Een asceet, zo zou je deze Gentenaar (geboren in 1942 en daarna uitgeweken naar Deinze) gerust mogen noemen. Getrouwd in 1968, maar geen kind van de rebellie van toen, blijkt uit een portret dat Sport/Voetbal Magazine in september 2013 van hem borstelde. Het was toen dat een einde kwam aan de tweede ambtstermijn van Rogge als voorzitter van het IOC.
...

Een asceet, zo zou je deze Gentenaar (geboren in 1942 en daarna uitgeweken naar Deinze) gerust mogen noemen. Getrouwd in 1968, maar geen kind van de rebellie van toen, blijkt uit een portret dat Sport/Voetbal Magazine in september 2013 van hem borstelde. Het was toen dat een einde kwam aan de tweede ambtstermijn van Rogge als voorzitter van het IOC. Rogge drinkt bijna uitsluitend water, schrijft auteur Frank Van De Winkel. En erop los tateren zul je hem nooit zien doen. 'Echt genieten van een gastronomisch etentje of een goed glas wijn, dat kan ik moeilijk', zei Rogge daarover in 2008 in een biografie. Rogge vond zichzelf ook geen intellectueel, al was hij arts, en las hij graag boeken over geschiedenis, wetenschap of economie. Veel leerde hij van zijn grootvader Jules , die een elektriciteitszaak oprichtte en als hobby koerste, en van zijn vader Charles, die de zaak voortzette als burgerlijk ingenieur elektrotechniek.Iedere zelfstandige weet hoe belangrijk het is om goed met mensen om te kunnen gaan. Een verkoper is hij naar eigen zeggen nooit geworden maar zijn ideeën wist hij altijd goed te verkopen. Rogge was een bruggenbouwer en fan het van 'eerbare Belgische compromis.'Van zijn vader erfde hij de sportmicrobe - papa Rogge deed aan veldhockey, atletiek, roeien en zeilen, en in het strenge Gentse jezuïetencollege Sint-Barbara leert Jacques zijn verantwoordelijkheid nemen. Overigens kon Rogges vader maar net vermijden dat Jacques van school werd weggezonden. Zoonlief had zich op een dag bij een cinemazaal vergaapt aan een sexy affiche van Brigitte Bardot.Als chirurg in de orthopedie zou hij zich later vooral met gehavende knieën bezighouden. Als sporter beleefde hij aan rugby naar eigen zeggen meer plezier dan aan zeilen, zijn eerste sport. Later zullen zijn vrouw en hij nog een andere passie ontwikkelen: moderne kunst. Ze bezoeken tentoonstellingen en galerijen. 'Een rechtlijnig leven met maar aandacht voor één iets, is nooit iets voor mij geweest.'Het belangrijkste in de sport - en ook in het leven, voegde hij er graag aan toe - is niet winnen, maar wel proberen om het maximum uit je mogelijkheden te halen. Wat sport volgens hem zo prachtig maakte, is dat je je grenzen leert aftasten. Deze idealistische, enigszins naïeve fairplaydenkwijze kenmerkte hem. Hij paste ze zelfs op zijn familie toe. Voor de Olympische Spelen van 1996 had zijn zoon Philippe als zeiler een plaats afgedwongen voor België, niet voor hemzelf. Later volgden nog de selectiewedstrijden die Sébastien Godefroid met één punt voorsprong won op Philippe. Het BOIC besliste toen dat niet Philippe maar Sébastien aan de Spelen mocht deelnemen. Godfroid won zilver. Rogge probeerde op geen enkel moment de keuze van de Belgen te beïnvloeden.Philippe trad daarmee in de voetsporen van pa, want Jacques Rogge werd op zijn zeventiende, in 1959, wereldkampioen zeilen in zijn leeftijdscategorie. Vanaf die leeftijd was hij naar eigen zeggen 'een trainingsbeest, dat tussen twintig en dertig uur per week oefende.' Zelfs tijdens zijn geneeskundeopleiding trainde hij tot drie keer per dag: 's morgens tien kilometer lopen, 's middags fitness en 's avonds training op het water. In zijn boek beweerde Rogge wel dat hij niet lang hoefde na te denken over de vraag of hij zich voltijds op het zeilen zou storten. 