Hij leek geboren om schoenen te poetsen, nootjes te verkopen of de verstrooiden te beroven. Toen hij nog kind was, noemden ze hem Ninguém, niemand. Zoon van een weduwe, voetballend met vrienden op de zandvlakten van de buitenwijken, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat."
...

Hij leek geboren om schoenen te poetsen, nootjes te verkopen of de verstrooiden te beroven. Toen hij nog kind was, noemden ze hem Ninguém, niemand. Zoon van een weduwe, voetballend met vrienden op de zandvlakten van de buitenwijken, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat." Zo omschreef Eduardo Galeano, de Uruguayaanse schrijver en voetballiefhebber, halverwege de jaren negentig Eusébio da Silva Ferrera, de eerste wereldbekende Afrikaanse voetballer, die opgroeide in precaire omstandigheden aan de rand van de hoofdstad van Mozambique en via het voetbal zijn leven maakte. Hij was de zoon van Laurindo António da Silva Ferreira en Elisa Anissabene. Laurindo was een blanke Angolees die in het toenmalige Africa Oriental Portuguesa werkte aan de spoorwegen. Elisa een zwarte autochtoon, die haar man - die amper 35 werd - aan tetanus verloor toen Eusébio acht was. De familie groeide op in barre omstandigheden, in de wijk Mafalda stonden geen huizen maar barakken, zonder stromend water. Het was een van de armste wijken van Lourenço Marques, het latere Maputo. Voetballen deden ze op straat en later bij een wijkploeg, Os Brasileiros, de Brazilianen. Een ideetje van een verkoper van lotjes, die zich om het welzijn van de voetballertjes in de wijk bekommerde. Als ze wonnen, kregen ze een handvol centen. Een bal hadden ze niet, ze schopten op uma bola de trapos, een hoop vodden bij elkaar gebonden met wat touw. "Er ontbreekt er eentje, kom, doe mee." Zo begon de voetbalcarrière van Eusébio bij het ploegje uit de wijk, waarvan de spelers de roepnaam van een Braziliaan moesten gebruiken om mee te mogen doen. Volgens een paar indianenverhalen op internet koos Eusébio als bijnaam Pelé, de man die twee jaar ouder is en die hij later nog een paar keer zou kruisen. Dat was mooi geweest, maar het klopt niet. Ze noemden hem Magagaga, omdat hij zo snel was. Of Nené, omdat hij nog klein was. Zijn dagen zagen eruit zoals die van elke kleine: van acht tot halftwaalf school, dan lunch en vervolgens nog eens school, van twee tot halfvijf. Maar veel liever dan studeren, voetbalde hij. Met de neefjes en de vriendjes uit de buurt. Op zijn elfde ging hij testen bij O Desportivo, de club van zijn hart, de club die ook zijn pa steunde. Maar - o drama - hij werd... afgekeurd. Slechte knieën. Die zouden hem heel zijn carrière parten spelen. Sporting de Lourenço Marques, de grote rivaal, had er minder problemen mee, daar kreeg hij wél een licentie. Volgens sommige getuigenissen klopt deze populaire overlevering niet helemaal, is dat interpretatie achteraf, vanwege die knieproblemen later. De waarheid was gewoon dat O Desportivo hem... te klein vond. Hoe dan ook, Sporting, een filiaal van het grote uit Lissabon, deed er een goeie zaak aan, na een paar jaar al lieten ze de snelle spits meespelen met de groten. Hij bedankte zoals hij overal zou doen: met doelpunten. 