Minder dominantie

1. In veel Europese topcompetities steken er één of maximaal twee ploegen bovenuit (Spanje, Duitsland, Frankrijk, Italië...). In de Jupiler Pro League geldt echter het omgekeerde: vier verschillende kampioenen in vijf jaar (KRC Genk, Club Brugge 2x, Anderlecht en KAA Gent). In de toptwintigcompetities van de UEFA-ranking is dat nergens voorgevallen (behalve in Rusland, met vijf verschillende titelwinnaars).
...

1. In veel Europese topcompetities steken er één of maximaal twee ploegen bovenuit (Spanje, Duitsland, Frankrijk, Italië...). In de Jupiler Pro League geldt echter het omgekeerde: vier verschillende kampioenen in vijf jaar (KRC Genk, Club Brugge 2x, Anderlecht en KAA Gent). In de toptwintigcompetities van de UEFA-ranking is dat nergens voorgevallen (behalve in Rusland, met vijf verschillende titelwinnaars). De kampioen en de tweede van de JPL domineerden de laatste vijf jaar ook opvallend minder dan in de eerste vijf play-off 1 seizoenen. Tussen 2009/10 en 2013/14 haalde de eerste na 30 reguliere speeldagen gemiddeld 75,54% van de punten, tussen 2014/15 en 2018/19 daalde dat naar 70,22% (-5,32%). Voor de kampioen ná play-off 1 (niet altijd dezelfde ploeg) zakte dat puntenpercentage in die twee periodes van vijf jaar van 70,52% naar 67,46% (-3,06%). In vergelijking met de tien seizoenen vóór de invoering van het play-off-format is het overwicht van de leider zelfs nog kleiner: 75,97% gemiddeld voor de tien kampioenen tussen 1999/00 en 2008/09 vs. 70,22% voor de eerste na de reguliere competitie in de laatste vijf seizoenen (-5,75%). 2. Op basis van het gemiddeld aantal treffers per match werd play-off 1 de laatste drie keer opmerkelijk saaier in vergelijking met de zeven seizoenen ervoor. Gemiddeld 3,02 goals per duel van 2009/10 tot 2015/16 vs. 2,73 (-9,6%) van 2016/17 tot 2018/19. Qua totale doelpuntengemiddelde over de tien seizoenen ligt dat van play-off 1 (2,94) wel nog altijd hoger dan dat van de reguliere competitie (2,80). Het play-off-format gaf dat laatste gemiddelde in verband met de vijf seizoenen ervoor, in een normale heen- en terugcompetitie met 18 ploegen (van 2004/05 tot 2008/09), wel een kleine boost: van 2,70 naar 2,80 (+3,7%). Maar, opvallend, het aantal goals per duel ligt wel een pak lager dan dat tussen 1999/00 en 2003/04 (3,12). 3. Klopt de stelling dat je er pas in play-off 1 echt moet staan? Ja en neen. Van de tien kampioenen sinds 2009/10 eindigden er acht in de top twee van play-off 1, en zes sprokkelden in die nacompetitie ook het meeste punten. Alleen Club Brugge (vierde in 2017/18, 12 op 30) en Anderlecht (derde in 2012/13, 15 op 30) veroverden ondanks een slechte play-off 1-campagne nog de titel, mede door hun grote voorsprong na de reguliere competitie. De acht andere kampioenen behaalden in play-off 1 gemiddeld 20,75 op 30. De reguliere competitie blijft echter richtinggevend: zeven keer was de leider na 30 speeldagen ook de uiteindelijke kampioen. Slechts één ploeg, Anderlecht in 2013/14, eindigde in de reguliere competitie buiten de top twee (derde) en pakte toch nog de titel. Minder cruciaal is de leiderspositie na een vijfde van de reguliere competitie (vaak tot aan de interlandbreak in september). Na zes speeldagen was slechts één keer de leider ook die na afloop van play-off 1 (KRC Genk in 2010/11). Maar zevenmaal stond de uiteindelijke kampioen dan wel al in de top drie. Het beeld na de heenronde is iets meer verschillend: zes keer werd de herfstkampioen ook de nummer één na play-off 1. 4. Een van de grootste argumenten tégen het play-off-format is de grote belasting voor de topploegen, met 40 duels plus een Europese en bekercampagne. Opmerkelijk dan ook, de vaststelling dat de kampioen van de laatste vier seizoenen telkens het mééste aantal wedstrijden gespeeld heeft van de zes play-off 1-teams (KRC Genk 57, Club Brugge 49, Anderlecht 58 en Club 57), respectievelijk zeven, drie, negen en vijf matchen méér dan het nummer twee in de eindstand. Slechts in drie seizoenen kon de kampioen profiteren van duidelijk minder partijen: KAA Gent in 2014/15, 46 duels of liefst 17 minder dan nummer twee Club Brugge (63) en zes minder dan het gemiddelde van de vijf andere play-off 1-ploegen. In mindere mate gold dat ook voor Anderlecht in 2013/14 (49, gemiddeld 2,40 wedstrijden minder dan de vijf andere play-off 1-ploegen) en KRC Genk in 2010/11 (46, gemiddeld 4,20 matchen minder). 5. Ander argument om de play-off-formule af te schaffen: de vervloekte play-off 2, waar geen kat van wakker ligt. Dat bleek nogmaals afgelopen seizoen: de negen ploegen uit 1A die moesten afdalen tot in de 'hel' lokten in hun vijf thuisduels gemiddeld 3372 toeschouwers, amper 58% van hun gemiddelde in het reguliere seizoen (5820). Vooral bij STVV, dat nipt play-off 1 gemist had, haakten de fans massaal af: een gemiddelde van 2784 kijkers, of slechts 40% van het gemiddelde (7008) in de eerste 30 speeldagen. Ook bij Waasland-Beveren bleven de supporters weg, met het laagste toeschouwersgemiddelde in play-off 2 (1472), of amper 38% van de 3858 in de reguliere competitie. Bij KV Kortrijk bleven de fans het meest op post: 4927 vs. 5987, of 82%. Een ander beeld in play-off 1, waar de zes teams 10,15% meer toeschouwers lokten: 19.568 vs. 17.765 in de reguliere competitie. Vooral kampioen KRC Genk en Antwerp kregen meer supporters over de vloer, met elk een stijging van 19%: respectievelijk van 18.142 naar 21.623, en van 12.389 naar 14.794. Club Brugge had wel het hoogste gemiddelde in play-off 1 (24.536 vs. 23.000 +7%). Anderlecht zag - niet verrassend - als enige het aantal aanwezigen (heel miniem) dalen: van 18.200 naar 18.182.8 van de 10 kampioenen na play-off 1 haalden gemiddeld