'Ik wilde chirurg worden.'Anderen, die Rogge van nabij kenden, zoals Roger Vanmeerbeek, hoorden privé wel eens een ander verhaal. Dat Rogge zich op zijn zeventiende zelf wél wilde toespitsen op zeilen maar niet mocht van zijn ouders.Rogge nam als zeiler drie keer deel aan de Olympische Spelen. Niet min voor iemand die altijd zei dat hij niet het grootste talent was, maar resultaten haalde door zijn discipline en doorzettingsvermogen. Tijdens die Spelen werd hij wel nog gepassioneerder door sport dan hij al was.In 1976 trad Jacques Rogge toe tot de raad van bestuur van het Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité, het BOIC. De toenmalige voorzitter, Raoul Mollet , zag het in hem. Bij het BOIC voeren Vanmeerbeek en hij selectiecriteria in voor Belgen die wilden deelnemen aan de Spelen. Die waren streng, om 'toeristen' te vermijden. Rogge was ook de eerste ter wereld die het gedaan kreeg dat kandidaat-olympiërs, in België, onverwacht dopingcontroleurs aan de deur konden krijgen. De strijd tegen doping stond hoog op zijn prioriteitenlijstje. Dat later zijn laatste Spelen als IOC-voorzitter, die van Londen, wel eens in de geschiedenisboeken 'de vuilste Spelen ooit' werden genoemd, moet hem pijn hebben gedaan.Rogge ontpopte zich als sportpoliticus als een hervormer met een moderne visie en gedurfde, maar realistische plannen. Eerst werd hij voorzitter van het BOIC, later ook van de Europese Olympische Comités. In 1991 betrad hij het walhalla van de internationale sportwereld als lid van het IOC. Zeven jaar later trad hij er toe tot het beperkte kransje beleidsbepalers, het uitvoerend comité, en werd hij de belangrijkste IOC-man bij de voorbereiding van de Olympische Spelen in Sydney 2000. In 2001volgde hij Juan Antonio Samaranch op als achtste voorzitter van het IOC. Qua niveau stak hij er met kop en schouders boven uit. Zijn doel was enkel en alleen de sport te dienen. 'Wie me kent, weet dat ik geen tafelspringer ben en mezelf niet graag op de voorgrond plaats', zei hij toen.Dat was nodig, want in het begin van de 21e eeuw leek de topsport totaal ontspoord door doping, corruptie, vriendjespolitiek, ijdeltuiterij en de macht van het geld.Tegenover excessen in de sport zette Rogge zijn schrandere en nuchtere aanpak, stoïcijnse kalmte en zin voor diplomatie. Belangrijk is ook dat hij een visie heeft op hoe de sport in overeenstemming met zijn kernwaarden moet evolueren om succesvol en relevant te blijven. Rogge koos voor ontvetten en moderniseren ten bate van de schoonheid van de sport. Daarbij werkte hij planmatig, als een manager die hij van opleiding nochtans allerminst is. 'Ik probeerde alles kort en beknopt te houden. Ik ben geen romanticus, maar houd van abstract en probleemoplossend denken', omschreef hij het ooit.En zo werd Jacques Rogge dé topsportmanager van het begin van de 21e eeuw. Geen autoritaire baas, geen graaier, geen cijferfetisjist of bullebak in een ivoren toren. Wel iemand die koos voor dialoog, goed communiceerde en daarbij onkreukbaar en bescheiden bleef. De sportmanager die tijdens de Spelen liever in het atletendorp logeerde, in een Spartaans kamertje, dan in een hotel met vijf sterren. Een ploegspeler met aandacht voor deugdelijk bestuur en ethiek, die zich bewust is van de maatschappelijke rol van het IOC. Geen opportunist maar een idealist. Een inspirator, een bruggenbouwer.Hij ontpopte zich als harde werker. Niet bang ook om dingen af te stoten als ze niet tot de kerntaken behoorden. In zijn twaalf jaar voorzitterschap nam hij hooguit een keer of drie de tijd om op het meer van Genève te gaan zeilen, vertelde hij in een interview met Le Soir. Zijn werkdagen begonnen rond acht uur en eindigden tussen zeven en acht 's avonds. Het plichtsbewustzijn was enorm.De media heeft hij vaak op zijn hand. Journalisten hadden altijd het gevoel dat hij hield van het debat, en dat je met hem een zeer diepgaand gesprek kon voeren. Nooit deed hij daarbij uit de hoogte.De twaalf jaar voorzitterschap had Rogge wel fel verouderd. Het ritme dat hij zichzelf oplegde was intens en dat hoorde je aan zijn stem die het op het einde soms liet afweten. Naast het vele werk steeds hollen van receptie naar toespraak naar academische zitting naar diner, dat had zijn impact. Na zijn afscheid verdween Rogge dan ook in de luwte.