De wetenschappers becijferden hoeveel medailles elk land had moeten behalen op WK's en de Olympische Spelen in de periode 2009-2012, rekening houdend met factoren als bevolkingsaantal en welvaart. België had volgens het rapport 29 medaillepunten moeten winnen: goud is daarbij drie punten waard, zilver twee en brons één punt. De Belgische atleten behaalden maar 18 punten met 11 podiumplaatsen. Dat is drie wereldtitels en één zilver onder ons potentieel. Van alle onderzochte landen doet alleen Estland het nog slechter. Sportnaties als Australië en Nederland scoren dan weer veel beter dan verwacht.

Daarbij valt op dat de Franstaligen veruit de grootste bijdrage leveren aan de Belgische medaillewinst. Denk de zeiltriomfen van Evi Van Acker weg en sportland Vlaanderen bestaat amper nog. 'Franstalig België presteert óók slecht en staat qua beleid zelfs mijlen achter op Vlaanderen. Dat is zeker niet het te volgen voorbeeld', zegt professor Veerle De Bosscher, die namens de Vrije Universiteit Brussel het SPLISS-onderzoeksteam leidde. 'De vergelijking met efficiënte sportlanden als Nederland of Denemarken is nog veel confronterender. Zij bewijzen dat je ook als klein land kunt uitblinken.' Het Nederlandse sportsucces is bekend, maar ook de Denen wonnen op de laatste Olympische Zomerspelen 9 medailles, en dat met 1 miljoen inwoners minder dan Vlaanderen en een budget dat niet zoveel hoger ligt.

Medailles werden 'duurder'

De laatste tien jaar zijn de Vlaamse budgetten voor topsport al verdrievoudigd, kennelijk zonder resultaat. 'Het probleem is dat alle landen hun budgetten hebben verhoogd en daardoor zijn we in feite nog steeds op achtervolgen aangewezen', stelt professor De Bosscher. Medailles werden 'duurder' en traditionele sportlanden verliezen terrein aan nieuwe grootmachten als Brazilië, Japan, Zuid-Korea en China. De internationale concurrentie nam zozeer toe dat een land ook door meer te investeren blijft stilstaan of zelfs achteruitgaat, stelt de sportwetenschapster. 'Vroeger waren we budgettair een ontwikkelingsland, en nog steeds heeft onze sportwereld weinig overschot. Maar als we onze middelen goed inzetten, zie je wél resultaten. Ik denk aan het succesverhaal van de ploegsporten. In het volleybal, het voetbal en het hockey staan onze nationale teams er weer. Dat leverde tot nu toe geen medailles op, maar je moet eerst de subtop bereiken voor je aan het podium mag denken.'

Zwakke plekken

Het SPLISS-rapport geeft de Vlaamse topsport op drie domeinen een onvoldoende: infrastructuur, ondersteuning van coaches en het organiseren van internationale evenementen. Drie zwakke plekken die alleen aan te pakken vallen door er opnieuw een flinke zak geld tegenaan te gooien. Op één terrein blinkt de Vlaamse sportwereld wel uit volgens de SPLISS-studie: de ontdekking en ontwikkeling van jong sporttalent is hier efficiënt georganiseerd. De vaak bekritiseerde topsportscholen doen het dan toch niet zo slecht. (JVB)

De wetenschappers becijferden hoeveel medailles elk land had moeten behalen op WK's en de Olympische Spelen in de periode 2009-2012, rekening houdend met factoren als bevolkingsaantal en welvaart. België had volgens het rapport 29 medaillepunten moeten winnen: goud is daarbij drie punten waard, zilver twee en brons één punt. De Belgische atleten behaalden maar 18 punten met 11 podiumplaatsen. Dat is drie wereldtitels en één zilver onder ons potentieel. Van alle onderzochte landen doet alleen Estland het nog slechter. Sportnaties als Australië en Nederland scoren dan weer veel beter dan verwacht. Daarbij valt op dat de Franstaligen veruit de grootste bijdrage leveren aan de Belgische medaillewinst. Denk de zeiltriomfen van Evi Van Acker weg en sportland Vlaanderen bestaat amper nog. 'Franstalig België presteert óók slecht en staat qua beleid zelfs mijlen achter op Vlaanderen. Dat is zeker niet het te volgen voorbeeld', zegt professor Veerle De Bosscher, die namens de Vrije Universiteit Brussel het SPLISS-onderzoeksteam leidde. 'De vergelijking met efficiënte sportlanden als Nederland of Denemarken is nog veel confronterender. Zij bewijzen dat je ook als klein land kunt uitblinken.' Het Nederlandse sportsucces is bekend, maar ook de Denen wonnen op de laatste Olympische Zomerspelen 9 medailles, en dat met 1 miljoen inwoners minder dan Vlaanderen en een budget dat niet zoveel hoger ligt.De laatste tien jaar zijn de Vlaamse budgetten voor topsport al verdrievoudigd, kennelijk zonder resultaat. 'Het probleem is dat alle landen hun budgetten hebben verhoogd en daardoor zijn we in feite nog steeds op achtervolgen aangewezen', stelt professor De Bosscher. Medailles werden 'duurder' en traditionele sportlanden verliezen terrein aan nieuwe grootmachten als Brazilië, Japan, Zuid-Korea en China. De internationale concurrentie nam zozeer toe dat een land ook door meer te investeren blijft stilstaan of zelfs achteruitgaat, stelt de sportwetenschapster. 'Vroeger waren we budgettair een ontwikkelingsland, en nog steeds heeft onze sportwereld weinig overschot. Maar als we onze middelen goed inzetten, zie je wél resultaten. Ik denk aan het succesverhaal van de ploegsporten. In het volleybal, het voetbal en het hockey staan onze nationale teams er weer. Dat leverde tot nu toe geen medailles op, maar je moet eerst de subtop bereiken voor je aan het podium mag denken.'Het SPLISS-rapport geeft de Vlaamse topsport op drie domeinen een onvoldoende: infrastructuur, ondersteuning van coaches en het organiseren van internationale evenementen. Drie zwakke plekken die alleen aan te pakken vallen door er opnieuw een flinke zak geld tegenaan te gooien. Op één terrein blinkt de Vlaamse sportwereld wel uit volgens de SPLISS-studie: de ontdekking en ontwikkeling van jong sporttalent is hier efficiënt georganiseerd. De vaak bekritiseerde topsportscholen doen het dan toch niet zo slecht. (JVB)