Het lijkt wel alsof een WK voetbal vooraf voor commotie moet zorgen: drie jaar geleden was er veel kritiek over de organisatie van het wereldkampioenschap in Zuid-Afrika. Een onverantwoorde investering heette dat te zijn in een land dat kreunde onder de armoede en waarin een kwart van de inwoners moesten rondkomen met minder dan één euro per dag. Daartegenover stonden de buitenissige uitgaven voor nieuwe stadions.

Er werd veel protest verwacht, maar uiteindelijk gebruikte Zuid-Afrika de harde middelen om zich als een vrije en blije natie te presenteren. De zwervers en bedelaars in Johannesburg bijvoorbeeld werden uit het straatbeeld geveegd en honderden kilometers verderop gedeporteerd, als verschoppelingen, als paria's van een ontwrichte maatschappij. Later bleek dat dit WK geen springplank was naar een betere toekomst en schikt Zuid-Afrika zich al lang weer in een sinistere realiteit.

En hoe zal het volgend jaar zijn als het WK in Brazilië wordt georganiseerd? Ook nu zijn er tal van horrorscenario's, zeker na alle zware protesten en rellen rond de wedstrijden van de Confederations Cup. Dit toernooi werd als podium gebruik om de aandacht te vestigen op een hele hoop sociale problemen. Voetbal is religie in Brazilië en in die zin is het protest tegen het WK vreemd. Zelfs voormalige topspelers zitten niet op dezelfde lijn.

Het is typerend voor een land met twee gedaanten: van de ene kant is Brazilië hard op weg om de vijfde economie ter wereld te worden, maar er is ook veel armoede. En een groot verschil met bijvoorbeeld Zuid-Afrika is dat de sloppenwijken, de favelas, niet buiten de stad liggen, maar in het centrum. Het zal, in tegenstelling met Zuid-Afrika, niet meevallen om die rauwe en ontluisterende werkelijkheid te verbergen.

Schrijnende contrasten zullen mekaar hoe dan ook volop raken volgend jaar, een WK-kaartje moet 70 euro kosten in een land waar het minimumsalaris 240 euro per maand bedraagt en waar mensen hun huizen moesten vertalen voor de bouw van peperdure voetbalstadions die op termijn amper rendement hebben.

Intussen probeert de Braziliaanse nationale ploeg zich weer nadrukkelijk op de internationale kaart te zetten. Het speelt zondag de finale van de Confederations Cup tegen Spanje. Brazilië, met de straks voor Barcelona voetballende Neymar als vedette, kiest voor een aanvallende speelstijl en probeert de tegenstander op de eigen helft vast te zetten, maar het kan deze manier van voetballen geen 90 minuten volhouden en is defensief kwetsbaar, ook al omdat een aantal artiesten tactische discipline missen.

In de jacht op een zesde wereldtitel is er nog veel werk voor bondscoach Scolari. In een land dat duidelijk andere prioriteiten heeft. Met niet alleen protest maar, in de grote steden, het permanente risico voor straatroof en schietpartijen. Die onheilspellende berichten waren er ook voor het WK in Zuid-Afrika. Door de opvoering van een grote politiemacht bleven incidenten daar uit.

Het lijkt wel alsof een WK voetbal vooraf voor commotie moet zorgen: drie jaar geleden was er veel kritiek over de organisatie van het wereldkampioenschap in Zuid-Afrika. Een onverantwoorde investering heette dat te zijn in een land dat kreunde onder de armoede en waarin een kwart van de inwoners moesten rondkomen met minder dan één euro per dag. Daartegenover stonden de buitenissige uitgaven voor nieuwe stadions. Er werd veel protest verwacht, maar uiteindelijk gebruikte Zuid-Afrika de harde middelen om zich als een vrije en blije natie te presenteren. De zwervers en bedelaars in Johannesburg bijvoorbeeld werden uit het straatbeeld geveegd en honderden kilometers verderop gedeporteerd, als verschoppelingen, als paria's van een ontwrichte maatschappij. Later bleek dat dit WK geen springplank was naar een betere toekomst en schikt Zuid-Afrika zich al lang weer in een sinistere realiteit. En hoe zal het volgend jaar zijn als het WK in Brazilië wordt georganiseerd? Ook nu zijn er tal van horrorscenario's, zeker na alle zware protesten en rellen rond de wedstrijden van de Confederations Cup. Dit toernooi werd als podium gebruik om de aandacht te vestigen op een hele hoop sociale problemen. Voetbal is religie in Brazilië en in die zin is het protest tegen het WK vreemd. Zelfs voormalige topspelers zitten niet op dezelfde lijn. Het is typerend voor een land met twee gedaanten: van de ene kant is Brazilië hard op weg om de vijfde economie ter wereld te worden, maar er is ook veel armoede. En een groot verschil met bijvoorbeeld Zuid-Afrika is dat de sloppenwijken, de favelas, niet buiten de stad liggen, maar in het centrum. Het zal, in tegenstelling met Zuid-Afrika, niet meevallen om die rauwe en ontluisterende werkelijkheid te verbergen. Schrijnende contrasten zullen mekaar hoe dan ook volop raken volgend jaar, een WK-kaartje moet 70 euro kosten in een land waar het minimumsalaris 240 euro per maand bedraagt en waar mensen hun huizen moesten vertalen voor de bouw van peperdure voetbalstadions die op termijn amper rendement hebben. Intussen probeert de Braziliaanse nationale ploeg zich weer nadrukkelijk op de internationale kaart te zetten. Het speelt zondag de finale van de Confederations Cup tegen Spanje. Brazilië, met de straks voor Barcelona voetballende Neymar als vedette, kiest voor een aanvallende speelstijl en probeert de tegenstander op de eigen helft vast te zetten, maar het kan deze manier van voetballen geen 90 minuten volhouden en is defensief kwetsbaar, ook al omdat een aantal artiesten tactische discipline missen. In de jacht op een zesde wereldtitel is er nog veel werk voor bondscoach Scolari. In een land dat duidelijk andere prioriteiten heeft. Met niet alleen protest maar, in de grote steden, het permanente risico voor straatroof en schietpartijen. Die onheilspellende berichten waren er ook voor het WK in Zuid-Afrika. Door de opvoering van een grote politiemacht bleven incidenten daar uit.