Hij was niet alleen de grootvader van David en Mathieu van der Poel. Met zijn guitige ogen, dikke neus en brede glimlach was Raymond Poulidor een beetje de opa van heel Frankrijk. Van alle coureurs van de oude wielergarde was hij degene die nog het vaakst in beeld verscheen, vooral wanneer de zomervakantie naderde en La Grande Boucle zich op gang trok. Juli was de geliefkoosde maand van Poulidor, die met geen enkele koers zo'n onverbrekelijke band had als met de Tour. Dat is op zich opmerkelijk, want Poulidor haalde weliswaar acht keer het eindpodium, maar reed geen dag in het geel. Nochtans zou de leiderstrui hem goed gestaan hebben, dat bewees hij nadien vele jaren als ambassadeur van sponsor Le Crédit Lyonnais. In le village de départ paradeerde hij dagelijks met een gele trui om de schouders, als een ridder met het Gulden Vlies.

Als de wereld zou geregeerd worden door mensen als Poulidor, dan zouden er geen oorlogen bestaan.' Antonin Magne

Net die lacune in zijn palmares, en de pech die er vaak mee gepaard ging, droegen bij aan de immense populariteit van Poulidor. Er werd zelfs een speciale benaming voor uitgevonden: poupoularité, verwijzend naar zijn koosnaampje, Poupou. Hij zei het ook zelf: als je zo'n koosnaampje krijgt, dan zit je gebeiteld bij het Franse publiek. Het ademt een zuiderse joie de vivre, zoals Jaja ( Laurent Jalabert), Zizou ( Zinédine Zidane) of Cloclo (de bijzonder populaire zanger Claude François, een tijdgenoot van Poulidor).

Boerenzoon

Raymond Poulidor wordt geboren op 15 april 1936, in het departement Creuse, het hart van Frankrijk. Zijn ouders zijn eenvoudige pachters. Wanneer Raymond zijn eerste goeie resultaten rijdt, hopen ze dat ze misschien een eigen boerderijtje zullen kunnen kopen. Maar er moet vooral hard gelabeurd worden. Op zijn veertiende wordt Raymond van school gehaald - een van de grote teleurstellingen in zijn leven - om samen met zijn broers op het veld te werken. Het zijn lange dagen, twaalf tot dertien uur arbeid, te beginnen om vijf uur 's ochtends. Daarna moet er nog getraind worden. Dat doet hij bij wijze van spreken 's nachts, zei hij ooit. En op zondag koers, met ervoor en erna een verplaatsing van ruim vijftig kilometer. Met de fiets uiteraard. Het is in die tijd dat hij zijn eerste, ietwat denigrerende bijnaam krijgt, la pouliche, het merrieveulen.

De grote rivalen in de Tour van 1966: Jacques Anquetil en Raymond Poulidor., BELGAIMAGE
De grote rivalen in de Tour van 1966: Jacques Anquetil en Raymond Poulidor. © BELGAIMAGE

Zijn afkomst vervult Poulidor met bescheidenheid en vooral ook met dankbaarheid. Wanneer hij in 1977 terugblikt op de carrière die hij net beëindigd heeft, een carrière met veel overwinningen maar ook bittere nederlagen en bovengemiddeld veel tegenslag, glimlacht hij tevreden: 'Ik heb meer bereikt dan ik ooit had verwacht. Ik heb alles te danken aan de fiets.' Zonder die fiets zou hij een arme boerenzoon uit Masbaraud-Mérignat zijn gebleven.

Legerdienst

Zijn eerste koersjes als tiener rijdt Raymond Poulidor met de fiets van zijn moeder. Winnen doet hij voor het eerst pas in 1954, in een lokale wedstrijd. Stilaan begint hij een profcarrière te overwegen, maar daar steekt het leger voorlopig een stokje voor. Wanneer hij achttien wordt, krijgt Poulidor een oproepingsbrief voor de militaire dienst, die hij vervult in Koblenz en in Algerije. Veel trainen is er niet bij. Wanneer hij in december 1958 afzwaait, wijst de weegschaal ruim tien kilo meer aan. Die winter traint hij als een beest en in de lente wint hij zowaar zijn eerste koers. Hij is dan al 23.

