Een schitterend afgelopen sportweekend was het voor ons land, met vijf medailles op het EK indooratletiek in Torun, de zilveren plak van Hanne Desmet op het WK shorttrack en de gouden medaille van judoka Toma Nikiforov op het grandslamtoernooi van Tasjkent.

We zien onze Belgische atleten graag schitteren, maar elke medaille heeft ook een keerzijde. Zéker in deze coronatijden met voor sommige sporters beperkte trainingsmogelijkheden en competities.

En dan klinken twee vragen steeds luider, naarmate de uitgestelde Olympische Spelen van Tokio naderen: moeten politici en gezondheidsexperts onze olympiërs voorrang geven in de vaccinatiestrategie? En willen wij, als jonge gezonde volwassenen, überhaupt een vaccin?

Wat dat laatste betreft, moet ik toegeven dat ik in het begin sterk getwijfeld heb, zelfs met mijn medische kennis als verpleegkundige. Er was aanvankelijk weinig bekend over de vaccins, en dan vraag je je als topatleet automatisch af: welke impact zal dat geven op mijn fysieke paraatheid? Maar toen ik daarna alle puzzelstukjes samenlegde, was een vaccin de enige, juiste oplossing.

Niet alleen voor mezelf, óók voor anderen. Als je als atleet deelneemt aan een toernooi met elfduizend atleten van over de hele wereld, dan draag je ook een verantwoordelijkheid. We willen allemaal dat de Spelen komende zomer een sportief feest worden. Niet dat ze de geschiedenis ingaan als een superverspreiderevent.

Een exacte planning van een vaccin voor olympiërs is essentieel. En daar wringt het schoentje.

Voorrang krijgen

Een misschien nog gevoeliger thema is de prioriteit voor olympiërs in de vaccinatiestrategie. Dat blijkt ook uit de verschillende keuzes van nationale olympische comités en regeringen over de hele wereld: in het ene land zijn atleten al ingeënt, andere landen houden dan weer de boot af. Elk standpunt heeft voor- en tegenstanders.

Puur op ménselijk vlak denk ik dat ik voor het overgrote deel van de Belgische olympiërs mag spreken als ik zeg dat wij pas ná de ouderen en de kwetsbare doelgroepen, en niet vroeger dan de rest van de bevolking, een vaccin zouden mogen en willen krijgen. Wij zijn niet meer dan iemand anders omdat we komende zomer in Tokio een sportprestatie moeten leveren.

Dat is ook de - heel terechte - redenering van veel mensen. Toch heeft niet iedereen zicht op wat 'naar de Spelen gaan' precies inhoudt. En hoe belangrijk prestaties op dat allergrootste sporttoernooi zijn. Voor veel olympiërs uit 'kleine' sporten hangt daar zelfs hun inkomen van af.

Samen met die druk gaat ook ontzettend veel werk, planning en opofferingen gepaard. Moeilijk te vatten als je zelf geen topatleet bent of als je als begeleider of gezinslid niet bij zijn of haar voorbereiding betrokken bent.

We willen allemaal dat de Spelen komende zomer een sportief feest worden. Niet dat ze de geschiedenis ingaan als een superverspreiderevent.

Balanceren op dunne koord

Die voorbereiding duurt voor veel olympische atleten intussen al bijna vijf jaar. Vijf jaar waarin ze elke dag, elke training naar elk procentje winst hebben gezocht om op een ethisch verantwoorde manier beter te zijn dan hun concurrenten.

De komende maanden, in directe aanloop naar de Spelen, worden die trainingen en marginal gains nóg crucialer. Wordt living on the edge nog meer het leidmotief van topsporters. Voortdurend balanceren op een koord tussen gezond en (soms) ongezond leven en trainen. Waarbij we bovendien rekening moeten houden met sportieve en logistieke zaken.

Een exacte planning van een vaccin is daarin essentieel. En net daar begint het schoentje te wringen. Na een inenting moeten we - zelfs zonder reactie op het vaccin - immers enkele dagen tot een week rustiger trainen. Zo niet, dan plegen we roofbouw op ons lichaam.

