Het is minuut 29 van een onuitgegeven finale. Manaseh Ishiaku komt na een tackle van Georges Arts in balbezit, duikt de grote rechthoek in en schuift de bal onder de keeper van STVV in het doel. Het is het eerste doelpunt van La Louvière in de wedstrijd die de club de eerste en enige trofee uit haar geschiedenis zal opleveren. Na 90 minuten staat er 3-1 op het scorebord van het Koning Boudewijnstadion. Klein Duimpje heeft de zogezegde favoriet een hak gezet.
...

Het is minuut 29 van een onuitgegeven finale. Manaseh Ishiaku komt na een tackle van Georges Arts in balbezit, duikt de grote rechthoek in en schuift de bal onder de keeper van STVV in het doel. Het is het eerste doelpunt van La Louvière in de wedstrijd die de club de eerste en enige trofee uit haar geschiedenis zal opleveren. Na 90 minuten staat er 3-1 op het scorebord van het Koning Boudewijnstadion. Klein Duimpje heeft de zogezegde favoriet een hak gezet. "STVV had een heel sterk kampioenschap gespeeld en was als vierde geëindigd", herinnert Roland Louf zich, destijds de algemeen manager van La Louvière. "En de Limburgers waren nogal zegezeker voor deze finale. De beker prijkte in zowat alle etalages van Sint-Truiden. Maar wij wisten dat we een kans maakten. Het is niet dat we tegen Anderlecht of Standard moesten spelen. De 3-1 was het gevolg van een onberispelijke voorbereiding door Ariël Jacobs, zowel mentaal als tactisch. De ploeg is goed georganiseerd blijven spelen, met twee aanvallers, Ishiaku en Peter Odemwingie, die een wereldmatch hebben gespeeld." "We wonnen zonder al te veel moeilijkheden, na een erg degelijke wedstrijd, met spelers die daar eigenlijk niet hadden moeten staan", zegt Thierry Siquet, de kapitein van de Wolven. "Jacobs had besloten om in de finale op mandekking te spelen, iets wat we nog nooit hadden gedaan. Alan Haydock had maar één opdracht: Danny Boffin volgen. Normaal speelden we in de verdediging op een lijn, maar nu liet Jacobs Domenico Olivieiri als libero spelen en ik op de man." Tot zover de eerste herinneringen. Trots overheerst, en dat mag ook wel want La Louvière heeft zo'n prestatie nooit meer overgedaan. "De tijd van de financiële zottigheden en de dikke contracten voor spelers als Manu Karagiannis of Nicolas Ouédec was voorbij", legt Louf uit. "We hadden een budget van nog amper 3 miljoen euro, waarvan er 1,8 miljoen naar het sportieve ging. Dat bedrag komt tegenwoordig overeen met het salaris van Dieumerci Mbokani bij Anderlecht... Met dat geld moest ik een ploeg op de been brengen. Ik heb toen ingezet op onbekende spelers die nochtans redelijk wat talent bezaten, zoals Ishiaku, Odemwingie, Michael Klukowski en Mathieu Assou-Ekotto. Als ik zie welke ploeg ik toen bijeengekregen heb, die zou niet ver van de huidige top zes af zitten." Vanaf oktober 2001 waakt het duo Louf-Jacobs over de sportieve gang van zaken bij La Louvière. De club wist zich het eerste seizoen in de hoogste afdeling eerder nipt te handhaven, maar kende dan twee zorgeloze seizoen met een elfde en een vijftiende plaats. Dat derde jaar, het seizoen 2002/03, leverde nooit degradatiegevaar op door het bankroet van KV Mechelen en Lommel. De opwinding kwam er toen uitsluitend in de beker: de Wolven schakelden in de achtste finales RC Genk uit en in de kwartfinales Standard na een heuse thriller in heen- en terugwedstrijden (1-3 en 2-0). "Wat van die match tegen Genk zeker te onthouden valt," zegt Louf, "is dat we ons plaatsten na strafschoppen en dat het Domenico