29 in de eerste 20 matchen, 77 in de 44 die hij er zou spelen. Toen werkte hij al, in een winkel van auto-onderdelen. Geluk ligt soms in een klein hoekje. Ook dat van Eusébio. En geluk maakt ook rare omwegen. Via Brazilië naar Lissabon. Dat zat zo. De echte ontdekker van Eusébio is José Carlos Bauer, een Braziliaanse international. Finalist op de WK's van 1950 en 1954, en voordien vooral een held in São Paulo tijdens de jaren veertig. Toen hij stopte, was hij nog een jaar of twintig trainer, onder meer heel even bij Leixões, in de buurt van Porto. Daar ontmoette hij - opnieuw - Bela Guttmann, een Hongaarse ex-international, een Jood wiens broer omkwam tijdens WO II in een concentratiekamp. Guttmann, van wie het altijd een mysterie is gebleven hoe hij de oorlog overleefde, was eerder nog een jaar in São Paulo coach geweest en had daar Bauer leren kennen. De Hongaar was een kampioensmaker buiten categorie: eerst in zijn eigen land met Ujpest, later in Uruguay met Peñarol, in Brazilië met São Paulo en in Portugal met FC Porto. Daar haalt Benficavoorzitter Mauricio Vieira de Brito hem in 1959 weg. De man achter de bouw van het Estadio da Luz in 1954, was steenrijk en hongerde naar succes. De aanvallende stijl van de Hongaarse coach - controversieel, de Mourinho van zijn tijd - zint hem en hij maakt hem trainer van zijn ploeg, die nationaal wel succesvol is, maar internationaal nog geen prijs pakte. Guttmann dynamiteert de ploeg. Hij gooit de selectie door elkaar en verandert het tactische systeem. De oubollige 3-2-2-3 wordt vervangen door een systeem met vier verdedigers, een 4-2-4. Benfica wordt prompt kampioen in eigen land en wint een seizoen later de finale van Europacup I in Bern, waarin Barcelona met 3-2 geklopt wordt. Voor de eerste keer is het niet de aanvoerder van Real Madrid, dat de eerste vijf edities wint, die met de trofee pronkt. En toen ging Guttmann tevreden naar de kapper. Daar komt hij Bauer tegen. Die is naar Mozambique geweest en heeft er een fenomeen gezien: Eusébio Da Silva. Bauer heeft er de mond van vol: een tiener nog, capabel om volgens hem de 100 meter in 11 seconden te lopen. Bovendien kan hij ook nog voetballen, is hij met zijn rechter een kraan, en is hij een doelpuntenmachine die over een zesde versnelling lijkt te beschikken. Bauer had hem aanbevolen bij zijn ex-club São Paulo, maar die nam hem niet. Guttmann reageert onmiddellijk, neemt het vliegtuig, gaat scouten, gaat praten met de moeder achter de rug van Sporting Lissabon en bereikt een akkoord. Eusébio zal, als hij naar Portugal gaat, alleen voor Benfica spelen, zweert ze. Of Lourenço nu een band heeft met Sporting Lissabon of niet. Maanden duurt het voor de licentie in orde is. Eusébio reist onder een valse naam naar Europa, al heeft hij wel nog voor zijn vertrek afscheid genomen van zijn ploegmaats, zodat ook Sporting op de hoogte is. Hij arriveert in december 1960 en leeft even in een villa in de Algarve, in Lagos, want Benfica is bang voor een kidnapping. Zijn eerste maanden zijn hard, een leven zonder voetbal in de Europese winter doet hem twijfelen om door te gaan. Zijn moeder overtuigt hem te blijven. Zijn debuut voor Benfica komt er uiteindelijk op het einde van dat seizoen. Eerst vriendschappelijk, tegen Atlético, op 23 mei 1961. De inspanningen van Benfica blijken de moeite waard, drie van de vier goals komen van hem. Het officiële debuut volgt op 10 juni, tegen Belenenses. Benfica wint met 4-0 en Eusébio scoort één keer. Kort daarna reist de ploeg af naar Parijs, waar het nieuwe seizoen wordt voorbereid. In de finale van het toernooi staan Benfica en Santos, de ploeg van Pelé, tegenover elkaar. Eusébio scoort een hattrick en zijn naam is gemaakt. De spits is dan negentien. De 4-2-4 onder Guttmann past perfect bij Eusébio, de ideale afwerker. Het is een zeer aanvallend systeem, waarbij het niet uitmaakt of de tegenstander scoort. Benfica, met veel Afrikaanse invloeden ook nagenoeg de Portugese nationale ploeg, doet er minstens één bovenop. Na de 3-2 tegen Barcelona wint Benfica een jaar later met 5-3 van Real Madrid, de ploeg van Di Stéfano, Puskas en Gento. Eusébio scoort in die match twee keer, waarvan één keer op strafschop. Of