Later dat jaar tipt profrenner Bernard Gauthier hem bij Antonin Magne, ex-Tourwinnaar (1931 en 1934) en sportbestuurder van de ploeg Mercier. Magne is een opvallende figuur, hij kleedt zich steevast in een witte cache-poussière en zijn slogan past uitstekend bij het arbeidsethos van Poulidor: 'Geen glorie zonder deugd.'

Het seizoen 1960 vormt een langzame aanloop, in 1961 breekt Poulidor helemaal door. Hij wint Milaan-Sanremo en wordt Frans kampioen op de weg. De poort naar vele zeges lijkt open te staan, maar ergens stokt de slagkracht. Op zijn palmares in zijn eerste drie profjaren staan zes overwinningen maar ook negen tweede plaatsen en tien derde plaatsen. Er begint zich een trend af te tekenen, de kiem van l'éternel second, de eeuwige tweede, is gezaaid.

Dat heeft ook Antonin Magne in de gaten. In het voorjaar van 1963 bijt die hem toe: 'Wil je dan altijd tweede zijn?' Een dag later wint Poulidor als eerste Fransman de Waalse Pijl. Hij juicht amper, is vooral tevreden dat hij zijn ploegleider een plezier heeft gedaan.

Het tekent de minzame Poulidor. Want Magne zei ook over hem: 'Als de wereld zou geregeerd worden door mensen als Poulidor, dan zouden er geen oorlogen bestaan.' Het etiket van eeuwige tweede heeft hem dan ook nooit dwars gezeten. Integendeel: hij repliceerde - terecht - dat het al een verdienste was om daar telkens te staan, dat wie tweede wordt ook heel dicht bij de overwinning is gekomen. Hij was er best trots op dat zijn naam een begrip is geworden dat het wielrennen ver overstijgt. Of het nu om een andere sport gaat, over kunst of over politiek: degene die er net naast grijpt is 'de Poulidor' van zijn discipline.

Bovendien kon hij zich troosten met de idee dat hij in zijn carrière tegen twee giganten was opgebotst. In de jaren 70 tegen Eddy Merckx en in zijn eerste profjaren tegen zijn echte Nemesis, Jacques Anquetil.

Tegenpolen

De sport gedijt altijd bij twee tegenpolen die om de macht strijden. Muhammad Ali en Joe Frazier in het boksen, Ayrton Senna en Alain Prost in de formule 1, Gary Kasparov en Anatoli Karpov in het schaken, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo in het voetbal. De een wordt zelden zonder de ander genoemd en beide ontlenen ze aan die vete een nog grotere faam. Het wielrennen van de jaren 60 kende zo'n tweestrijd tussen de landgenoten Raymond Poulidor en Jacques Anquetil. Ze deelden Frankrijk in tweeën, want al waren ze allebei geboren in het land van Marianne, hun onderlinge verschillen hadden amper groter kunnen zijn.

Anquetil, twee jaar ouder dan Poulidor en al meer overwinningen op zak, is de blonde glamourboy, het idool van Parijs, van de bourgeoisie. Hij houdt van feesten en vrouwelijk schoon en laat het geld rollen. De donkerharige Poulidor is de man van het volk, uit de grond getrokken van la France profonde, het Frankrijk buiten Parijs. Hij is de familievader die een rustig leven leidt en op de centen let - wat hem door zijn ploegmaats weleens kwalijk wordt genomen. Jan met de pet herkent zich in Raymond met de koerspet.

De duels tussen Poulidor en Anquetil worden uitgevochten op de wegen van de Tour. Een eerste keer kruisen ze de degens in 1962, meteen onder een slecht gesternte voor Poupou, die kort voor de Tour een pink breekt en de start neemt in het gips. Het verleent hem wel een aura van vechtlust en doorzettingsvermogen. De berekende Anquetil, Monsieur Chrono, pakt in de laatste tijdrit zijn derde eindzege. Poulidor wordt derde, na Jef Planckaert. Terwijl de weinig populaire Anquetil wordt uitgejouwd, krijgt Poulidor een ovatie. Het geneert hem.

