Zes medailles en negentien atleten bij de eerste acht van hun discipline, dat was het uitzonderlijke bilan van de Belgen op de Olympische Spelen van Rio in 2016. Dat resultaat kwam niet uit de lucht gevallen, het was de vrucht van jaren werk door het BOIC, ondanks een vaak beperkt budget en een eerder schimmige topsportpolitiek. Met het oog op Tokio, en wat verder in de toekomst Parijs, vertelt Philippe Vander Putten over zijn Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité.
...

Zes medailles en negentien atleten bij de eerste acht van hun discipline, dat was het uitzonderlijke bilan van de Belgen op de Olympische Spelen van Rio in 2016. Dat resultaat kwam niet uit de lucht gevallen, het was de vrucht van jaren werk door het BOIC, ondanks een vaak beperkt budget en een eerder schimmige topsportpolitiek. Met het oog op Tokio, en wat verder in de toekomst Parijs, vertelt Philippe Vander Putten over zijn Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité. Topsport staat in België blijkbaar niet erg hoog op de agenda, vindt u niet? Philippe Vander Putten: 'Als je vergelijkt met andere landen, zoals Nederland bijvoorbeeld, dan is die vaststelling terecht. Maar we hebben te vaak de neiging om topsport en recreatiesport tegenover elkaar te plaatsen, terwijl dat een ernstige fout is. De ene voedt de andere. Van zodra onze landgenoten zeer goede prestaties leveren, heeft dat een effect op de trainingen van de jeugd, die haar best gaat doen om die podiumdroom ook waar te maken. 'We zien dat nu bijvoorbeeld met het hockey en indertijd was dat zo met het tennis in de periode van Justine Henin en Kim Clijsters. Daaruit ontstaat een positieve flow waardoor nieuwe talenten aan de oppervlakte komen. En zo heb je de kans om nog meer goeie prestaties te krijgen.' Om die topsportcultuur te ontwikkelen moeten de resultaten goed zijn en in België zijn die dat ook. Hoe verklaart u dat? Vander Putten: 'Door duidelijke keuzes te maken. Als er niet veel geld is, moet je keuzes durven te maken. Het is jammer voor degenen die uit de boot vallen, maar je moet de lat hoog durven te leggen. Dat zien we bijvoorbeeld met ons project BeGold, maar ook met de atleten die gesteund worden door het BOIC. We zetten daar veel middelen voor in, zowel op de talentdetectie als op de omkadering, om niets aan het toeval over te laten. Dat werpt vruchten af. 'In de sport moet je aandacht hebben voor het kleinste detail, want dat kan het verschil maken in de competitie. Voor Tokio bijvoorbeeld hebben we bijzonder veel aandacht voor de hitte en de vochtigheid door naar oplossingen te zoeken om met die omstandigheden om te gaan en te zien hoe de atleten die het best kunnen verdragen. Dat zijn details die tot goede resultaten kunnen leiden.' Zijn er volgens u nog dingen te verbeteren? Vander Putten: 'Als onze middelen onbeperkt zouden zijn, dan zou er natuurlijk nog heel wat te verbeteren vallen. Ik ga een voorbeeld nemen uit Rio. Twee jaar op voorhand, in 2014, hadden de Amerikanen iemand voltijds naar de baai van Rio gestuurd om er zoveel mogelijk gegevens te verzamelen over de wind, de zee, de golven, enzovoort. Alleen al om meer medailles te behalen in het zeilen. Op basis van die gegevens konden de atleten beter anticiperen op de omstandigheden. Dat kunnen wij niet. Alleen de grote landen zijn daartoe in staat. Met onze beperkte middelen proberen wij die elementen te selecteren die het meeste impact hebben. we halen het maximum uit ons geld.' Hoeveel is het totale budget van het BOIC? Vander Putten: 'Dat verschilt van jaar tot jaar. De olympische jaren zijn over het algemeen duurder, maar een normaal jaarbudget draait tussen de 10 en de 12 miljoen euro. Voor Tokio bedraagt het budget 3,3 miljoen voor de Olympische Spelen en 500.000 euro voor de Paralympische Spelen. Dat is dus een flinke hap uit het jaarbudget.'Waar staat het budget van België in vergelijking met andere landen? Vander Putten: 'Dat is moeilijk te vergelijken, want het ene olympisch comité is het andere niet. Als je dat van Nederland neemt, hun budget is dat van Sport Vlaanderen, ADEPS en Oost-België opgeteld. Het is dus moeilijk om een helder beeld te krijgen. Wat we wel al geanalyseerd hebben, is ons niveau van investering in topsport, ongeacht uit welke hoek. Op dat punt doet België het minder slecht dan in het verleden, ook al staan we nog ver af van de grote landen. En er is een verband tussen die investering en de resultaten. We moeten de politiek en de bevolking dus overtuigen door te tonen dat topsport een belangrijke bron van motivatie, integratie en zelfvertrouwen is. Maar we dromen ook niet, met de huidige politici zal het budget niet verdubbeld worden.' Bemoeilijkt het uw werk dat we in België meerdere ministers van Sport hebben? Vander Putten: 'Laat ons zeggen dat het de zaken niet gemakkelijker maakt. Maar we moeten pragmatisch blijven. Zo is de situatie nu eenmaal in België en dat zal niet snel veranderen. We hebben dus platformen gecreëerd om er het beste uit te halen zodat al onze topsportpartners - of het nu gaat om Sport Vlaanderen, ADEPS of Oost-België - hun politiek op elkaar kunnen afstemmen. Het is op dat niveau dat er beslist wordt of een atleet of een team ondersteund wordt, zoals bijvoorbeeld het hockey, dat we jaarlijks 600.000 euro toekennen boven op het geld dat door de gemeenschappen al wordt vrijgemaakt. We werken ook met veel transparantie en we werken met iedereen samen.'Door Samuel Gothot