Olivieiri was, uitgeleend door Genk, die de beslissende binnen trapte." Wat evenwel óók te onthouden valt, is dat Silvio Proto, de jonge doelman van La Louvière die zijn eerste seizoen in eerste klasse keepte, vijf minuten voor tijd een penalty van Genk stopte. Na de stunt tegen Standard scheiden nog twee wedstrijden La Louvière van de finale. Daarin wordt het geholpen door het lot. Na een 3-2-thuiszege treedt het noodlijdende Lommel in de terugmatch op Tivoli met een ploeg junioren aan. Het wordt 2-0, bedankt en tot ziens! In de finale wacht dan het STVV van Jacky Mathijssen. "Jacobs had veel aandacht voor de details", herinnert Siquet zich. "De avond voor de wedstrijd, die we doorbrachten in het Sporthotel van Vilvoorde, liet hij kleine kartonnen bekers op ons hoofdkussen zetten en op de grote dag liet hij ons na de opwarming de muziek van Rocky horen. We waren wat verrast want dat was niet zijn gewoonte, maar we raakten erdoor geprikkeld en gefocust." Negentig minuten later weten de spelers met hun vreugde geen blijf. Ook Jacobs, een beetje groggy, geniet ervan. Het is 1 juni 2003: La Louvière is Belgisch bekerwinnaar. Tien jaar later zijn de vreugdeliederen allang uitgezongen. La Louvière is ten onder gegaan. Zoals bij de stervende zwaan, die net voor haar dood haar mooiste dans opvoert, zo betekende de bekerwinst voor de Wolven het begin van het einde. Op de beker ligt een laag stof en de supporters, die nog altijd van die topprestatie dromen en nog altijd even gepassioneerd zijn, wonen nu duels in derde klasse bij. De Wolven zijn zelfs voor de helft Mussen geworden na de fusie met URS du Centre en de club heet tegenwoordig Union Royale La Louvière Centre. Alleen het stadion bleef onveranderd: Tivoli is nog altijd Tivoli. Het ligt aan de voet van het gelijknamige ziekenhuis en er is weinig aan veranderd sinds het de vips van eerste klasse mocht ontvangen in het seizoen 2005/06, het laatste seizoen van La Louvière op het hoogste niveau. Toch is er in die tien jaar heel wat water naar de zee gevloeid. La Louvière werd meegesleept door een tomeloze ambitie, die de geldvoorraden snel opmaakte en de club ten prooi liet aan de maffia en andere malafide figuren. De Chinees Zheyun Ye passeerde er en maakte een einde aan de dromen van de flamboyante voorzitter Filippo Gaone. Een sportieve degradatie met daarbovenop een administratieve sanctie had tot gevolg dat La Louvière in 2006/07 van start moest gaan in derde klasse, met drie minpunten. "In dat eerste jaar in derde wisten we ons maar nipt te redden", weet Bruno Sita nog, die Gaone als voorzitter was opgevolgd. "Gaone werd niet meer geduld in het voetbal of in de zakenwereld van de regio. Verandering was noodzakelijk. Ik heb dan voorgesteld om mij in te kopen en vervolgens een overnemer te zoeken, want ik had niet de middelen om zelf het gewicht van zo'n club te dragen. Maar uiteindelijk vonden we niemand die een handje wou toesteken. Het was alsof La Louvière een besmettelijke ziekte had..." Op sportief vlak is er nochtans beterschap, in 2007/08 strijdt La Louvière volop mee voor promotie, het eindigt als tweede. "Maar wij waren op dat ogenblik een derdeklasser met de schulden van een eersteklasser", zegt Sita. "De potentiële overnemers bleken onbetrouwbaar, zoals Peter Harrison, die alleen maar gebakken lucht verkocht." La Louvière begint aan het seizoen 2008/09, "maar eigenlijk hadden we er in de zomer al mee moeten ophouden", erkent Sita. "Door voort te doen liepen de