De grote clash tussen beide opponenten wordt verwacht in 1964. Ze lossen de verwachtingen in en voeren hevig strijd. Op de flanken van de Puy de Dôme schommelen ze schouder aan schouder naar boven. Anquetil is vermoeid - hij heeft ook de Giro gereden - maar hij bluft en Poulidor laat zich vangen. Te laat demarreert hij en hij mist de gele trui op luttele seconden. In de tijdrit die nog volgt, maakt Anquetil de klus weer af. Hij wint zijn vijfde Tour. De grote kop in L'Equipe liegt er evenwel niet om: ' Anquetil le vainqueur et Poulidor lehéros'. Na afloop hebben beiden woorden van lof voor de ander en worden er enkele kussen uitgewisseld. Dan nog wel.

Raymond Poulidor met Mathieu, de zoon van zijn schoonzoon Adrie van der Poel., BELGAIMAGE
Raymond Poulidor met Mathieu, de zoon van zijn schoonzoon Adrie van der Poel. © BELGAIMAGE

Altijd net niet

In de loop van 1965 begint de relatie te verzuren. De rivaliteit wordt aangewakkerd in de pers en de Anquetillistes en Poulidoristes staan elkaar naar het leven. De renners laten zich zelf niet onbetuigd en geven elkaar geen hand meer, al probeert de brave Poulidor olie op de golven te gieten wanneer een journalist vraagt of hij zijn achterban niet in bedwang moet houden. 'Ja, natuurlijk, ' zegt Poupou, 'het moet sportief blijven.'

Maître Jacques rijdt dat jaar de Tour niet - een zesde zege levert hem geen extra geld op - maar hij draagt zijn ploegmaats op om te verhinderen dat Poulidor wint. Die hoeven dat karwei niet eens zelf op te knappen. Een jonge Italiaan, op het laatste moment aan de selectie toegevoegd, krijgt in een van de eerste ritten een vrijgeleide en zal nadien tonen dat hij een groot kampioen is: Felice Gimondi.

Zowel de Tour van 1966 als die van 1967 kent opnieuw een Franse winnaar, maar niet één van de grote twee. In 1966 moet Anquetil uitgeput opgeven, maar hij leidt eerst nog de achtervolging op de ontsnapte Poulidor, zodat zijn ploegmaat Lucien Aimar uiteindelijk het geel draagt in Parijs. In 1967 heeft Anquetil de Tour definitief vaarwel gezegd, maar nu is het Poupou die ziek wordt en pas als negende finisht. De zege is voor Roger Pingeon.

Dan maar 1968? Helaas, in de vijftiende rit komt Poulidor door een motard ten val. Hij rijdt met een zwaar gehavend aangezicht nog even door, maar moet een paar dagen erna opgeven. Geen Fransman die zich later nog herinnert dat Jan Janssen dat jaar de Tour wint. Poulidor daarentegen krijgt dagelijks 3000 fanbrieven.

We zijn ondertussen in 1969 aanbeland en iedereen weet wat dat wil zeggen: de hegemonie van Eddy Merckx vangt aan. Nu kan Poupou het echt wel schudden, toch?

Afscheid

Het zijn niet de beste jaren van Poulidor. In 1969 wint hij wel de Dauphiné Libéré, maar tegen Merckx is in de Tour geen kruid gewassen. De Franse hoop eindigt als achtste. 1970 en 1971 zijn windstil en dus is Antonin Magne hard: hij zet Poulidor aan de deur. Die stapt over naar GAN, dat de bijna 36-jarige alleen lijkt in te lijven om wat publiciteit te pakken met zijn afscheidsfeestje. Ook Poupou is somber: nu hij het paarse shirt van Fagor-Mercier heeft geruild voor het lichtblauwe van GAN, zullen de mensen langs de weg hem niet meer zo snel herkennen.

Maar dan gebeurt iets wonderlijks. Poulidor lijkt van alle druk verlost en vindt in zichzelf de energie van een tweede jeugd. In Parijs-Nice in 1972 laat hij Merckx zijn achterwiel zien. In de Tour wordt hij - nog maar eens - derde. Parijs-Nice is ook in 1973 een prooi voor Poupou. En in de Tour van 1974 finisht hij als runner-up van Merckx. Hij kaapt in die Tour nog een rit weg ook, voor de neus van de Kannibaal. Zijn vorige ritzege was dan al van 1967 geleden.

