmen en wielrennen, vinden diezelfde dag de zogenaamde Podbielski-Erinnerungsspiele plaats. Onder de circa 2.000 deelnemers zijn er velen die speciaal voor deze wedstrijden het front even mochten verlaten. Een van de sterren is Fritz Nicolai, een duiker uit Frankfurt. Voor de ogen van 10.000 toeschouwers springt hij in legeruitrusting van tien meter hoog in het zwembad. Ook andere wedstrijden zijn gedrenkt in de oorlogscontext. Zo staat er handgranaatwerpen op het programma en wordt een 75 meter lange obstakelrun gehouden: 'de sporters' moeten schieten met een machine- en infanteriegeweer en handgranaten werpen. Twee jaar lang vinden verscheidene zulke oorlogscompetities plaats. Ook rennen er in 1916 paarden door het stadion van Berlijn, maar van Olympische Spelen is geen sprake meer.De oorlog zal maar enkele weken meer duren wanneer Hanns Braun met zijn Jagdstaffel 34, een dubbeldekker, voor een zoveelste missie het luchtruim wordt ingestuurd richting Frans-Belgische grens. Het is 9 oktober 1918. De opdracht brengt Braun met twee medepiloten naar het spoorwegknooppunt in Cambrai. Wat in deze lang aanslepende oorlog voor de 31-jarige Duitse piloot een routineklus lijkt, loopt faliekant af. Braun raakt met een vleugel een toestel van een van zijn maats, waarna ze allebei neerstorten. De drievoudige olympische medaillewinnaar overleeft het ongeluk niet.Samen met ruim 25.000 landgenoten krijgt Braun een laatste rustplaats op het Soldatenfriedhof in het Praetbos in Vladslo (Diksmuide), waar Het treurende ouderpaar, het wereldberoemde beeldhouwwerk van Käthe Kollwitz, rouwt om hem en alle andere slachtoffers van de oorlog. Braun is een van de zestien olympiërs die begraven liggen in Vlaamse velden en door Herwig Reynaert en Bart Vangrysperre weer tot leven werden gewekt in de grondig gedocumenteerde uitgave Olympiërs in Flanders Fields. De auteurs ramen het totale aantal gesneuvelde olympiërs tijdens de Eerste Wereldoorlog, over alle fronten heen, op ruim vijftig, waarbij vooral het Britse Rijk in de klappen heeft gedeeld.Ook Ted Meredith en Mel Sheppard, de gouden- en zilverenmedaillewinnaars op de 800 meter in Stockholm, zijn niet aan de Groote Oorlog ontkomen. Beide Amerikanen overleven het geweld wel, Meredith als piloot in het leger, Sheppard als 'athletic director' in militaire opleidingskampen. Meredith, acht jaar jonger dan Sheppard, zal nog deelnemen aan de Spelen van 1920.In Belgische olympische kringen valt de oorlogsbalans relatief mee, zo leert het boek Belgische sportmannen in de Groote Oorlog van Roger Vanmeerbeek. Tijdens de Eerste Wereldoorlog telt ons leger 22 soldaten die vóór het uitbreken van het conflict al aan Olympische Spelen hadden deelgenomen, onder wie 14 medaillewinnaars. Slechts één atleet sneuvelt: Antwerpenaar Herman Donners, in het waterpolo goed voor zilver in Londen 1908 en brons in Stockholm 1912.Vijf Belgen die vóór de oorlog een medaille wonnen, slagen erin om hun gemiste kans van Berlijn 1916 goed te maken en na hun passage aan het front opnieuw een medaille te pakken in Antwerpen in 1920. Aan die eerste naoorlogse Spelen doen geen atleten meer mee uit Duitsland, dat niet langer vertegenwoordigd is in het IOC. Ook de Spelen van 1924 gaan aan Duitsland voorbij.Nadien ontdooien de relaties. Exponent daarvan wordt in 1931 de toewijzing van de Spelen van 1936 aan Berlijn. Het is Adolf Hitler, in 1933 aan de macht gekomen, die de plannen goedkeurt voor een nieuwe olympische tempel op de plaats van het oude stadion. Het ontwerp is van Walter en Werner March, twee zonen van Otto, de architect van het oude stadion. Twintig jaar na de afgelaste Spelen van 1916 vormt dit Olympiastadion het decor van de zogenaamde Nazi Games. Vandaag is het stadion de thuishaven van voetbalclub Hertha Berlijn en draagt de toegangsweg ernaartoe de naam Hanns Braunstrasse.