Ook in het geval van ondergetekende. Er hangt namelijk een oude discussie aan vast, die teruggaat tot de redactie van Knack. In 2004 (ik schreef toen voor 'De Morgen') had ik de eer en vooral het genoegen om voorwerp te zijn van de satire van Knack-collega Koen Meulenaere. Ik had in de krant een stuk geschreven waarin ik mijn ontgoocheling had uitgedrukt over David Millar, die op dat ogenblik op doping was betrapt en dat, anders dan veel anderen, ook meteen had toegegeven. Ik had dopinggebruik van vele renners kunnen en vooral willen geloven, maar niet van Millar. Waarom? Voor zover ik hem als journalist kende, vond ik hem een klassevent. Een renner met verstand - niet alleen koersintellect, maar gewoon, iemand die wereld en samenleving niet hersenloos overschouwde. Maar ook David Millar zat dus aan de epo. Mijn krantenstuk werd voorwerp van in Vlaanderen bekende en gevreesde en zeker bij Knack-lezers erg gesmaakte satire van Koen Meulenaere. "Walter is nog maar eens een illusie kwijt."

Natuurlijk had Koen Meulenaere gelijk. Maar ik ook. Meulenaere waste me de oren. Zijn doping was: het is als journalist gevaarlijk en zelfs onprofessioneel om naïef te zijn. Zeker wat doping in het peloton betreft. Ga er maar van uit dat iedereen pakt, en spreek niemand vrij omdat hij verstandiger of meer gentlemanlike oogt dan anderen. Dat is natuurlijk zo.

Want de meeste wielerliefhebbers lijden soms aan acute (of is het chronische?) amnesie wat de recente geschiedenis van hun eigen sport betreft. De meeste erelijsten zijn aangetast door een hardnekkige kanker: die van de doping (en van de hoogst inconsequente vorm van bestraffing ervan, maar dat is voor een ander stuk). Na de Tour van 1998, de beruchte Festina-Tour, dachten we nog, héél even, dat er een boze periode was afgesloten. De rotste appels waren eruit, ploegen die zich als semicriminele organisaties gedroegen werden ontmanteld. En bij de volgers was de naïviteit weg. Dat Marco Pantani die uitgedunde Tour won, zagen de meeste volgers als een overwinning van de pure klimmer, het echte talent, tegen de verdorven machtsmensen die met steeds grotere versnellingen het wielrennen stuk stampten. De plotse nederlaag van super favoriet en machtsmens Jan Ullrich werd dus breed geapprecieerd, vooral door liefhebbers van het 'echte wielrennen'. En het peloton zat diep, want een paar ritten voor het einde stapten de vier aanwezige Spaanse ploegen op - Once, Banesto, Vitalicio, Kelme - en dat nadat Festina, TVM en Riso Scotti-MG of reeds uit de Tour waren gezet of zelf hun renners uit de wedstrijd hadden teruggetrokken. In Parijs reed een pelotonnetje met amper 96 renners over de Champs Elysées. Maar dat was de prijs voor een propere sport. Dachten we.

Een jaar later plukken de Italiaanse dopingjagers diezelfde Marco Pantani van zijn bed, vlak voor het einde van een Giro waar hij de roze trui droeg. Een ter plaatse afgenomen bloedtest toont aan dat Pantani te hoog hematocriet heeft - die 'gezondheidstest' was toen het enige middel om renners (tijdelijk) te schorsen wegens het toen nog onvindbare epo. En de Tour de France werd een prooi voor Lance Armstrong, de herrezen kankerpatiënt die furore maakte met het trappen van een ongewoon kleine versnelling. De hemel klaarde open: doping was een boze nachtmerrie uit het recente verleden.

Al moesten we voortduren het hoofd wegdraaien van incidenten die maar bleven komen. Vanaf 1999 begon ook de pijnlijke sage van de jonge God Frank Vandenbroucke die ineens ook door een zekere dokter Mabuse werd 'gecoacht'. In 2002 laat Jan Ullrich zich betrappen op een partydrug. In 2003 rouwt het peloton om het verdachte overlijden van de Spaanse klimmer José-Marie Jimenez, de man die de Angliru als geen ander kon bedwingen, maar die zelfs het hoofd boog voor drugs allerhande. Het is de waanzin ten top, maar Jiminez werd depressief van pep.

Eerst lijken het verdachtmakingen, dan worden het echte beschuldigingen, nadien een stortvloed van zo niet bewijzen, dan toch wel aanwijzingen. En uiteindelijk zijn er haast te veel getuigenissen en verklaringen tegen Lance Armstrong zelf. Over georganiseerd gebruik van doping binnen zijn ploeg. En het bleef niet beperkt tot de ronderenners. In België en Nederland gingen we er namelijk gemakkelijk van uit dat dààr het probleem lag, bij renners die moesten recupereren, en veel minder bij specialisten van klassiekers - versta: bij Belgen en Nederlanders. Na Frank Vandenbroucke, raakten Johan Museeuw en co raakten verstrikt in de 'wespen'-affaire. En ook mountainbiker Filip Meirhaeghe moest opbiechten dat hij gedaan had wat niet mocht en kon. Armstrong is trouwens amper renner-af of de eerste start van een Armstrong-loze Tour, Straatsburg 2006, is meteen voorwerp van een vervolg op de Festina-affaire. Als gevolg van Operacion Puerte in Spanje worden zowat alle toprenners van het jaar voordien (Jan Ullrich, Ivan Basso - die net de Giro had gewonnen - en Francisco Mancebo nog voor de start van de deelnemerslijst geschrapt). En het bleef maar duren, want drie dagen na de Tour was Floyd Landis zijn gele trui al kwijt. En ook Sirhiy Honchar, de winnaar van twee tijdritten, bleek een onverbeterlijke dopingzondaar. En meteen waren ook de kiemen voor de schandaal-editie van 2007 gelegd, want Honchar reed voor T-Mobile, het voormalige Telekom. Daar hadden de beleidsverantwoordelijken altijd gezegd dat ze de medische begeleiding van hun renners toevertrouwden aan de Universiteit van Freiburg. Klopt ook, maar wel - zo bleek - om ze daar een georganiseerde en hypergesofisticeerde dopingkuur te laten ondergaan.