Naarmate de speculaties over zijn afscheid toenemen, blijft Poulidor rustig verder pedaleren. Nu ja, rustig... In 1976 - het rijk van Merckx is dan alweer ten einde - wordt de eeuwige tweede nog een keer derde. Hij is dan al 40 en sinds zijn eerste Tourpodium zijn er veertien jaar verstreken. Zoals ze in Frankrijk zeggen: faut le faire!

Alweer tweede

In 1977 stapt Poulidor, zij het met een melancholische glimlach om de mond, dan toch definitief van de koersfiets. Maar zijn populariteit wordt er niet minder op. Verschillende merken nemen hem in dienst als pr-man, waaronder sinds 2001 dus ook Le Crédit Lyonnais, de sponsor van de gele trui.

Om een idee te geven van de immer voortdurende poupoularité: toen het magazine Paris Match in 1991 een lezersenquête hield met de vraag welke beroemdheid ze het liefst aan tafel zouden ontvangen met Kerstmis, kwam Raymond Poulidor als nummer één uit de bus, voor paus Johannes Paulus II, Alain Delon en Catherine Deneuve.

Poupou liet het zich welgevallen. Meermaals vertelde hij dat hij de publieke belangstelling aangenaam vond. Aan dit blad vertelde hij drie jaar geleden, toen hij 80 werd: 'De dag dat ik niet meer herkend word, zal ik ongelukkig zijn.'

Met zijn kwelduivel Jacques Anquetil had hij lang geleden vriendschap gesloten. Anquetil overleed al in 1987 aan maagkanker. Een aantal weken daarvoor - en niet op zijn sterfbed zoals de legende het wil - had Poupou hem nog een bezoek gebracht. Medelijden wuifde Anquetil weg. Met een grijns zei hij tegen zijn oude rivaal: 'Het spijt me, Raymond, je gaat alweer tweede worden.'

Wedden dat ze sinds vorige week sprintjes trekken naar de borden met rijstpap.

Palmares

In zijn lange profcarrière (1960-1977) won Raymond Poulidor 189 wedstrijden. Geen enkel jaar bleef hij zonder bloementuil. Zijn voornaamste zeges: Milaan-Sanremo (1961), Frans kampioenschap op de weg (1961), Waalse Pijl (1963), Ronde van Spanje (1964), Dauphiné Libéré (1966, 1969), Parijs-Nice (1972, 1973) en zeven Tourritten. Hij nam veertien keer deel aan de Ronde van Frankrijk. In 1973 werd hij geridderd en in 2003 werd hij Officier in het Légion d'Honneur.