hij die mag nemen, had hij voordien wel zéér beleefd aan Mário Coluna gevraagd. Achteraf moet Coluna, ook van Mozambikaanse afkomst, het shirtje van Di Stéfano gaan vragen namens Eusébio, die zijn held niet durft te benaderen. Altijd, zo stelde Coluna in een interview na zijn actieve carrière, sprak Eusébio hem aan met "senhor". Coluna: "Hij kon lezen noch schrijven, zijn eerste contract tekende hij met een vingerafdruk. Tot zijn huwelijk (met Flora, die hem twee dochters schonk, nvdr) deed ik zijn administratie en het beheer van zijn geld." Na die zege tegen Real gaat Guttmann vragen om een bonus. De nieuwe voorzitter van Benfica weigert. Woedend stapt de Hongaar op, met wat later een vloek over Benfica zal zijn. "In geen honderd jaar wordt deze ploeg nog kampioen van Europa." Benfica zal daarna ook alle Europese finales verliezen, ook al gaat Eusébio, die in de jaren zestig nog drie finales zou spelen, na zijn carrière nog bidden bij het graf van de Hongaar, die in 1981 in Wenen overleed. Dat Eusébio tot halverwege de jaren zeventig bij Benfica zou blijven, ligt aan het Portugese staatsbestel. Als hij 22 is, doen Juventus én Real Madrid allebei een monsterbod op de donkere spits. Maar president António de Oliveira Salazar steekt er op vraag van de club hoogstpersoonlijk een stokje voor. "Eusébio," zegt hij tot de speler, "jij bent patrimonium van de staat. Jij mag niet weg." Achteraf zou de spits, die na zijn actieve carrière al snel zijn fortuin verloor, daar veel spijt van hebben. Als blijk van dank mag de voetballer zijn verplichte legerdienst wel vervullen met dat wat hij het beste kan: voetballen. Sportief gaat het Eusébio in de jaren zestig voor de wind, zeker nationaal. Benfica pakt titel na titel. In 1965 wordt hij Europees Voetballer van het Jaar, in 1966 is hij de held van zijn land op het WK in Engeland. Portugal, dat in de eerste ronde met 3-1 wint van het Brazilië van Pelé wordt er derde, hij is topschutter van het toernooi en speelt in de kwartfinales hoogstpersoonlijk Noord-Korea, dat 0-3 voor komt, uit het toernooi - het wordt 5-3. En als de organisatie in extremis het duel met gastland Engeland niet van Goodison naar Wembley had verhuisd, dan had Eusébio ook de Engelsen geklopt. Maar nu is het team naar zijn zeggen "van slag" door die verhuizing. Huilend verlaat hij het toernooi. Tot 1975, één jaar na de Anjerrevolutie die een einde maakt aan het autocratische bewind van eerst Salazar en later zijn trouwe opvolger Caetano, blijft de zwarte panter Eusébio bij Benfica. Zijn carrière, bekroond met elf titels, vijf bekers, twee titels van Europees topschutter, en die ene EC 1, wordt overschaduwd door zes knieoperaties. Hij sluit ze af over de plas, in de North American Soccer League, waar ook Pelé op hetzelfde moment terechtkomt. Eén keer staan ze tegenover elkaar in een stadion dat veel te klein is voor de gelegenheid. Eusébio wordt er ook kampioen, met de Toronto Metros-Croatia uit Canada. Zijn knieën en enkels zijn dan al om zeep, maar hij strijkt er 1000 dollar per wedstrijd op. En daar mogen best wat pijnstillende injecties tegenover staan. In de finale scoort hij zelfs. Net als in Benfica heeft hij in de Verenigde Staten een standbeeld, een exacte kopie van dat in Portugal. Het staat in Foxborough Massachusetts, waar de New England Patriots American football spelen. Allicht vragen hun fans zich af wie dat mannetje is. In het Estadio da Luz weten ze dat beter. Want naar die ploeg keert hij na dat avontuur ook terug, als scout, manusje-van-alles, uithangbord. Om er nooit meer weg te gaan.DOOR PETER T'KINT"Hij kon lezen noch schrijven, zijn eerste contract tekende hij met een vingerafdruk." Mário Coluna