In die Tour van 2006 moest Rabobank na de laatste bergrit gele trui Michael Rasmussen uit koers nemen, omdat die had gelogen over zijn where-abouts. Waarop Rasmussen repliceerde dat Rabobank wist waar hij zat. Tijdens die Tour kwam ook het geheime T-Mobile-systeem in de openbaarheid, en werd de onvermijdelijke Kazach Vinokorouv ook op doping betrapt. Waarna de gele trui toekwam aan de tweede in de stand, de Spanjaard Alberto Contador. Dat was pas een pure klimmer, dachten we. Even vergetend dat hij één van de renners was van de (uitgesloten) ploeg van Manolo Sainz die het jaar voordien was genoemd in 'Operacion Puerto'. Die het jaar nadien niet mocht starten in de Tour 2008 (wegens dopingperikelen van zijn nieuwe ploeg-) - een Tour waar zowel de winnaar van de bollentrui (Bernhard Kohl) als de winnaar van de twee lange tijdritten (Stefan Schumacher) uitgesloten werden wegens doping. De twee edities nadien won Alberto Contador wel. Het eindigde zéér in mineur toen hij zich op de laatste rustdag in Pau, voor de cruciale finalerit naar de top van de Tourmalet, liet betrappen op een micro-micro-microdosis - u kent de befaamde beelden wel. Contador verzette zich hevig tegen elke insinuatie, maar bleek het jaar in de Tour niet meer tot de prestaties van voorheen in staat: niet meer in de cols en evenmin tegen de klok (in 2009 had hij de toen schier onklopbare Fabian Cancellara nog afgetroefd in de - enige- lange tijdrit dat jaar.) En intussen blijft de affaire-Armstrong etteren. Een heel grote, maar allerminst volledige omweg om te zeggen. Ja, Koen Meulenaere heeft helaas gelijk: in het wielrennen pas achterdocht. Want we hebben hier alleen een vliegende geschiedenis van de Tour de France gemaakt. Die van de Giro d'Italia en de Vuelta d'Espagna zijn niet fraaier. Het is een probleem dat de hele sport treft, in al haar geledingen, over de jaren heen. Vandaar die achterdocht, dat altijd oppassend zijn, dat wel. Ongeremd genieten: het is moeilijk geworden. Hoe onrechtvaardig dat ook is voor hen die wel zuiver rijden, of waarvan we aannemen dat zij dat toch doen.

En toch had ook ik gelijk in mijn beoordeling van David Millar. Hij was een gentleman en zou dat ook blijven, ondanks (of juist) door wat er fout gelopen was in zijn leven. Wat opvalt bij de meeste dopingzaken, is dat de daders die toch hun onschuld uitschreeuwen of hun gedrag vergoelijken, veruit in de meerderheid zijn. Richard Virenque en Floyd Landis schreven zelfs boeken waarin ze hun onschuld uitriepen - Virenque had zelfs het lef dat van hem 'Ma Verité' te noemen. Ze gingen pas voor de rechtbank door de knieën. Millar hoorde en hoort bij de uitzonderingen. Hij nam de draad van zijn leven en zijn carrière terug op. Hij was duidelijk een minder goede renner zonder dan met doping, maar dat kan natuurlijk niet anders. En toch vocht hij terug, naar eerherstel. Het deed denken aan Alex Zülle, die kopje-onder ging in de Festina-affaire, en het jaar nadien terugvocht. Om zichzelf opnieuw te tonen aan decent renner, als fatsoenlijk mens vooral. Zülle werd tweede. Na Lance Armstrong - de geschiedenis kan toch cynisch zijn. Millar liet een paar maanden geleden zijn zeer openhartige memoires publiceren, 'Racing through the dark', in het Nederlands vertaald als 'Koersen in het duister'. Een aanrader, voor wie zijn licht wil opsteken. En helaas voor Bradley Wiggins; hij is nu eenmaal het uithangbord een sport die wel 'proper' wil zijn, maar dat helemaal niet is. Daarmee is niet gezegd dat Wiggins doping pakt, wel dat hij moet leren leven met een immer sceptische publieke opinie.

Maar dat went. In deze zo door Britten gedomineerde Tour heeft ouderdomsdeken David Millar (inmiddels al 35) de cirkel rond gekregen. Hij nam ooit doping om bekender te worden, ritten in de Tour te winnen en veel geld te verdienen. Nu hij geen doping meer neemt (laten we dat tenminste hopen) is hij zelfs bekender dan toen. En hij won opnieuw zijn rit in de Tour de France. Een overgangsrit, van de Alpen naar Annonay. Een veel te lange rit van 226 kilometer, langer dan klassiekers als de Waalse Pijl of Omloop Het Nieuwsblad, en dat daags na de zwaarste Alpenrit. Maar de Tourdirectie heeft geluk. Met David Millar als ritwinnaar staat er op het podium een heer van stand. Een krijger van vele veldslagen, inclusief de oorlog tegen de duivel in zichzelf. En zeker die sloot hij af als winnaar.