Hij was niet alleen de grootvader van David en Mathieu van der Poel. Met zijn guitige ogen, dikke neus en brede glimlach was Raymond Poulidor een beetje de opa van heel Frankrijk. Van alle coureurs van de oude wielergarde was hij degene die nog het vaakst in beeld verscheen, vooral wanneer de zomervakantie naderde en La Grande Boucle zich op gang trok. Juli was de geliefkoosde maand van Poulidor, die met geen enkele koers zo'n onverbrekelijke band had als met de Tour. Dat is op zich opmerkelijk, want Poulidor haalde weliswaar acht keer het eindpodium, maar reed geen dag in het geel. Nochtans zou de leiderstrui hem goed gestaan hebben, dat bewees hij nadien vele jaren als ambassadeur van sponsor Le Crédit Lyonnais. In le village de départ paradeerde hij dagelijks met een gele trui om de schouders, als een ridder met het Gulden Vlies. Net die lacune in zijn palmares, en de pech die er vaak mee gepaard ging, droegen bij aan de immense populariteit van Poulidor. Er werd zelfs een speciale benaming voor uitgevonden: poupoularité, verwijzend naar zijn koosnaampje, Poupou. Hij zei het ook zelf: als je zo'n koosnaampje krijgt, dan zit je gebeiteld bij het Franse publiek. Het ademt een zuiderse joie de vivre, zoals Jaja ( Laurent Jalabert), Zizou ( Zinédine Zidane) of Cloclo (de bijzonder populaire zanger Claude François, een tijdgenoot van Poulidor). Raymond Poulidor wordt geboren op 15 april 1936, in het departement Creuse, het hart van Frankrijk. Zijn ouders zijn eenvoudige pachters. Wanneer Raymond zijn eerste goeie resultaten rijdt, hopen ze dat ze misschien een eigen boerderijtje zullen kunnen kopen. Maar er moet vooral hard gelabeurd worden. Op zijn veertiende wordt Raymond van school gehaald - een van de grote teleurstellingen in zijn leven - om samen met zijn broers op het veld te werken. Het zijn lange dagen, twaalf tot dertien uur arbeid, te beginnen om vijf uur 's ochtends. Daarna moet er nog getraind worden. Dat doet hij bij wijze van spreken 's nachts, zei hij ooit. En op zondag koers, met ervoor en erna een verplaatsing van ruim vijftig kilometer. Met de fiets uiteraard. Het is in die tijd dat hij zijn eerste, ietwat denigrerende bijnaam krijgt, la pouliche, het merrieveulen. Zijn afkomst vervult Poulidor met bescheidenheid en vooral ook met dankbaarheid. Wanneer hij in 1977 terugblikt op de carrière die hij net beëindigd heeft, een carrière met veel overwinningen maar ook bittere nederlagen en bovengemiddeld veel tegenslag, glimlacht hij tevreden: 'Ik heb meer bereikt dan ik ooit had verwacht. Ik heb alles te danken aan de fiets.' Zonder die fiets zou hij een arme boerenzoon uit Masbaraud-Mérignat zijn gebleven. Zijn eerste koersjes als tiener rijdt Raymond Poulidor met de fiets van zijn moeder. Winnen doet hij voor het eerst pas in 1954, in een lokale wedstrijd. Stilaan begint hij een profcarrière te overwegen, maar daar steekt het leger voorlopig een stokje voor. Wanneer hij achttien wordt, krijgt Poulidor een oproepingsbrief voor de militaire dienst, die hij vervult in Koblenz en in Algerije. Veel trainen is er niet bij. Wanneer hij in december 1958 afzwaait, wijst de weegschaal ruim tien kilo meer aan. Die winter traint hij als een beest en in de lente wint hij zowaar zijn eerste koers. Hij is dan al 23. Later dat jaar tipt profrenner Bernard Gauthier hem bij Antonin Magne, ex-Tourwinnaar (1931 en 1934) en sportbestuurder van de ploeg Mercier. Magne is een opvallende figuur, hij kleedt zich steevast in een witte cache-poussière en zijn slogan past uitstekend bij het arbeidsethos van Poulidor: 'Geen glorie zonder deugd.' Het seizoen 1960 vormt een langzame aanloop, in 1961 breekt Poulidor helemaal door. Hij wint Milaan-Sanremo en wordt Frans kampioen op de weg. De poort naar vele zeges lijkt open te staan, maar ergens stokt de slagkracht. Op zijn palmares in zijn eerste drie profjaren staan zes overwinningen maar ook negen tweede plaatsen en tien derde plaatsen. Er begint zich een trend af