Wij zijn niet meer dan iemand anders omdat we komende zomer in Tokio een sportprestatie moeten leveren.

Daarnaast moeten we kijken naar wélk vaccin er toegediend zal worden. Bij dat van AstraZeneca zitten er twaalf weken tussen de eerste en tweede inenting. Hoe pas je dat in tijdens een olympische voorbereiding?

Stel dat we als atleten eind maart al een eerste prik kunnen krijgen - wishful thinking natuurlijk - dan volgt in dat béste geval pas eind juni het tweede vaccin. Amper een maand voor de start van de Spelen op 23 juli, wanneer we de laatste hand aan de voorbereiding leggen... Als je weet dat het tweede vaccin extra neveneffecten kan veroorzaken, dan wordt dat een close call.

Ik heb dan nog het geluk dat ik al gekwalificeerd ben voor de olympische marathon. Maar wat met atleten die zich op allerhande toernooien nog moeten plaatsen? Hoe moeten die twee vaccinaties inplannen, tussen misschien ook verschillende stages in het buitenland?

Voor alle duidelijkheid: het gaat er niet om dat wij als atleten als éérste gevaccineerd moeten worden, vroeger dan de 'gewone' bevolking. Het gaat, alle menselijke en ethische aspecten buiten beschouwing gelaten, vooral om de plánning en een mogelijke reactie op het vaccin die van groot belang zijn voor topsporters. Met het oog daarop kan het in de VS al goedgekeurde Johnson & Johnsonvaccin, met slechts één inenting, mogelijk een groot verschil betekenen.

Wat met atleten die zich op allerhande toernooien nog moeten plaatsen? Hoe moeten die twee vaccinaties inplannen?

Flexibel reageren

Conclusie: hoe vroeger we als olympiërs onze eerste, of zelfs énige, prik krijgen, hoe beter we ons trainings- en competitieschema kunnen aanpassen. Hoe dichter tegen de Spelen een (tweede) vaccin echter wordt toegediend, hoe minder speling en ruimte voor improvisatie.

Stof om over na te denken dus, maar die bal ligt niet in ons kamp. Wat de beslissing van de politici en de gezondheidsexperts ook wordt, we zullen ons daar zo goed mogelijk op moeten afstemmen. En flexibel op reageren. Een skill die we het afgelopen jaar ontzettend goed hebben kunnen ontwikkelen...

