Door Geert Foutré in Londen
'Van Tichelt klopt Palestijnse winkelbediende', is een kort bericht op een sportwebsite dat bijna onopgemerkt voorbij gaat. Een logisch feit volgens de norm 'favoriet klopt underdog' maar achter elk banaal feit zit op de Spelen een groter verhaal dat slechts naar boven komt wanneer er emotie mee gemoeid is.

Abu Mrilah Maher, 29 jaar, geboren in Jeruzalem, is inderdaad winkelbediende, maar hij was van de vijf Palestijnse atleten hier aanwezig wel de enige die geen wild card kreeg en zijn selectie verdiende op basis van de algemeen geldende IOC-normen. Daar zijn ze in Palestina niet weinig fier op, maar het bracht hem niet verder.

Er zijn er anno 2012 nog veel zoals Maher, voor wie deelnemen belangrijker is dan winnen. De Nigerese roeier Hamadou Djibo Issaka, bijvoorbeeld, die pas drie maanden geleden begon te roeien nadat hij eigenlijk zwemmer wilde worden, en een wild card kreeg van het IOC. Of de Afghaanse loopster Tahmina Kohistani die achter gesloten deuren moet trainen, en uitgejouwd wordt wanneer iemand haar in Kaboel ziet rennen, omdat ze dat zondig vinden voor een vrouw.

In het Belgisch team zijn de meeste atleten voltijds met hun sport bezig. De echte Olympiërs zijn tot een minimum herleid: eventingruiter Joris Van Springel is net als in Peking in 2008 nog steeds onderstationchef, maar hij kreeg nu wel uitzonderlijk een paar weken vrij om aan de spelen te kunnen deelnemen. En karabijnschutter Lionel Cox gebruikt zich zijn vakantiedagen op die hij heeft als arbeidsinspecteur op een Brussels ministerie. Triatlete Katrien Verstuyft gaf in 2010 haar job in het onderwijs op omdat ze anders nooit aan voldoende punten kon geraken op de internationale wedstrijden waar ze zich kon kwalificeren voor de Spelen. Ze krijgt nu een beperkt inkomen terwijl ze een opleiding volgt bij de VDAB.

Mooie verhalen zijn dat allemaal, maar dat volstaat niet voor de twee taalgemeenschappen, die nooit zo veel geld in topsport hebben geïnvesteerd als de voorbije jaren. Die willen prestaties, en liefst een paar medailles zien.

Na dag één stond België mooi in de top tien van de medaillewinnaars. Na drie dagen is ons land afgezakt tot 27 plaats, die het deelt met Azerbeijdan, Canada, India en Indonesië die net als wij één bronzen medaille hebben. Bij het ingaan van de competities op dinsdag leidden China en de VS afgescheiden met zeventien medailles, gevolgd door Frankrijk, dat de eerste drie dagen zeven keer een atleet op het podium kreeg.

De komende dagen zal België in die lijst niet omhoog klimmen, tenzij de tot Belg genaturaliseerde slalomkayaker Mathieu Doby woensdagmiddag zijn sterke prestaties uit de kwalificaties bevestigt. Pas naar het weekend is er hoop op beterschap, met Tim Maeyens (vrijdag), Kim Clijsters (zaterdag) en Evi Van Acker (maandag).

Na een paar dagen zijn al een pak van de 83 individuele atleten (de beide hockeyteams niet meegerekend) die de Belgische delegatie vormen in alle stilte teruggekeerd naar België, of hier in de anonieme massa opgegaan. Maandag werd de komst van een paar uitgeschakelde atleten in het Belgian House aangekondigd, met de vraag wie van de aanwezige journalisten geïnteresseerd was in een babbel. Niemand, zo bleek. Iedereen heeft hier alleen maar oog voor de resterende potentiële winnaars en de atleten die op zijn minst mee dingen in de spotlights. De realiteit is dat de meeste Belgen wiens competitie er al op zit, niet eens in beeld zijn geweest wanneer in hun sport de ontknoping naderde.

Het kan altijd erger. Van de 204 deelnemende landen hier wonnen er 81 nog nooit een medaille, terwijl België er toch al 139 heeft. Sommige van die landen hebben flink wat meer inwoners dan wij (159 miljoen in Bangladesh, 72 miljoen in Congo), maar niet dezelfde middelen.

Het mag - het moet - de komende dagen best wat meer zijn. Het indrukwekkend mooie 'Belgian House' aan de Thames is opgezet voor feestjes, niet om verdriet weg te drinken.