te tekenen, de kiem van l'éternel second, de eeuwige tweede, is gezaaid. Dat heeft ook Antonin Magne in de gaten. In het voorjaar van 1963 bijt die hem toe: 'Wil je dan altijd tweede zijn?' Een dag later wint Poulidor als eerste Fransman de Waalse Pijl. Hij juicht amper, is vooral tevreden dat hij zijn ploegleider een plezier heeft gedaan. Het tekent de minzame Poulidor. Want Magne zei ook over hem: 'Als de wereld zou geregeerd worden door mensen als Poulidor, dan zouden er geen oorlogen bestaan.' Het etiket van eeuwige tweede heeft hem dan ook nooit dwars gezeten. Integendeel: hij repliceerde - terecht - dat het al een verdienste was om daar telkens te staan, dat wie tweede wordt ook heel dicht bij de overwinning is gekomen. Hij was er best trots op dat zijn naam een begrip is geworden dat het wielrennen ver overstijgt. Of het nu om een andere sport gaat, over kunst of over politiek: degene die er net naast grijpt is 'de Poulidor' van zijn discipline. Bovendien kon hij zich troosten met de idee dat hij in zijn carrière tegen twee giganten was opgebotst. In de jaren 70 tegen Eddy Merckx en in zijn eerste profjaren tegen zijn echte Nemesis, Jacques Anquetil. De sport gedijt altijd bij twee tegenpolen die om de macht strijden. Muhammad Ali en Joe Frazier in het boksen, Ayrton Senna en Alain Prost in de formule 1, Gary Kasparov en Anatoli Karpov in het schaken, Lionel Messi en Cristiano Ronaldo in het voetbal. De een wordt zelden zonder de ander genoemd en beide ontlenen ze aan die vete een nog grotere faam. Het wielrennen van de jaren 60 kende zo'n tweestrijd tussen de landgenoten Raymond Poulidor en Jacques Anquetil. Ze deelden Frankrijk in tweeën, want al waren ze allebei geboren in het land van Marianne, hun onderlinge verschillen hadden amper groter kunnen zijn. Anquetil, twee jaar ouder dan Poulidor en al meer overwinningen op zak, is de blonde glamourboy, het idool van Parijs, van de bourgeoisie. Hij houdt van feesten en vrouwelijk schoon en laat het geld rollen. De donkerharige Poulidor is de man van het volk, uit de grond getrokken van la France profonde, het Frankrijk buiten Parijs. Hij is de familievader die een rustig leven leidt en op de centen let - wat hem door zijn ploegmaats weleens kwalijk wordt genomen. Jan met de pet herkent zich in Raymond met de koerspet. De duels tussen Poulidor en Anquetil worden uitgevochten op de wegen van de Tour. Een eerste keer kruisen ze de degens in 1962, meteen onder een slecht gesternte voor Poupou, die kort voor de Tour een pink breekt en de start neemt in het gips. Het verleent hem wel een aura van vechtlust en doorzettingsvermogen. De berekende Anquetil, Monsieur Chrono, pakt in de laatste tijdrit zijn derde eindzege. Poulidor wordt derde, na Jef Planckaert. Terwijl de weinig populaire Anquetil wordt uitgejouwd, krijgt Poulidor een ovatie. Het geneert hem. De grote clash tussen beide opponenten wordt verwacht in 1964. Ze lossen de verwachtingen in en voeren hevig strijd. Op de flanken van de Puy de Dôme schommelen ze schouder aan schouder naar boven. Anquetil is vermoeid - hij heeft ook de Giro gereden - maar hij bluft en Poulidor laat zich vangen. Te laat demarreert hij en hij mist de gele trui op luttele seconden. In de tijdrit die nog volgt, maakt Anquetil de klus weer af. Hij wint zijn vijfde Tour. De grote kop in L'Equipe liegt er evenwel niet om: ' Anquetil le vainqueur et Poulidor lehéros'. Na afloop hebben beiden woorden van lof voor de ander en worden er enkele kussen uitgewisseld. Dan nog wel. In de loop van 1965 begint de relatie te verzuren. De rivaliteit wordt aangewakkerd in de pers en de Anquetillistes en Poulidoristes staan elkaar naar het leven. De renners laten zich zelf niet onbetuigd en geven elkaar geen hand meer, al probeert de brave Poulidor olie op de golven te gieten wanneer een journalist vraagt of hij zijn achterban niet in bedwang moet houden. 