Een schitterend afgelopen sportweekend was het voor ons land, met vijf medailles op het EK indooratletiek in Torun, de zilveren plak van Hanne Desmet op het WK shorttrack en de gouden medaille van judoka Toma Nikiforov op het grandslamtoernooi van Tasjkent.We zien onze Belgische atleten graag schitteren, maar elke medaille heeft ook een keerzijde. Zéker in deze coronatijden met voor sommige sporters beperkte trainingsmogelijkheden en competities.En dan klinken twee vragen steeds luider, naarmate de uitgestelde Olympische Spelen van Tokio naderen: moeten politici en gezondheidsexperts onze olympiërs voorrang geven in de vaccinatiestrategie? En willen wij, als jonge gezonde volwassenen, überhaupt een vaccin?Wat dat laatste betreft, moet ik toegeven dat ik in het begin sterk getwijfeld heb, zelfs met mijn medische kennis als verpleegkundige. Er was aanvankelijk weinig bekend over de vaccins, en dan vraag je je als topatleet automatisch af: welke impact zal dat geven op mijn fysieke paraatheid? Maar toen ik daarna alle puzzelstukjes samenlegde, was een vaccin de enige, juiste oplossing.Niet alleen voor mezelf, óók voor anderen. Als je als atleet deelneemt aan een toernooi met elfduizend atleten van over de hele wereld, dan draag je ook een verantwoordelijkheid. We willen allemaal dat de Spelen komende zomer een sportief feest worden. Niet dat ze de geschiedenis ingaan als een superverspreiderevent.Een misschien nog gevoeliger thema is de prioriteit voor olympiërs in de vaccinatiestrategie. Dat blijkt ook uit de verschillende keuzes van nationale olympische comités en regeringen over de hele wereld: in het ene land zijn atleten al ingeënt, andere landen houden dan weer de boot af. Elk standpunt heeft voor- en tegenstanders.Puur op ménselijk vlak denk ik dat ik voor het overgrote deel van de Belgische olympiërs mag spreken als ik zeg dat wij pas ná de ouderen en de kwetsbare doelgroepen, en niet vroeger dan de rest van de bevolking, een vaccin zouden mogen en willen krijgen. Wij zijn niet meer dan iemand anders omdat we komende zomer in Tokio een sportprestatie moeten leveren.Dat is ook de - heel terechte - redenering van veel mensen. Toch heeft niet iedereen zicht op wat 'naar de Spelen gaan' precies inhoudt. En hoe belangrijk prestaties op dat allergrootste sporttoernooi zijn. Voor veel olympiërs uit 'kleine' sporten hangt daar zelfs hun inkomen van af.Samen met die druk gaat ook ontzettend veel werk, planning en opofferingen gepaard. Moeilijk te vatten als je zelf geen topatleet bent of als je als begeleider of gezinslid niet bij zijn of haar voorbereiding betrokken bent.Die voorbereiding duurt voor veel olympische atleten intussen al bijna vijf jaar. Vijf jaar waarin ze elke dag, elke training naar elk procentje winst hebben gezocht om op een ethisch verantwoorde manier beter te zijn dan hun concurrenten.De komende maanden, in directe aanloop naar de Spelen, worden die trainingen en marginal gains nóg crucialer. Wordt living on the edge nog meer het leidmotief van topsporters. Voortdurend balanceren op een koord tussen gezond en (soms) ongezond leven en trainen. Waarbij we bovendien rekening moeten houden met sportieve en logistieke zaken.Een exacte planning van een vaccin is daarin essentieel. En net daar begint het schoentje te wringen. Na een inenting moeten we - zelfs zonder reactie op het vaccin - immers enkele dagen tot een week rustiger trainen. Zo niet, dan plegen we roofbouw op ons lichaam.Daarnaast moeten we kijken naar wélk vaccin er toegediend zal worden. Bij dat van AstraZeneca zitten er twaalf weken tussen de eerste en tweede inenting. Hoe pas je dat in tijdens een olympische voorbereiding?Stel dat we als atleten eind maart al een eerste prik kunnen krijgen - wishful thinking natuurlijk - dan volgt in dat béste geval pas eind juni het tweede vaccin. Amper een maand voor de start van de Spelen op 23 juli, wanneer we de laatste hand aan de voorbereiding leggen... Als je weet dat het tweede vaccin extra neveneffecten kan veroorzaken, dan wordt dat een close call.Ik heb dan nog het geluk dat ik al gekwalificeerd ben voor de olympische marathon. Maar wat met atleten die zich op allerhande toernooien nog moeten plaatsen? Hoe moeten die twee vaccinaties inplannen, tussen misschien ook verschillende stages in het buitenland?Voor alle duidelijkheid: het gaat er niet om dat wij als atleten als éérste gevaccineerd moeten worden, vroeger dan de 'gewone' bevolking. Het gaat, alle menselijke en ethische aspecten buiten beschouwing gelaten, vooral om de plánning en een mogelijke reactie op het vaccin die van groot belang zijn voor topsporters. Met het oog daarop kan het in de VS al goedgekeurde Johnson & Johnsonvaccin, met slechts één inenting, mogelijk een groot verschil betekenen.Conclusie: hoe vroeger we als olympiërs onze eerste, of zelfs énige, prik krijgen, hoe beter we ons trainings- en competitieschema kunnen aanpassen. Hoe dichter tegen de Spelen een (tweede) vaccin echter wordt toegediend, hoe minder speling en ruimte voor improvisatie.Stof om over na te denken dus, maar die bal ligt niet in ons kamp. Wat de beslissing van de politici en de gezondheidsexperts ook wordt, we zullen ons daar zo goed mogelijk op moeten afstemmen. En flexibel op reageren. Een skill die we het afgelopen jaar ontzettend goed hebben kunnen ontwikkelen...