schulden alleen maar op." Het is uiteindelijk op 1 juni 2009 dat het doek valt. Op die dag houdt RAA La Louvière op te bestaan. Zes jaar na de bekerwinst opent zich voor de groen-witten de vergeetput van het Belgisch voetbal. Wat volgt, is een verwoede zoektocht naar een opvolger voor La Louvière want Tivoli moet blijven bruisen. "Iedereen wist dat er in la Louvière zowel sportief als economisch potentieel aanwezig was voor een voetbalclub", zegt Alain Battard, voormalig directeur-generaal van Boussu-Dour en tijdens de zomer aangetrokken door de Wolven. "Toen er met Moeskroen, Bergen, La Louvière en Charleroi vier clubs in de eerste klasse voetbalden, heeft men een rapport laten opmaken over de economische leefbaarheid. De conclusies waren dat Charleroi en La Louvière het meeste potentieel bezaten." Aanvankelijk wordt er gedacht aan URS Centre om in Tivoli de grote Henegouwse club te worden. Die club uit Haine-Saint-Pierre had wel de ambitie maar niet de achterban. Centre kende het stadion al (het deelde dat al twee jaar met La Louvière) maar de gemeente en de supporters van La Louvière wilden er niet van weten. En zo ging men steeds verder kijken en wist men uiteindelijk Couillet (bij Charleroi, 23 kilometer verderop) te overtuigen om naar Tivoli te komen. Dat avontuur duurt maar twee jaar. De sponsors zijn het project Couillet-La Louvière niet echt genegen. De financiële bronnen drogen op. Politici uit Charleroi praten Couillet terug naar de heimat en zo wordt dan toch de rode loper uitgerold voor Centre om naar Tivoli te trekken. De Mussen moeten afstand doen van hun rood-blauwe kleuren, hun embleem en hun naam. In 2011 wordt UR La Louvière Centre boven de doopvont gehouden. Zowel de kleuren (blauw en wit) als het embleem (met een wolf en een mus) vormen een samensmelting van die van de oude rivalen. In werkelijkheid heeft US Centre het domein 'bezet', zoals de supporters van La Louvière het begin vorige maand in een perscommuniqué uitdrukten: "URLC is gewoon US Centre met een laagje vernis, met een achterban die zijn naam en kleuren heeft veranderd opdat het publiek in La Louvière zich zou identificeren met een ploeg die niet de hunne is." De fans nemen ook de afgevaardigde van de club op de korrel, omdat die de kleuren blauw en rood blijft dragen, en ze eisen dat het traditionele groen van La Louvière weer in de shirts wordt opgenomen. Ondertussen blijven de tribunes van Tivoli grotendeels leeg. Hoewel URLC nog zowat de meeste toeschouwers lokt in 3B, blijft dat aantal onder de verwachtingen van het bestuur en ver onder dat van de barragematch vorig seizoen tegen Oudenaarde (6000). Dit seizoen trok de wedstrijd tegen Virton wel 1500 toeschouwers, maar het gemiddelde schommelt tussen 700 en 800. Voor een club als La Louvière is dat miserabel. Daar komt nog bij dat financiële problemen verhinderden dat de club de eindronde voor promotie naar tweede mocht spelen. De sponsors Duferco en NMLK konden door interne problemen hun verplichtingen niet nakomen. Volgend jaar speelt URLC dus opnieuw in derde, met een budget dat naar beneden bijgesteld wordt (700.000 euro). In afwachting van betere tijden laven de supporters zich nog graag aan de beelden van 2003. "Ik heb vaak bij mezelf gezegd", aldus Thierry Siquet, "dat ik de eerste en hoogstwaarschijnlijk de enige kapitein van La Louvière ben geweest die de beker in de lucht heeft mogen steken." door stéphane vande veldeAlleen het stadion bleef onveranderd: Tivoli is nog altijd Tivoli.