'Ja, natuurlijk, ' zegt Poupou, 'het moet sportief blijven.' Maître Jacques rijdt dat jaar de Tour niet - een zesde zege levert hem geen extra geld op - maar hij draagt zijn ploegmaats op om te verhinderen dat Poulidor wint. Die hoeven dat karwei niet eens zelf op te knappen. Een jonge Italiaan, op het laatste moment aan de selectie toegevoegd, krijgt in een van de eerste ritten een vrijgeleide en zal nadien tonen dat hij een groot kampioen is: Felice Gimondi. Zowel de Tour van 1966 als die van 1967 kent opnieuw een Franse winnaar, maar niet één van de grote twee. In 1966 moet Anquetil uitgeput opgeven, maar hij leidt eerst nog de achtervolging op de ontsnapte Poulidor, zodat zijn ploegmaat Lucien Aimar uiteindelijk het geel draagt in Parijs. In 1967 heeft Anquetil de Tour definitief vaarwel gezegd, maar nu is het Poupou die ziek wordt en pas als negende finisht. De zege is voor Roger Pingeon. Dan maar 1968? Helaas, in de vijftiende rit komt Poulidor door een motard ten val. Hij rijdt met een zwaar gehavend aangezicht nog even door, maar moet een paar dagen erna opgeven. Geen Fransman die zich later nog herinnert dat Jan Janssen dat jaar de Tour wint. Poulidor daarentegen krijgt dagelijks 3000 fanbrieven. We zijn ondertussen in 1969 aanbeland en iedereen weet wat dat wil zeggen: de hegemonie van Eddy Merckx vangt aan. Nu kan Poupou het echt wel schudden, toch? Het zijn niet de beste jaren van Poulidor. In 1969 wint hij wel de Dauphiné Libéré, maar tegen Merckx is in de Tour geen kruid gewassen. De Franse hoop eindigt als achtste. 1970 en 1971 zijn windstil en dus is Antonin Magne hard: hij zet Poulidor aan de deur. Die stapt over naar GAN, dat de bijna 36-jarige alleen lijkt in te lijven om wat publiciteit te pakken met zijn afscheidsfeestje. Ook Poupou is somber: nu hij het paarse shirt van Fagor-Mercier heeft geruild voor het lichtblauwe van GAN, zullen de mensen langs de weg hem niet meer zo snel herkennen. Maar dan gebeurt iets wonderlijks. Poulidor lijkt van alle druk verlost en vindt in zichzelf de energie van een tweede jeugd. In Parijs-Nice in 1972 laat hij Merckx zijn achterwiel zien. In de Tour wordt hij - nog maar eens - derde. Parijs-Nice is ook in 1973 een prooi voor Poupou. En in de Tour van 1974 finisht hij als runner-up van Merckx. Hij kaapt in die Tour nog een rit weg ook, voor de neus van de Kannibaal. Zijn vorige ritzege was dan al van 1967 geleden. Naarmate de speculaties over zijn afscheid toenemen, blijft Poulidor rustig verder pedaleren. Nu ja, rustig... In 1976 - het rijk van Merckx is dan alweer ten einde - wordt de eeuwige tweede nog een keer derde. Hij is dan al 40 en sinds zijn eerste Tourpodium zijn er veertien jaar verstreken. Zoals ze in Frankrijk zeggen: faut le faire! In 1977 stapt Poulidor, zij het met een melancholische glimlach om de mond, dan toch definitief van de koersfiets. Maar zijn populariteit wordt er niet minder op. Verschillende merken nemen hem in dienst als pr-man, waaronder sinds 2001 dus ook Le Crédit Lyonnais, de sponsor van de gele trui. Om een idee te geven van de immer voortdurende poupoularité: toen het magazine Paris Match in 1991 een lezersenquête hield met de vraag welke beroemdheid ze het liefst aan tafel zouden ontvangen met Kerstmis, kwam Raymond Poulidor als nummer één uit de bus, voor paus Johannes Paulus II, Alain Delon en Catherine Deneuve. Poupou liet het zich welgevallen. Meermaals vertelde hij dat hij de publieke belangstelling aangenaam vond. Aan dit blad vertelde hij drie jaar geleden, toen hij 80 werd: 'De dag dat ik niet meer herkend word, zal ik ongelukkig zijn.' Met zijn kwelduivel Jacques Anquetil had hij lang geleden vriendschap gesloten. Anquetil overleed al in 1987 aan maagkanker. Een aantal weken daarvoor - en niet op zijn sterfbed zoals de legende het wil - had Poupou hem nog een bezoek gebracht. Medelijden wuifde Anquetil weg. Met een grijns zei hij tegen zijn oude rivaal: 'Het spijt me, Raymond, je gaat alweer tweede worden.' Wedden dat ze sinds vorige week sprintjes trekken naar de borden met rijstpap.